Advertentie

• Wie kun je nog vertrouwen?

Over slachtoffers en overlevenden van de Holocaust zijn al veel boeken geschreven, maar dit boek over de jonge, aantrekkelijke, joodse Roosje Glaser, danslerares, is uitzonderlijk goed gedocumenteerd, eerlijk, openhartig en gedetailleerd beschreven en daardoor des te aangrijpender. We denken al heel veel te weten over de onvoorstelbare ellende van de Tweede Wereldoorlog, over familiebanden, vriendschappen en verraad, over de meest afgrijselijke verschrikkingen in de concentratiekampen, over de dubieuze houding van Nederland en Nederlanders tijdens en na W.O.-II, maar steeds weer kom je er achter dat alle verhalen nog steeds niet verteld zijn. De overlevenden wensen er eigenlijk niet meer over te praten, zij willen alleen nog zwijgen om hun kinderen en naaste familieleden er niet mee op te zadelen… Een onbewust genomen collectief besluit, zo hoor je vaak van kinderen van deze generatie. Zij waren onschuldig en hun enige “misdaad” was jood te zijn en om uitsluitend om die reden hielden zij op om mens te mogen zijn in de ogen van de Duitse bezetter en de Nederlandse verraders die zelfs aan hun deportatie verdienden.

John Glaser, de vader van de schrijver, heeft op zijn aandringen ook met zijn zus Roosje besloten “om over onze joodse achtergrond niets te vertellen. Ook niets over de kampen. Dat is alleen maar ballast, waar kinderen niks aan hebben. Te zwaar en het nieuwe, jonge leven is aan hen, niet aan het verleden. Ze moeten zich vrij kunnen ontwikkelen. Omdat Johns vrouw Elisabeth katholiek is, worden de kinderen katholiek gedoopt.”(blz. 281). Maar tijdens een bezoek aan Auschwitz ziet de schrijver in een vitrine een koffer uit Nederland staan, met daarop zijn achternaam geschreven. Het is het begin van zijn zoektocht naar het familiegeheim: zijn tante Roosje. Overigens heeft vader John nooit met zijn zoon over deze zwarte periode willen praten, noch over zijn omgekomen ouders.

We volgen twee verhaallijnen: de intensieve zoektocht van Paul Glaser naar het geheime (kamp)leven van zijn tante Roosje. En daarnaast de verhaallijn geschreven door Roosje zelf. Blz. 291: “Om de herinnering aan het verloren verleden vast te houden schrijf ik een boek over mijn leven. Dat boek had ik al eerder geschreven, maar het is in de oorlog verloren gegaan. (…) Dat verleden heb ik nodig om het toekomst op te bouwen. Een toekomst met een herinnering. “ Verreweg het grootste deel van de foto’s en documenten in dit boek zijn afkomstig uit het archief van Roosje zelf. Paul Glaser heeft zijn tante éénmaal in Stockholm mogen ontmoeten. Zij kon hem ook nog veel vertellen over zijn vader John en over zijn grootouders Glaser-Philips.
Roosje is een bijzondere jonge vrouw die weet wat zij wil. Ze heeft een heel sterk karakter dat door alle verschrikkingen toch ongebroken blijft. De oorlog krijgt haar niet klein en ze ontsnapt elke keer weer. Ze blijft positief. Haar leven is muziek, dans en mannen. Zoals zij dat zelf noemt: liefde. Door de liefde te bedrijven met de vijand in het kamp voelde zij zich “mens”, zo vertelt zij aan haar neef Paul op blz. 236. “Met een Duitser naar bed gaan was zeker fout. Je moest eens weten hoe het werkelijk was als je in een kamp zat. Om te overleven had je niet alleen geluk nodig, maar moest je ook liegen, stelen en bedriegen. (…) Eerder lazen wij op blz. 212: “Zo komen Kurt en ik na afloop van de dansles vaker samen. Een beetje liefde te midden van wanhoop, te midden van deze fabriek van de dood, dit “Schwarzbetrieb” (…) “Ik voel me er goed bij en weer helemaal mens worden”.

Maar die ontmoetingen met mannen waren uiteindelijk rampzalig: de ramp met Wim, haar mislukte huwelijk met Leo, de verkeerde minnaar Kees, de verloren verloving met Ernst, het dubbele verraad. En daarnaast dus de teloorgang van de dansschool, de kampen en de experimenten, de dood van velen, waaronder haar ouders, en vooral het harteloze Nederland waardoor ze na de bevrijding besluit in Zweden te blijven. Haar nieuwe vaderland. En ook daar zoekt en vindt zij weer een nieuwe man.
De woorden van haar vader herinnert ze zich vaak: “Om uitverkoren te zijn moet men eerst verstoten worden”. Roosje had al vroeg besloten uitverkoren te worden…

Blz. 318: “Volgens de officiële cijfers van de Nederlandse overheid is 72 procent van alle 140.000 joodse Nederlanders tijdens de bezetting omgekomen. Dit is een hoger percentage dan in de ons omringende landen. In Denemarken kwam minder dan 1 procent om. In Duitsland 24 procent. In België 44 procent en in Frankrijk 22 procent. (bronnen: Encyclopedia of the Holocaust, I. Gutman en Grijs Verleden, door Chris van der Heijden).

Dansen met de vijand is een boek dat je gelezen moet hebben, dat je pas weglegt als je de laatste letter gelezen hebt. En dan zeker weer enkele passages opnieuw wil lezen. En de geleden verschrikkingen nog steeds onvoorstelbaar zijn…

Vier sterren.

Zeist, 10 mei 2020

Reacties op: "… mijn leven was geen dans op rozen… " schrijft Roosje

117
Dansen met de vijand - Paul Glaser
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners