Deep undercover #6

op 13 december 2018 door

Een boek uitkiezen is iets heel persoonlijks. Meestal kies je een boek aan de hand van de kaft, de flaptekst en door het lezen van de eerste bladzijde. In de Cover ups laten we jullie kennismaken met boeken door het plaatsen van alleen de kaft, in de Undercovers kun je boeken kiezen op basis van de flaptekst en nu is het tijd voor de derde optie: we duiken de boeken in!

Op deze frisse donderdag laten we je kennismaken met drie leuke kandidaten.
Wij stellen graag uit de categorie sf/fantasy aan jullie voor:

8d4f823b7b8b0a084f0fdaad126cfb70.jpg

 Boek 1: Dit is het verhaal hoe Yuli, zoon van Alehaw, naar de plaats genaamd Oldorando kwam, waar zijn afstammelingen zouden gedijen in de betere tijden die komen zouden.
Yuli was negen, al bijna volwassen, toen hij met zijn vader onder een windschut van huiden gekropen lag en neerkeek op de woestenij van het land, dat zelfs in die dagen al bekend stond als Campannlat. Hij was uit een lichte dommel ontwaakt toen zijn vaders elleboog hem in de ribben porde en diens rauwe stem zei: ‘De storm gaat liggen.’
De storm had drie dagen aan een stuk geblazen uit westelijke richting, sneeuw meevoerend en ijsdeeltjes van de Schansen. Hij vulde de wereld met brullende energie die werd omgevormd tot een grijs-witte duisternis, als een machtige stem die geen mens kon weerstaan. De richel waar het lage tentje was opgetrokken bood maar weinig beschutting tegen het ergste van de wind; vader en zoon konden niet veel meer doen dan blijven liggen onder de vellen, wat dommelen, en zo nu en dan een stuk gerookte vis opknauwen, terwijl het weer boven hun hoofden te keer ging.
Toen de wind de laatste adem uitblies, kwam de sneeuw in plotselinge buien, in veervormige dwarreling uitzwermend over het kleurloze landschap. Hoewel Freyr laag aan de hemel stond – want de jagers bevonden zich in tropische streken – leek hij als aan de hemel vastgevroren te zijn. Het noorderlicht golfde boven hen in gouden sluiers waarvan de franje de grond scheen te beroeren, terwijl de plooien steeds hoger stegen, tot ze in het loodgrijze hemelzenit verliepen. Het noorderlicht gaf maar weinig schijnsel, en geen warmte.
Vader en zoon kwamen instinctief overeind, rekten zich uit, stampten met hun voeten en beukten zich met de armen om het massieve, tonronde lijf. Ze zeiden geen woord. Er viel ook niets te zeggen. De storm was voorbij. Nog moesten ze wachten. Spoedig zouden de yelk komen, dat wisten ze. Niet veel langer behoefden ze op de uitkijk te liggen.
Hoewel de bodem oneffen was, leek het land onbeschreven, bedekt als het was met sneeuw en ijs. Achter de twee mannen lag hoger land, dat ook al met een wit tapijt bedekt was. Alleen in het noorden lag er een donkere, grimmige grijze veeg, waar de hemel als een beursgestoten arm omlaag reikte naar de zee. Maar de blikken van het tweetal waren onafgebroken op het oosten gericht. Na een tijdje te hebben gestampt en gebeukt met hun armen, waarbij de lucht om hen heen nevelig werd van de damp van hun adem, nestelden ze zich weer onder de huiden en wachtten af.
Alehaw legde zich neer met zijn ene in bont gehulde elleboog op de rots, zodat hij zijn duim in de holte van zijn linkerwang kon steken, zijn hoofd stuttend bij het jukbeen, terwijl hij zijn ogen beschutte met zijn vier gekromde handschoenvingers.
Zijn zoon was veel minder geduldig. Hij lag te woelen in zijn om het lijf gestikte huiden. Zijn vader en hij waren voor dit soort jacht niet in de wieg gelegd. Beren jagen op de Schansen, dat was hun leven, en het leven van hun voorvaderen. Maar de intense kou die werd uitgestoten door de hoge, harde orkaanmonden van de Schansen had hen, met de zieke Onesa, omlaag gedreven in het mildere weer van de vlakten. Yuli was dus slecht op zijn gemak en niet weinig opgewonden.
Zijn zieke moeder en zijn zuster huisden, samen met de verwanten van zijn moeder, een paar mijl verderop, vanwaar de ooms vol hoop waren uitgetrokken naar de bevroren zee met de slee en hun speren van ivoor. Yuli vroeg zich af hoe het hen vergaan was in de dagenlange storm. Of ze misschien op ditzelfde moment zich te goed zaten te doen; vis kookten of brokken zeehond, in de bronzen kookpot van zijn moeder. Hij droomde van de geur van vlees in zijn mond en hoe het voelde als het ruwe brok, verzacht met speeksel, naar binnen werd geslokt, de smaak ervan...In zijn holle maag weergalmde het bij de gedachte.

8d4f823b7b8b0a084f0fdaad126cfb70.jpg

 Boek 2:  Willand, zoon van Eldmar, wendde zijn blik af van de Toppen en keek neer op het dorp. De zon was warm vandaag, de hemel onbewolkt en het gras zacht en welig onder zijn voeten. Zijn lange haren wapperden vrij in het zonlicht, goudkleurig als graan, toen hij langs een groepje hutten met rieten daken rende en tenslotte bij de Groene Man kwam. 'Is Tilwin al hier?' vroeg hij, in de hoop dat de messenslijper zijn dorst al aan het lessen was, maar Baldgoed, de herbergier, schudde zijn hoofd. Er was geen teken van Tilwin, noch van zijn slijpwiel, dus Will liep naar buiten en ging op het gras zitten. 

Het zonlicht deed het witte linnen van zijn hemd schitteren. Dit was een mooi plekje. Overal in het grasveld waren er madeliefjes en paardenbloemen opgekomen, alsof de grond zijn mooiste zomerjasje had willen aantrekken. Elk jaar was het mooi en zonnig met Koekoekstij. Er werd naar de Teersteen gerend, tegen de wedstrijdbal geschopt en allerlei andere sport bedreven. En na afloop zou er een vreugdevuur zijn. Dan werden er liederen gezongen en dansen gedanst, en dan waren er wedstrijden met de schermstok voordat er drakensoep werd gedronken. Het zou deze keer hetzelfde gaan als het in alle jaren was gegaan, en zoals het altijd en eeuwig zou voortgaan.
In het Dal noemden ze dit Koekoekstij - de dag waarop de Meipaal werd opgericht en heel de wereld naar de groene weide kwam om zich te amuseren. Maar Will wist dat hij zich niet zou kunnen amuseren - althans niet voordat hij met Tilwin had gesproken. Hij keek naar de glooiende heuvels in de verte, die ze de Toppen noemden, en voelde het verlangen weer opkomen. Het was sterker geworden en vandaag voelde het aan als een onzichtbaar koord dat probeerde zijn hart uit zijn borst te trekken. Daarom moest hij met Tilwin praten. Het moest Tilwin zijn, want alleen hij zou het begrijpen.
'Hé, Will!'
Hij herkende die stem meteen - Leoftan, de smid, met zijn grote snor. Zijn twee dikke vlechten hingen als geteerd touw naast elkaar over zijn linkerwang. Over zijn hemd van wit linnen droeg hij een riem, net zoals Will zelf, en op zijn hoofd een kap van rode wol.
'Je vader zal nu wel gauw je vlechten draaien, zeker?'
Will haalde zijn schouders op. 'Het is rottig om uitgerekend in de week na Meidag dertien te worden.'
Leoftan legde zijn armvol houten tentpaaltjes neer. 'Ja, je moet dan nog bijna een vol jaar wachten voordat je mag meerennen in de mannenrace.'
Will trok met zijn vingers voren door zijn blonde haren en wierp weer een blik op de Toppen. 'Heb jij je ooit afgevraagd hoe het daarboven is, Leffie?'
De smid richtte zich op en keek hem verstrooid aan. 'Wat zeg je?'
'Ik vraag het me vaak af.' Hij knikte in de richting van de heuvels. 'Op een dag ga ik naar boven om te kijken hoe het daar is. Heb jij nooit willen zien hoe Nedernorton eruitziet met de hele vallei in de diepte eromheen?'
'Hè?'
Er volgde een pijnlijk lange stilte, maar Will kon het onderwerp niet laten rusten. Ooit had hij daarboven, ver weg, waar de aarde de hemel raakte, een klein figuurtje op een wit paard zien rijden. In de lente zag hij er schapen, duizenden, die werden gehoed door zwarte honden en soms ook door mensen. Hij had dat vele keren gezien, maar toen hij erover had gesproken met de anderen waren ze in zwijgen vervallen, en Gunwold, de varkenshoeder, had gemeesmuild alsof Will iets onfatsoenlijks had gezegd.
'Nou, Leffie? Heb je nooit eens óp de Toppen willen zijn?'
Leoftans gezicht kreeg een minder vergenoegde uitdrukking. 'Waarom vraag je me zulke dingen? Ze zeggen dat daar een akelige wind waait.'
'Zeggen ze dat? Een akelige wind? Maar wie zegt dat dan, Leffie? En hoe weten ze het? Ik zou willen... willen...'
Juist op dat moment verscheen Baldulf. Hij was veertien, een mollige, zelfverzekerde jongen, die kletskous Wybda en twee of drie anderen bij zich had. 'Wees maar voorzichtig met wat je zou willen, Willand,' zei Wybda. 'Ze zeggen dat het heel vaak uitkomt, wat narren en koningen zich wensen.'
Will keek haar aan, niet geïntimideerd. 'Ik ben geen koning of nar. Ik wil alleen naar boven gaan om het met eigen ogen te zien. Wat is daar mis mee?' Wybda had haar borduurwerk bij zich. Ze was voortdurend druk in de weer met haar naald, maar haar varkentjes waren niettemin nog steeds te bol en haar bloemen te plat. 'Weet je niet dat het feeënvolk je zal opeten?'
'Wat weet jij van het feeënvolk?'
Baldulf zwiepte met een wilgentwijg naar het gras naast hem. 'Ze heeft gelijk. Niemand heeft daar op die Toppen iets te zoeken.'

8d4f823b7b8b0a084f0fdaad126cfb70.jpg

 Boek 3: 

De vulkaan die Taratua had opgeworpen uit de diepten van de Stille Zuidzee, sliep nu al een half miljoen jaren. Toch zou, dacht Reinhold Hoffman, over enkele ogenblikken het eiland zich baden in een felle vuurgloed, feller dan het vuur waaruit het was geboren. Hij keek in de richting van de lanceerplaats en zijn blik gleed omhoog langs de piramide van steigers die nog steeds rondom de 'Columbus' stond opgesteld. Ruim zestig meter boven de grond ving de boeg van het schip de laatste stralen van de ondergaande zon op. Dit was één van de laatste nachten die het ooit nog zou kennen: spoedig zou het zweven in de eeuwige zonneschijn van de ruimte. Het was stil hier onder de palmen, hoog op de rotsachtige ruggegraat van het eiland. Het enige geluid van het Project was het gejammer van een luchtcompressor en, zwak hoorbaar, soms de roep van een arbeider. Reinhold was gaan houden van dit plekje met de groepjes palmbomen, bijna elke avond kwam hij er om van hieruit zijn kleine rijk te overzien. Het stemde hem treurig als hij eraan dacht dat de palmen tot atomen zouden worden verpulverd als de 'Columbus' temidden van een orgie van vuur zou opstijgen naar de sterren.
Een mijl voorbij het rif had de 'James Forrestal' zijn zoeklichten ingeschakeld en liet de bundels over de donkere wateren strijken.
De zon was nu geheel verdwenen en de snel invallende tropische nacht kwam vanuit het oosten aansnellen. Reinhold vroeg zich, een beetje sardonisch, af of het vliegdekschip verwachtte Russische onderzeeërs te vinden, zo dicht onder de kust.

De gedachte aan Rusland verplaatste zijn geest, als altijd, naar Konrad en die ochtend in de bewogen lente van 1945. Meer dan dertig jaren waren verstreken, maar de herinnering aan die laatste dagen waarin het Derde Rijk werd verpletterd tussen de walsen die uit het oosten en westen kwamen aanrollen, was nooit vervaagd. Hij kon de vermoeide blauwe ogen van Konrad nog altijd zien en de gouden stoppels op zijn kin, toen ze elkaar de hand schudden en afscheid namen in dat stukgeschoten Pruisische dorp, terwijl vluchtelingen in een eindeloze stroom langstrokken. Het was een afscheid dat symbolisch was voor alles wat er sindsdien met de wereld was gebeurd - het afscheid, de verwijdering, tussen oost en west. Want Konrad koos de weg naar Moskou. Reinhold had hem voor gek verklaard, maar daar was hij nu niet meer zo zeker van. Dertig jaar lang had hij aangenomen dat Konrad dood was. Pas een week geleden had kolonel Sandmeyer van de Technische Inlichtingendienst hem het nieuws verteld. Hij mocht Sandmeyer niet en hij was er zeker van dat dat gevoel wederkerig was. Maar geen van beiden lieten ze er hun zakelijke verhouding door beïnvloeden. 'Meneer Hoffman,' was de kolonel begonnen op zijn officieelste manier. 'Ik heb net enkele verontrustende inlichtingen uit Washington ontvangen. Zeer Geheim natuurlijk, maar we hebben besloten er de technische staf mededeling van te doen, zodat men de noodzaak voor spoed inziet.

Zou je één van deze drie boeken willen lezen op basis van alleen de eerste alinea of zelfs enkel de eerste zin? Naar welk boek zou jouw voorkeur uitgaan en waarom? Laat het ons in de reacties weten.



Reacties op: Deep undercover #6

Meer informatie