Advertentie

Erik van Os: “Soms ligt een zin jaren in een laatje”

op 27 januari 2020 door

Erik van Os (1963) is vooral bekend als schrijver van kinderboeken en -poëzie. Hij schrijft ze vanaf 1989. Voor het eerst heeft hij nu een poëziebundel voor volwassenen geschreven met als titel Had ik maar leuke kinderen.  De gedichten lijken autobiografisch. We leren de dichter dus wat beter kennen. Maar hij weet het anekdotische te overstijgen. Het is een bundel geworden die je op verschillende manieren kunt lezen: genietend van het ritme, de klank, het spelen met de taal en het genieten van de kwinkslagen en de puntige pointes; maar je kunt ook iets verder kijken en dan ontstaat er een andere kijk op de wereld, krijgen de gedichten een diepere betekenis. Heldere taal, mooie metaforen, prachtige observaties kenmerken zijn stijl. Na zoveel jaren zo’n stap maken betekent dat je lef hebt. Tijd om de dichter eens aan u voor te stellen. En de poëzieweek nadert!

Door: Jan Stoel

Banner: Anne Oerlemans

Foto’s: ©Lot van Os/Jostijn Ligtvoet

 

303cbc4d924df99ae7e53901346cac72.jpg

Na al die kinderboeken, versjes, schooloptredens nu een boek voor volwassenen. Waarom deze keuze?

Naast het schrijven voor kinderen heb ik ook altijd voor volwassenen geschreven. Behalve hier en daar een column of een gedicht voor een bloemlezing of in de Poëziekrant of Het Brabants Dagblad vond ik nooit echt een podium voor mijn werk voor volwassenen. Meerdere uitgevers aan wie ik wel eens wat opstuurde reageerden overwegend positief, maar ze vonden mijn werk nooit een geheel en daar moest ik ze wel gelijk in geven.

Ik denk dat het moeilijk is om op een andere manier te gaan schrijven dan dat je dat voor kinderen doet. Toch zie ik wel wat raakvlakken: je humor, je gevoel voor het detail van de taal zijn gebleven. Wat is anders? Of is het in essentie hetzelfde? Wat heb je op een andere manier aangepakt?

Het zit hem niet in moeilijkere woorden, maar voor volwassenen kun je o.a. technisch meer ‘uithalen.’ Enjambementen, ironie, grotere denkstappen, metaforen, andere onderwerpen, andere perspectieven. In essentie is het wel hetzelfde. Ik probeer het altijd ‘zo mooi mogelijk te zeggen.’ En met mooi bedoel ik vooral: origineel. Ook voor kinderen in groep 3 kun je een zin schrijven - over een jongetje dat zijn juf aanbidt - als ‘Haar stem lijkt wel van wol’, wat ze nog zelf kunnen lezen ook. Maar zinnen als ‘Gedichten zijn kansarme jongeren’,  staan veel te ver af van kinderen. 

Gaat de bundel eigenlijk niet over jezelf? Je geboortedatum staat er zelfs in, de plek waar je woonde in Berkel-Enschot (naast het klooster), je jeugd, het zoeken naar je zelf, de verliefdheid, de eigen kinderen en het verlangen weer kind te zijn. En toch is het geen ‘navelstaren’ geworden. Hoe pak je dat aan?

Door het al te persoonlijke zo om te buigen dat het universeel wordt. Ik volgde ooit een cursus bij Rutger Kopland die zei: ‘Je schrijft voor de lezer.’ Daar ben ik het helemaal mee eens, want anders moet je het in je dagboek houden en niet publiceren. Ik ben ook streng geweest voor mezelf en anders deed Elle (vrouw en collega Elle van Lieshout) dat wel. Ik spitte een hele dikke stapel dagboeken én schrijfblokken door en haalde er alleen dat uit ‘waar een lezer ook iets mee kan’. Er zijn veel meer gedichten niet in gekomen dan wel.

In je gedicht Kennismaking staat de volgende strofe:

Op mijn vierenveertigste speel ik in Paramaribo

liedjes voor twaalfjarigen hoor ik in een restaurant

een collega als je dichters collega’s kunt noemen

verkondigen: ik hou niet van knoflook

Die regel over je collega’s triggert me. Wat bedoel je ermee?

Daar bedoel ik letterlijk Toon Tellegen mee. Ik was met Toon en Annemarie van Haeringen (illustratrice) en Bibi Dumon Tak in Paramaribo om lezingen aan kinderen te geven. Toon vertelde dat hij niet van knoflook en dropjes hield en dat zijn kinderen weleens plagerig vroegen: ‘Nog een lekker knoflookdropje, pa?’ Zoiets.
En ik weet niet of andere schrijvers collega’s genoemd kunnen worden. Niet in de klassieke zin van het woord denk ik, maar ik vond het in dit gedicht passen om de vraag op te werpen.

Herman de Coninck is jouw favoriete dichter, samen met Willem Hussem. Kun je daar iets over vertellen?

Herman de Coninck vindt dat ‘de buurvrouw zijn gedichten ook moet kunnen lezen’ en daar ben ik het mee eens. Net als met zijn idee dat goede gedichten tevens ‘een raadselachtige helderheid’ bevatten. Het hoeft dus niet allemaal hapklaar te zijn, maar het hoeft ook zeker niet hermetisch te zijn. Daar voel ik grote verwantschap mee. Herman durfde ook humor toe te laten in zijn gedichten. Dat wordt in de ‘hogere kringen’ weleens verward met ‘niet literair.’ Onzin. Iemand als Joop Visser heeft zeer literaire liedteksten geschreven, met veel humor, dus het kan makkelijk. Het is maar net of je een beetje ruim durft te denken. En Willem Hussem is niet per se mijn lievelingsdichter, maar die kon wel zeer kort en krachtig beelden oproepen. Ik kan zelf korte gedichten heel erg waarderen. Maar evengoed wat langere, of grappige, of ernstige, of wat dan ook; zolang de vorm maar klopt met de inhoud. Soms heb je niet meer dan een haiku nodig, maar voor een liedtekst is dat weer te kort.

f01cbf4ce722bd1660a173492c03e6f9.jpg

Effe checken. De titel van je bundel ‘Had ik maar leuke kinderen’ doet het ergste vermoeden. Maar als je het titelgedicht leest is het helemaal niet zo negatief, spreekt er zelfs veel liefde uit. En je hebt de bundel opgedragen aan ‘mijn leuke kinderen.’ Een spelletje?

Ja, mijn (echt) leuke kinderen zingen zelfs mee als achtergrondkoortje in het titellied (in meerdere liedjes trouwens). Ik vond het ook origineel om aan het eind van de bundel de zin ‘En trouwens ook opgedragen aan mijn leuke vrouw’ te zetten. Ik ben het nog nooit in een boek tegengekomen dat er twee opdrachten in staan.
Het is ook een voorbeeld van hoe je iets universeel maakt. Natuurlijk denkt elke ouder -ik ook dus - weleens: ‘stomme kinderen!’ Maar als ik écht stomme kinderen zou hebben was het een schrijnender lied geworden en zouden ze vast niet meezingen. Ze kunnen de relativering wel waarderen en er hard om lachen.

Ik vond het openingsgedicht ‘Uit de inhoud’ een vondst. Allemaal fragmenten uit gedichten die in de bundel voorkomen. Voor mij waren het essentiële zinnen, die de kern van wat je wilt vertellen vormen. Is dat zo en hoe heb je dat in hemelsnaam voor elkaar gekregen?

Uit de inhoud

Ik duw dromen dubbel, heb te weinig ouders
om een huis van te bouwen, probeer bloemen
te begrijpen, zoek naar een rots van vlees
en bloed, trek leugens zomerjurken aan.

Ik verlang naar een veranda, verdwaal
tot sluitingstijd, zorg voor vuisten
op voorraad, strijk kreukels uit
de hoge hoed van de toekomst.

Ik hang niet samen, bel niet terug,
ga niet op oude dromen af, wacht
op taal van ons vertrouwde merk.

Ik voel me zo goed mogelijk.
Kennelijk ben ik de enige
met begrip voor mijn situatie.

Dat idee had ik al meer dan vijfendertig jaar. Destijds had ik een bij elkaar geniet bundeltje aan iemand gegeven en die vond de inhoudsopgave een ‘gedicht op zich.’ Dat vond ik interessant en dat heb ik dus nu pas gebruikt. Ik had ook nog een marketingidee om met een felle, gifgroene sticker op het omslag te zetten: ‘Hier worden vast MEER DAN HONDERDDUIZEND exemplaren van verkocht.’ En dan alleen die 100.000 in koeienletters. Maar dat idee heeft het niet gehaald….

Je familie, het familiegevoel, geborgenheid komt steeds terug. Wat betekent familie voor je?

Ik wil graag -zoals iedereen- mensen om me heen die me begrijpen en stimuleren. Ik heb dat het sterkst bij mijn eigen gezin en enkele dierbare vrienden. Andere familiecontacten zijn voor mij minder vanzelfsprekend en troebeler. Ik conformeer me maar moeilijk. Ik kom bij hen mijn onvermogen tegen.

Dan zijn er de gedichten waarin je vader een rol speelt. Een man die alleen tijd had voor gebed. En dan die mooie regels ‘Aandacht verdween / de diepte in van het geloof / in die andere Zoon. Wat had Hij / dat zijn eigen zoon niet had’. Autobiografisch? Toch speelt hier ook liefde voor de vader uit.

Ook wel, maar mijn zeer strenge katholieke opvoeding heeft onmiskenbaar een stempel op mijn opvoeding gedrukt. Mijn eigen elastieken geest en de gelovige geest van mijn ouders hebben regelmatig met elkaar in de clinch gelegen. 

Je zoekt niet het grote gebaar, maar juist de kracht van het kleine, het onbetekenende. Daardoor komt je boodschap beter binnen. Je hebt wel kritiek op de ratrace, steeds maar meer, alles moet nieuw zijn, flitsender. Allemaal kenmerken van onze maatschappij. Je gedichten ademen rust en ruimte uit. Is dat de tegenbeweging die je nastreeft? ‘Jonge juf’ vond ik zo’n gedicht waarin dit naar voren kwam. Alles is gepland in het lesrooster met de dodelijke slotregels van de juf: Over vijf minuten / zou een grapje heel goed kunnen.

Doordat ik al vijfentwintig jaar als kinderboekenschrijver op scholen kom en voorlees in bibliotheken, maak ik het vaak mee dat juist jonge juffen - al heb je natuurlijk uitzonderingen - veel steun hebben aan een strakke dagindeling. Ik kan het dan niet laten om daar een beetje de draak mee te steken. Al weet ik zelf maar al te goed, als ex-kleuterleider, hoe pittig beginjaren met een eigen klas kunnen zijn.

Je taal blijft altijd licht, makkelijk te begrijpen. De kracht zit hem in het subtiel onder woorden brengen van een gedachte met begrijpelijke woorden. Humor is daarbij een belangrijk hulpmiddel om te relativeren. Hoe ben je te werk gegaan bij het schrijven van deze bundel?

Het is een proces geweest van tien jaar. Ik heb jarenlang gezocht naar ‘gedichten die bij elkaar passen.’ Ik zit het liefst ‘maar wat voor me uit te schrijven’ en dan te kijken wat er komt. Een grappig lied, een droevig gedicht over mijn jeugd, een haiku, een kinderversje, een gedicht waarbij taalspel voorop staat. Dat werd nooit een eenheid. Voor een rode draad heb ik er talloze bundels van andere dichters op nageslagen, maar ik vond nooit de vorm die bij mij paste. Ik wilde niet alleen een lightverse bundel samenstellen, maar ook niet een met alleen maar zware kost. En omdat ik veel optreed weet ik hoe belangrijk het is om een combinatie van ontroering en humor te brengen. Die combinatie zou voor mij ook in een bundel terug te moeten vinden zijn. Tijdens de opnames van de versjes en liedjes van mijn kinderboek Haren vol banaan kwam ook mijn werk voor volwassenen ter sprake. Uitgever Dik Broekman vroeg me wat op te sturen en te zingen. Juist de mix van gedichten en gezongen gedichten die ook in Haren vol banaan zo goed werkte, bleek de lijn te zijn, het geheel waarbinnen ik de bundel kon samenstellen. En het speelde ook mee dat uitgeverij Rubinstein over een eigen studio beschikt, waar ik de liedjes kon opnemen.

Je schrijft in prachtige metaforen, waaruit je observatievermogen en gevoel voor taal speelt. Je zoekt de eenvoud en de rijkdom van de taal: ‘ik duw dromen dubbel’, ‘trek leugens zomerjurken aan’, in een wiegelied ‘mijn schattige schuldgevoeltje, ‘het schillen van een appeltje voor ons samen. Dan is de wereld zoals ik hem altijd heb gewild’, het dromen over grote verten en ‘dan blijk je te kijken naar een systeemplafond,’ ‘de laklaag van de liefde / vertoonde sporen van achterstallig gestreel’, bij een ruzie ‘het was wieden tussen mijn woorden’. Dienen die beelden zichzelf aan of is het gewoon keihard werken om passende beelden te vinden?

Beelden zijn net als woorden: ze dienen zich soms vanzelf aan, maar het is ook hard werken om van die beelden de juiste beelden te maken, die precies passen in een zin, in een gedicht. Een eerste idee is heel belangrijk, maar dat is lang niet altijd het idee dat overblijft in het uiteindelijke gedicht. En soms ligt er een beeld, een zin jaren in een laatje ‘tot het in een gedicht past.’ Toen ik nog les gaf, bedacht ik ooit het woord ‘Diere-liere-liedjes’. Dat is dertig jaar (!) later een boek geworden voor kleuters met liedjes over dieren. Je moet soms een beetje geduld hebben…

Je hebt van een aantal gedichten liedjes gemaakt die op Spotify te beluisteren zijn. Was dat nodig?

Ja, omdat ik - als muzikant - per se een aantal teksten als lied wilde brengen. Aanvankelijk zouden we het met een aantal Nederlandse beroemdheden doen. O.a. Henny Vrienten en Nol Havens hadden al een keuze gemaakt uit de liedteksten, maar om meerdere redenen vielen die allemaal af. Omdat ikzelf met enkele liedjes al jarenlang optreed en ook mijn zoon al van enkele gedichten een lied had gemaakt én omdat bij Rubinstein de geweldige componist en geluidsregisseur Floor Minnaert werkt die talloze instrumenten bespeelt, hebben we ervoor gekozen om het zoveel mogelijk zelf te doen. Ik heb ook een aantal bevriende muzikanten bereid gevonden mee te werken, zoals Liseth Horsten en Sandra Coelers. Maar tijdens de opnames kwam ik in een burn-out en moesten we de helft van de liedjes (die al wel in de grondverf staan) uitstellen. Omdat er geen cd bij kwam, konden we dat doen. Dus als ik weer wat fitter ben, voegen we er nog een stuk of zeven toe op Spotify.

Reflectie is een belangrijk thema in je bundel. Vanuit dat reflecteren dient zich een nieuw perspectief aan waarbij je enerzijds teruggrijpt op de onbevangenheid van een kind. Anderzijds viel me de regel ‘ik voel me zo goed mogelijk’ op. Wat wil je de lezers meegeven? En wat kunnen we in de toekomst van je verwachten?

Ik wil de lezers meegeven wat ze er zelf uit willen halen en hopelijk is dat vooral iets moois. Nu werk ik aan een bundel voor jongeren, dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfondsn, ook een combinatie van gedichten en gezongen gedichten. Maar deze keer ga ik de muziek uitbesteden aan anderen. De titel heb ik al: Applaus voor mijn vinger. Al kan het goed zijn dat die titel nog een keer of tien verandert. 

Website Erik van Os

Spotify: Had ik maar leuke kinderen

d10facec0f733df8d4f9b72f132e649c.jpg

 



Reacties op: Erik van Os: “Soms ligt een zin jaren in een laatje”

Meer informatie

Gerelateerd

Over

Erik van Os

Erik van Os

Erik van Os is kinderboekenschrijver. Samen met zijn vrouw en collega-schrijver ...