Advertentie

Hebban vandaag

Interview /

Boekmakers #6 / Geert van Oorschot

door Jet Steinz
Begin november verscheen een biografie van de hand van Arjen Fortuin over een van de markantste uitgevers die het Nederlandse uitgeversvak gekend heeft: Geert van Oorschot (1909-1987). Hij leerde het vak van A.M.M. Stols, stapte in 1939 over naar uitgeverij Querido en werd daar benoemd tot directeur, toen Emanuel Querido na de Duitse inval gedwongen werd uit het bedrijf te stappen.

Na de oorlog richtte Van Oorschot zijn eigen, naar hemzelf genoemde, uitgeverij op. Al snel wist hij werk van grote schrijvers als Multatuli, Louis Couperus en de dichter Leopold binnen zijn fonds te brengen, maar hij was ook de ontdekker van nieuwe talenten als Gerard Reve en W.F. Hermans. Van Oorschot was bovendien niet bang voor grote projecten en de daarbij behorende risico’s; soms pakte dat goed uit — zoals in het geval van het tijdschrift Tirade, dat door hem in 1957 werd opgericht en nog steeds bestaat, of De Russische Bibliotheek, een dundrukreeks met de verzamelde werken van schrijvers als Gogol, Dostojevski en Tolstoj — soms minder, zoals De Witte Olifant-reeks.

Maar Van Oorschot is, naast zijn successen en mislukkingen op uitgeefgebied, vooral ook vermaard vanwege zijn stormachtige karakter en de hoogoplopende ruzies tussen hem en vrijwel alle schrijvers die hij onder zijn hoede had. En niet alleen schrijvers, ook zijn vrouw en zonen moesten het ontgelden. In Geert van Oorschot, uitgever vertelt Fortuin het boeiende verhaal van Van Oorschots leven. Jet Steinz sprak met de inmiddels 28 jaar dode uitgever.

Het lijkt me een enorme eer, als iemand een biografie over u schrijft. Heeft u het boek al gelezen? Wat vindt u ervan?

‘Het zit er schitterend uit: een fraai omslag en mooi gebonden in de traditie van mijn huis. Dat doet me genoegen. Maar ik heb me nauwelijks in het boek terug kunnen vinden; maar u moet weten dat ik mezelf slecht ken en dat ik geenszins weet hoe ik op anderen ‘overkom’.’

U lijkt zich sowieso niet erg druk te maken om hoe u op anderen overkomt — u ging volledig uw eigen weg, en maakte met iedereen ruzie, als dat nodig was. Heeft u ergens spijt van?

‘Ik heb geen spijt van alle gevechten, van de strijd tegen communisten, katholieken en andere leugenaars, tegen de verspreiders van humbugfellow travellers en andere lafaards. Wel heb ik spijt van het volgende: toen Dick Hillenius eind 1959 bij mij kwam met het manuscript van zijn nieuwe boek, heb ik dat afgewezen. Achteraf denk ik dat ik niet in de stemming was voor zijn soort literatuur. Toen dat boek, Oefeningen voor een derde oog, later verscheen bij De Arbeiderspers heb ik het weer helemaal herlezen. Toen moest ik een en ander van mijn mening herzien. Ik dacht: Hillenius’ eerste boek, Tegen het vegetarisme, was een 8 (een heel hoog cijfer), Oefeningen een 6. Maar later gaf ik de Oefeningen bijna ook een 8. En des te meer betreurde ik het, dat deze vogel mijn venster uitgevlogen was.’

Maar u heeft een heleboel vogels wél uw venster binnen gelokt — en gehouden. Wat ziet u als uw grootste prestatie?

‘Wat vindt u, mevrouw? Een noodzakelijk, veel te weinig gelezen boek als Brieven van Willem Walraven? Het tijdschrift Tirade, dat nu na mijn dood nog steeds schijnt te bestaan? Of de Russische Bibliotheek, waar ik me drie keer bijna de nek over heb gebroken, maar die toch voltooid is en dat zonder een cent subsidie.’

Wilt u daar ook het liefst om herinnerd worden?

‘Nee. In de korte toespraak die mijn broer Adrie namens mij voorlas op mijn begrafenis heb ik iedereen bedankt voor hun belangstelling en de hoop uitgesproken dat die belangstelling in de eerste plaats de literatuur moge gelden. Dat lijkt me afdoende.’

U bent begonnen bij uitgever A.A.M. Stols. Is hij degene die u het uitgeversvak heeft geleerd?

‘Stols, waar ik in de jaren dertig als vertegenwoordiger voor werkte, was een bijzonder bekwaam vakman. Ik heb daar veel geleerd over het technisch maken van boeken, een boek móói maken. Maar Stols was ook in veel opzichten een poëtische idioot, een man met wie wel moeilijkheden moesten ontstaan. Na korte tijd brak ik met hem om redenen die ik u niet kan meedelen. Daarna kwam ik bij Emanuel Querido, die mij leerde dat je boeken niet alleen moet maken maar ook verkopen – en dat is een vak apart. Een boek is geen pond kaas dat vroeg of laat vanzelf de deur wel uit gaat, je moet eraan werken.’


Welke eigenschappen moet een goede uitgever volgens u hebben?

‘Een uitgever is geen fabrikant van boeken – niet een man die uit is op winst; een man die de bestaande markt niet ontkent, maar er wel schijt aan heeft en die het apparaat maakt waardoor het zijn ‘geestverwanten’ tegen alles en alles in, ook tegen het altijd mogelijke en dreigende faillissement in, mogelijk is zich zonder enigerlei concessie te manifesteren als ze zijn: onafhankelijk, onredelijk, boosaardig als het moet, maar vooràl: partij kiezen voor wat onderkend is als waarheid, vrijheid, fatsoen, stijl en vooral: als het schrijven onmogelijk wordt gemaakt, zullen ze tóch schrijven, en ondanks alles, ook de meest verschrikkelijke omstandigheden, zal er een man zijn, die zet en drukt en naar buiten brengt, met alle genoten risico’s. Want ook die man is een dichter, die op leven en dood betrokken is in wat voor de dichter onontbeerlijk is: vrijheid, kunnen ademhalen, protest, en nooit zwijgen.’

Zijn er hedendaagse uitgevers die u bewondert?

‘Ik ken die mensen allemaal niet meer, behalve mijn  zoon Wouter – die nu ook al weg is. Uitgevers bewonderen? Toen ik een eredoctoraat kreeg vroeg ik mij al af waarom stratenmakers geen eredoctoraten kregen.  Een eredoctoraat in de straatmakerij, in de plaveikunde zou hier op zijn plaats zijn.’

Wat vindt u van de uitgangspunten van de pas opgerichte uitgeverij Das Mag?

‘Ik schreef ooit aan een beginnende uitgever: geef het volgend jaar weinig uit, maar zorg dat wat je uitgeeft zeker winst oplevert. Dat lijken die jongens goed begrepen te hebben. Maar de vraag is natuurlijk wat voor boeken ze uitgeven. Wat is hun mentaliteit. Stáán ze ergens voor?

Ik zie überhaupt geen mentaliteit meer in de huidige uitgeversscène, geen vechtlust. Het is maar goed dat ik dood ben: alle winkels liggen vol met lelijke boeken vol onbenul. Nu wordt Frans Kellendonk herdacht als een groot schrijver, terwijl iemand die Kellendonk groot en bijzonder vindt nooit iets kan zijn – dat zei ik dertig jaar geleden al.’


In april dit jaar heeft uw zoon Wouter van Oorschot de uitgeverij verkocht. Bent u teleurgesteld?

‘Je moet je tijdig terugtrekken, zonder je opvolgers voor de voeten te lopen. Zo doet Wouter het nu en zo heb ik het destijds ook gedaan.’

Toch staat er in uw biografie dat u Wouter en Gemma Nefkens nog jaren voor de voeten heeft gelopen.

‘Dat lijkt me een leugen. Ik heb ze natuurlijk wel voor enkele misstappen moeten behoeden.’

Zitten er schrijvers in het huidige fonds van Van Oorschot die u eigenlijk niet bij de uitgeverij vindt passen?

‘Als ik het huidige fonds bekijk, zie ik een ongebroken mentaliteit. Dat is de mentaliteit van Forum, een strijdbaarheid, van Menno ter Braak, Edgar du Perron en Multatuli. U heeft dat natuurlijk niet meegemaakt, maar dát waren nog eens mannen, mevrouw.’

U heeft met een heleboel schrijvers uit uw fonds innige vriendschappen onderhouden — en u heeft met evenzoveel personen flink ruzie gemaakt. Kun je, als uitgever, überhaupt bevriend zijn met je schrijvers?

‘Als ik iemand uitgeef, dan trekken we samen op. Vroeger was mijn eerste vraag aan jonge mannen vaak: bent u wel eens verraden in uw leven? Zelf ben ik heel vaak verraden, door schrijvers en anderen. Maar daar hebben uw lezers niets mee te maken… Kijk, mevrouw Steinz, als we elkaar in een kroeg hadden ontmoet, zou ik u meer wezenlijke dingen over mezelf verteld hebben, heel andere dingen…’

In dat geval hoop ik u ooit nog in een kroeg tegen te komen. Tot slot: u schreef ook fictie, onder het pseudoniem R.J. Peskens — en u was daarin vrij succesvol. Vindt u uzelf een betere uitgever of een betere schrijver?

‘Ik ben, vóór mijn dood, heel lang heel moe geweest. Niet moe van het werk, noch van het uitgeven, en hoewel ik mij nooit illusies heb gemaakt omtrent de goedheid van de mens, begint me de corruptieve, inhalige, ijdele profiteursmentaliteit van ‘de mensen’ zo zeer tegen te staan, dat ik mij steeds meer begon te schamen tot het menselijk ras te behoren en niets liever wilde dan mij in mijn hol voorgoed terugtrekken. Maar ook dat zou natuurlijk niets opgelost hebben. Want wat had ik in dat hol moeten doen? Schrijven? Waarom, waartoe? Ik wist te goed dat de kwaliteit van mijn schrijverij te gering was, om door mijzelf ernstig genomen te worden. Het bleef immers altijd ver beneden het criterium dat ik aan de literatuur stelde. En niets en niemand is immers gebaat bij middelmatigheid.’

Arjen Fortuin

Dit interview kwam tot stand met behulp van Van Oorschots biograaf Arjen Fortuin. Het bestaat grotendeels uit citaten van Van Oorschot zelf.

Arjen Fortuin (Amsterdam, 1971) studeerde geschiedenis en filosofie in Amsterdam en Madrid. Tijdens zijn studie schreef hij voor het faculteitsblad Babel, later werd hij redacteur van Folia, het weekblad voor de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast was hij redacteur van Biografie Bulletin enHistorisch Nieuwsblad. Sinds 1998 schrijft hij voor de bijlage Boeken van NRC Handelsblad, in 1999 werd hij redacteur van diezelfde bijlage en in 2005 coördinator literatuur. Hij schrijft voornamelijk over Nederlandse literatuur en verder over geschiedenis en sportboeken. Fortuin zat in de redactie van Magazijn, een jaarboek voor schrijvers van onder de veertig en samen met Hans Schoots stelde hij de bundel Ongenaakbaar Madrid (2003) samen. Hij is lid van de redactie van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam.  Begin 2007 verscheen bij uitgeverij Bas Lubberhuizen Een bespottelijk genre. De biografie in Nederland, een bundel artikelen uit Biografie Bulletin, onder redactie van Arjen Fortuin en Joke Linders. 

Eerder in Boekmakers:



Over de auteur

Jet Steinz

703 volgers
295 boeken
3 favoriet
Auteur


Reacties op: Boekmakers #6 / Geert van Oorschot

 

Gerelateerd

Over

Arjen Fortuin

Arjen Fortuin

Arjen Fortuin (Amsterdam, 1971) studeerde geschiedenis en filosofie in Amsterdam...