Advertentie

“De mijn” uit 1885 is het dertiende deel in de Rogoun-Macquarts roman cyclus serie van Emile Zola (1840 – 1902). De oorspronkelijke Franse titel “Germinal” betekent in het Nederlands ‘kiem’, al kan het ook verwijzen naar de 7e maand van het jaar in de Franse Republikeinse Kalender. In de Rogoun- Macquarts cyclus geeft Zola een kritische beschrijving van het leven tijdens Tweede Keizerrijk (1852 – 1870) al is “De mijn” geschreven nadat dit Keizerrijk was gevallen. “De mijn/Germinal” is zowel in Frankrijk en Nederland zijn populairste roman. De eerste Nederlandstalige vertaling verscheen in 1927 bij de Wereldbibliotheek in vertaling van Carel en Margo Scharten-Antink. Ik heb de vijfde druk uit 1957 gelezen. Zola en “De mijn/Germinal” waren al veel eerder bekend bij lezers (die in die jaren goed onderlegd waren in het Frans) van literaire tijdschriften al lang bekend in Nederland en Vlaanderen.

De centrale persoon in “De mijn” is Etienne Lantier. Deze jongeman afkomstig uit de Provence arriveert op een winterse avond verkleumd en berooid bij de mijn de Voreux (vertaald naar het Nederlands: de vraatzuchtige) in Montsou in het noorden van Frankrijk. Door de ogen van Lantier beschrijft Zola op indrukwekkende wijze de mijn en alles daaromheen als een monsterachtig wezen dat vuur uitspuwt en mensen opvreet. Deze beschrijving van de mijn contrasteert met de beschrijving van de mijnwerkers en hun gezinnen die Zola, weer door de ogen van Lantier, neerzet als volgzame trekdieren die zonder enige vorm van tegenwerking dag in dag uit zich (laten) afbeulen in de mijn voor een hongerloon. En dit contrastreet weer met de wijze waarop Zola trekpaarden die diep in de mijn karren met steenkool trekken menselijke emoties als vriendschap, solidariteit en verdriet toeschrijft. Deze drie scherpe contrasten maken heel erg duidelijk wat de centrale vraag is van Zola in “De mijn”. Wat is een menswaardig bestaan?

Het is schrijnend om te lezen dat winkeliers krediet willen verlenen aan gezinnen wanneer de moeder haar tienerdochter langs stuurt om het bestelde op te halen. Of jongeren die omdat ze niets anders te doen hebben in hun vrijetijd al op zeer jonge leeftijd overgaan tot seks. Ik zou willen schrijven overgaan tot het ‘bedrijven van de liefde’, maar van liefde is bijna nooit sprake. Liefde is zo goed als onbekend in deze mijnwerkers gemeenschappen, net zoals het onderscheid tussen seks uit vrije wil en verkrachting (bijna) niet bestaat. Een vrije wil ontbreekt niet alleen wanneer het gaat om seksualiteit, maar geldt op alle gebieden. Het hebben van een vrije wil is een van de essentiële verschillen tussen een mens en een beest en bij de mijnwerkers is dit onderscheid vervaagd.

In de maanden dat Lantier werkt in de mijn en als kostganger inwoont bij de mijnwerkersfamilie Maheu slaagt hij er in om een groot aantal mijnwerkers en hun gezinsleden te interesseren voor de sociale strijd voor lonen die (iets) hoger zijn dan het absolute bestaansminimum en veiligere werkomstandigheden. Dit is het zwakste en ook het sterkste deel van de roman. Zwak, omdat Zola bijna een karikatuur maakt van sociaal democratie in de persoon van Rasseneur, anarchisme in de persoon van Souvarine en communisme in de persoon van Etienne Lantier. Heel sterk, omdat Zola van stakingsleider Lantier geen held, geen ideale schoonzoon, geen perfect mens, geen profeet maakt die zijn discipelen als makke schapen naar het beloofde land leidt.

Een aangekondigde loonsverlaging en een aantal zware ongelukken in de mijn leiden tot een staking Etienne treedt op als stakingsleider en woordvoerder van de arbeiders. Voor de buitenwacht gaat hem dit moeiteloos af, maar van binnen is hij onzeker en twijfelt hij zowel aan zichzelf als aan zijn idealen en de juiste weg om die idealen te realiseren. Het doet zijn ego wel goed, wanneer een massa mensen naar hem luistert en applaudisseert als hij spreekt. Hij ziet zich zelf al binnen een paar jaar als parlementslid in de salons in Parijs. Wanneer er door snoeihard optreden van leger en door honger (de stakingskas is al lang leeg) doden vallen keert een deel van de arbeiders zich ook tegen Lantier. Uiteindelijk is de enige keuze die de arbeiders nog hebben terug in de mijn voor een hongerloontje of dood door honger. Het natuurlijke overlevingsinstinct overwint en de arbeiders dalen weer af in de mijn. Door achterstallig onderhoud en sabotage voltrekt er zich een mijnramp, waardoor veel mijnwerkers komen te overlijden en de mijn zo goed als volledig instort. De beschrijving van deze ‘doodsstrijd’ is een spiegelbeeld van de beschrijving van de monsterachtige mijn in het begin van de roman. Lantier die de ramp net weet te overleven beseft dat er geen toekomst meer voor hem is in Montsou, hij trekt naar Parijs.

“De mijn” is misschien wel Zola’s somberste. De armoede, honger en het beperkt perspectief op verbetering van de leefomstandigheden in de nuchtere en sobere beschrijving Zola maken het een ijzersterke roman die de ‘tand des tijds’ uitstekend heeft doorstaan. Als je van plan bent om maar één roman van Zola te lezen, dan is “De mijn” een uitstekende keuze.

Reacties op: Monsterlijk goede roman