Advertentie

Dat Ivo Stourton met zijn debuutroman De nachtklimmers prijzen gaat winnen, betwijfel ik geen moment. Als je eerste boek meteen de vergelijking met klassiekers als The Great Gatsby en Brideshead Revisited kan doorstaan, zonder dat ook maar een moment het idee van goedkoop gekoketteer wordt gewekt, heb je een prestatie van formaat geleverd. Over welke prijs dat wordt, ben ik heel wat minder zeker. Het zou een Dagger-achtige award kunnen zijn, maar eerlijk gezegd verwacht ik eerder een prijs uit het literaire circuit. En daarmee zal het boek waarschijnlijk ook het meest recht worden gedaan.


De nachtklimmers is een soort geuzennaam van een groep vrienden die er tijdens hun studie in Cambridge een sport van maken ’s nachts de daken van de universiteitsgebouwen te beklimmen. Een levensgevaarlijke hobby, maar dat is nu juist de kick. De vrienden – drie jongens en twee meisjes – willen namelijk in alles anders zijn dan hun medestudenten. Terwijl die braaf studeren, kiezen zij voor een decadent leven vol sex, drugs en rock and roll. Spil van het groepje is de narcistische Francis Manley, zoon van een schatrijke vader, met wie hij overigens een nogal gecompliceerde relatie heeft. Niettemin stuurt deze zijn zoon iedere maand een riante toelage, die het hem mogelijk maakt een leven te leiden dat de verbeelding van gewone stervelingen ver te boven gaat. Genereus als Francis is, laat hij zijn vrienden onbeperkt meegenieten. Maar ook hier gaat de kruik net zo lang te water tot ze barst en dan is het de vraag of hij zijn vrienden zal meesleuren in zijn onvermijdelijke ondergang. Dat is, zou je kunnen zeggen, de ‘spannende’ verhaallaag.


Maar De nachtklimmers is meer dan crime fiction, als het dat zelfs al is. Ik heb het vooral gelezen als een verhaal over de wanhopige zoektocht naar zingeving. De mateloosheid die de levensstijl van het vijftal bepaalt, heeft tot doel de leegte in hun bestaan te ontvluchten. Dat geldt zeker voor James, de vertellende hoofdpersoon. Hij is de laatste die tot de vriendengroep toetreedt en weet precies wat hem in het illustere viertal aantrekt: ‘Ik was doordrongen van een behoefte ergens bij te horen.’ James ontpopt zich gaandeweg als een Mister Nobody, die hoopt Iemand te worden door zijn vriendschap met ‘de Nachtklimmers’, vooral met Francis Manley. Maar wie zijn klassiekers kent – denk bijvoorbeeld aan het werk van Jean Paul Sartre – weet dat dat ijdele hoop is.


Het tekent Stourtons vakmanschap dat hij erin geslaagd is de thematiek kracht bij te zetten door de structuur van het verhaal. Het vertelheden van De nachtklimmers ligt tien jaar nadat de vriendengroep uiteengevallen is. James is dan inmiddels een veelbelovend jurist, ondanks het feit dat zijn studieresultaten grotendeels met leugens en bedrog vergaard zijn. Toch is zijn leven nog steeds weinig meer dan een spel van schijnbewegingen. Hij verkiest bijvoorbeeld het contact met prostituees boven een echte liefdesrelatie en zoekt vergetelheid in het kijken naar pornografische dvd’s – ‘[Porno] helpt me mijn gedachten uit te schakelen.’ Zijn spaartegoed telt honderdduizenden ponden, maar het lukt hem niet zijn leven ook maar enige Schwung te geven. In zekere zin is het met James dus nooit goed gekomen. Aan het eind van het verhaal zien we hem dan met een van zijn oude vrienden door London lopen. ‘Ik bedacht hoe we eruit moesten zien in de ogen van de mensen die zaten te lunchen in de warmte van het restaurant: geliefden of vrienden, jong nog en mooi ook, die samen gingen genieten van het weekeinde.’ Maar de lezer weet dat niets minder waar is. Alles is en blijft illusie; met die boodschap besluit Ivo Stourton een meer dan verdienstelijk debuut.


 

Reacties op: Uiteindelijk is alles illusie