Een maf boek. Dat kan ik nu alvast constateren. Maar op de één of andere manier past dit boek op mijn leven als het metalen dekseltje van een pottertjesdoosje op de onderkant ervan: bij mij past het er nooit weer zo mooi op als ik het ervan afgehaald heb, het wringt, vandaar. Dergelijke constateringen, maar dan andere, doet de hoofdpersoon in het boek ook, waaruit dan diep melancholieke zelfbespiegelingen voortvloeien. De observaties zijn alledaags en gewoontjes, maar die gevolgtrekkingen zijn dat geenszins. ‘[Een vrouw haalt haar spullen weg bij de man aan de overkant.] Ze rijdt weg zonder nog een keer om te lijken. Hij haalt het wasgoed van het wasrek en doet de kroonluchter uit. Ik voel een vreemde mengeling van troost en opstandigheid. Even weet ik niet meer welke innerlijke bedoelingen ik heb, ik weet niet eens of ik nog wel innerlijke bedoelingen heb. Lang voor je dood bent, maak je fasen van dodelijkheid door. Wat je daarbij beleeft, zijn dingen waar je niet graag over praat, het heeft iets van het tegen de muur schuiven van een ziekbed.’ Zinnen als deze, ‘lang voor je dood bent, maak je fasen van dodelijkheid door’, bleven lang bij me hangen, ook al begreep ik de reikwijdte ervan niet direct in het verhaal – maar ik was er de schrijver op de één of andere manier steeds dankbaar voor.

Allengs werd de portee van dit beeld – en andere beelden in de roman – me duidelijker. De hoofdpersoon is een afgestudeerde filosoof, gepromoveerd, maar iemand die in zijn vakgebied geen baan kon vinden. Uiteindelijk klimt hij van wasbezorger in een wasserijketen tot een soort bureauchef op. Zijn vrouw Traudel is manager van een bankfiliaal, en ziet tegen haar man op om zijn intellectuele achtergrond. Maar hij laat zich gewoonweg meevoeren op de stroom, maakt geen eigen keuzes – hij is ook maar in dat beroep verzeild geraakt. Wat hij doet is observeren, en zich door die observaties laten meesleuren in allerlei bespiegelingen, dagdromerijen. Hij voelt zich innerlijk om deze bespiegelingen verheven boven anderen, bijvoorbeeld zijn kantoorgenoten, maar weet zich tegelijk mislukt in zijn leven. Als filosoof komt hij niet veel verder dan de titel van nog te schrijven boeken als ‘De fenomenologie van… ‘ en dan weet hij het verder ook niet meer. Hij heeft zelf weet van die narcistische paradox, die innerlijke verscheurdheid, die schaamte, maar tegelijk weet hij dat er niets is om zich te schamen – maar hij kan er ook niet uit ontsnappen. Die dagen op kantoor duren hem altijd te lang – hij droomt van het oprichten van een School voor Kalmering, en van een project ‘Leven met halve dagen’ – beide projecten zou ik zó van hem willen overnemen, leven met halve dagen om op de andere helft alle indrukken van de eerste helft te beschouwen. Die ‘School voor Kalmering’ – dat ik daar zelf nog niet opgekomen ben, kostelijk. Hij vraagt er ook serieus subsidie voor aan bij de gemeente, in een tamelijk hilarisch deel van de roman.

Geen gewoon man dus, deze Gerhard Warlich. De roman wordt in de ik-vorm verteld, en de observaties afgewisseld met die bespiegelingen in een soort van monologue intérieur – die de man zeer uittekenen. Voor zijn werk moet hij langs bij een hotelmanager, die zich beklaagt over andere wasserijen, dat ze zich dood houden voor klachten – 'We lachen om haar laatste zin, wat me toch wel een beetje raakt, omdat ik me ik weet niet hoe vaak dood houd om me door het leven te slaan, ik zou zelfs willen beweren dat het me-dood-houden een van mijn voornaamste levenstechnieken is.‘ Een man die tientallen jaren voorbereid geweest is op een beter leven, maar dat is nooit aangebroken. Hij observeert, neemt waar, neemt een afwachtende houding aan ten aanzien van zijn ongeluk. Maar dan komt er iets op zijn pad, dat hem wel voor een keuze stelt: die Traudel wil van hem een kind. Er wordt niet verteld waarom hij niet wil – het is in feite ook niet belangrijk – maar hij wil dus niet. Doet een condoom om als ze vrijen, waarna Traudel hem beledigd afwijst – kortom: strubbelingen in hun voortkabbelende relatie, strubbelingen in zijn keuzenloze leven – het ineenstorten van zijn droomwereld. Hij blijft een keer teveel weg op zijn werk en wordt op staande voet ontslagen – een regelrechte teloorgang van de man, die psychisch instort. Dat is in grote lijnen het verhaal – en daarmee ontneem ik de lezer niet de kans om de roman te lezen, want het draait niet zozeer om dat verhaal. Je moet die roman lezen om de beeldkracht, om de verbeelding, om de o-zo-begrijpelijke maar toch vreemde gedachtegang van die Gerhard.

Ik heb dit boek gelezen omdat het in Duitse kritieken zeer lovend werd beschreven als een waardig opvolger van de romans van Fallada; nu ik het boek gelezen heb, moet ik zeggen dat deze roman inderdaad in dezelfde lijn ligt als pak-hem-beet ‘de drinker’ – maar dat je beter kunt zeggen dat Fallada een schamele wegbereider is van deze Genazino – hij schrijft ontegenzeggelijk subtieler, raadselachtiger – en in zijn beeldende kracht, verhevener.

Ik zinspeelde er al op met dat pottertjesdoosje in mijn inleiding. Natuurlijk vereenzelvig ik me met de hoofdpersoon. Ooit heb ik het gymnasium doorlopen, in een ver verleden academische pogingen gedaan. En nu? Depothouder van reclamefoldertjes – ik hoor u al denken. Maar wees gerust: ik heb nog niet de neiging in te storten. Mijn pottertjesdoosjes willen nooit meer sluiten: ik maak ze verkeerd open, duw er een deuk in, er komt zand of ik-weet-niet-wat tussen de randen: het eindigt altijd met een zwarte klomp drop in mijn broekzak, tot verdriet van degene die bij ons thuis de was doet. Zoals het dekseltje van een pottertjesdoos op de onderkant past – het wringt en sluit niet meer – zo past deze roman op mijn leven. Al kan ik helemaal meekomen met het slot, in een zeer bevrijdende gedachte van de hoofdpersoon: ‘Een soort geluk doorzindert me. Blijkbaar kan ik, ondanks alles, nog altijd kiezen hoe ik voortaan wil leven.’

Meer leeservaringen? Lees verder op http://leesblog-reinder.nl

Reacties op: Wilhelm Genazino, Geluk als het geluk ver te zoeken is