Advertentie
    Jan Stoel Hebban Recensent

Een optreden van Alex Roeka (1945)bijwonen is een belevenis. Wat gekromd gebogen over zijn gitaar zingt hij met die kenmerkende stem van hem prachtige liederen over zijn leven, zijn jeugd, de stad, het verleden, de nacht en de liefde (of wat er voor door moet gaan). Adembenemend zit je naar hem te kijken en vooral te luisteren. Met zijn lied ‘Noem ’t geen liefde’ werd hem de Annie M.G. Schmidtprijs voor het beste theaterlied van het jaar 1999 toegekend. Zijn lied ‘Moeder’ werd in 2016 genomineerd voor deze prijs. Tweemaal ontving hij een Edison voor cd’s. In 2017 kreeg Alex de Nederlandse Oeuvreprijs Kleinkunst en Cabaret. Hij schreef ook een roman.

En dan is er nu ‘Al het waaien van de wereld’, een selectie uit zijn gedichten. “Nou ja, gedichten? Ik heb niet de ambitie poëtisch te zijn. Het poëtische leidt naar mijn gevoel al snel tot vervelend hermetisme of, erger nog, taalkunstige aanstellerij,” schrijft Roeka op de binnenflap van de bundel. Roeka is een verhalenverteller. “Het zijn gedichten als proza,” aldus de schrijver. Bij poëzie gaat het juist om het verdichten van wat je wilt zeggen, om het weglaten, om met minder woorden meer te zeggen.

Je zou de gedichten in deze bundel prozagedichten kunnen noemen of zoals Bert Schierbeek het ooit zei ’proëzie.’ In totaal staan er in de bundel vierentachtig gedichten , verdeeld over vijf grote afdelingen. Ze zijn grofweg te verdelen in gedichten die gaan over zijn jeugd, de moedeloos makende diepte van het leven, het zoeken van de liefde, het breken met de geliefde voor een ander, en reflecties op het verleden en bespiegelingen naar de toekomst. Toch breekt Roeka regelmatig uit het strakke kader dat zo’n structuur hem oplegt. Storend is het niet. Roeka zoekt juist de vrijheid. Hij schrijft over zijn jeugd, geborgenheid, muziek, de zelfkant, het nachtleven, de natuur, de dood, de stad, de liefde en niet te vergeten de wielersport.

In het openingsgedicht staan regels als ‘Ik heb nooit een naam gehad (…) ik heb nooit ergens gewoond(…) ik heb nooit iets gezegd (….) ik heb nooit een vriend gehad.’ Dan roepen ze me: Lex! (…) de dag is helder als glas.’ Hier geeft hij uiting aan zijn kwetsbaarheid, zijn onzekerheid. In de eerste serie gedichten laat Roeka zien goed te kunnen observeren, blijkt zijn fascinatie voor muziek, maar is er ook aandacht voor zijn kostschooltijd. Over dat laatste schrijft hij “ik kroop in de kast op zolder/ onder kussens en dekens weg / om nog evenzo hevig mogelijk /thuis te kunnen zijn.” In het gedicht ‘Vogel’ schrijft hij over het anders zijn, een andere weg kiezen, mooi verwoord en verbeeld in die ene vogel die in zijn eentje de andere kant op vliegt: “Die eenzame vogel, voortgejaagd door / een onnaspeurlijk geheim.” Het geheim van het volgen van je hart.

Als er belangrijke wielerwedstrijden zijn duikt Roeka wel eens op in televisieprogramma’s als ‘De Avondetappe’ om dan zijn passie voor die sport te bezingen. Het gaat dan vaak niet om de gepolijste kopman, maar veel eerder om de op de pedalen stoempende knecht, die de verduivelde kasseien moet overleven of een onheilspellende berg moeten beklimmen. Misschien is de wielrenner wel een metafoor voor Roeka zelf met zinnen als “De echten, zei hij, gaan door. / Altijd!” en “Van de top hoorde ik roepen en zingen: /mooie, onwezenlijke stemmen/uit een andere wereld.” Zijn wielergedichten zijn voorbeelden van epische poëzie en zijn rijk aan sterke beelden. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Voor de onbekende renner’ waarin hij wielrennen met dansen vergelijkt. Het lijkt wel een religieuze ervaring:
“En met uitgeholde ogen over de grens dansen,
waar boetedoening het lijf zuivert van schild
en andere vuiligheid
en het sprakeloze van de pijn
de uiteindelijke genade is.”

De gedichten inde serie ‘Beet van liefde’ verwijzen naar een cd met dezelfde titel waarmee hij een Edison won. Die cd vertelt net als deze gedichten een autobiografisch (?) verhaal over verliefdheid in al haar facetten en emoties. Over het breken met zijn vrouw na een relatie van 25 jaar “Wat we in vijfentwintig jaar hebben opgebouwd, / ga ik verraden voor wat mogelijk een bevlieging is. / Ik voel me een beest, een schoft, een crimineel. Ik zit op mijn deinende, slingerende, verdwaasde, / op hol geslagen hart /en weiger er vanaf te komen” . Een paar gedichten verder schrijft hij ”ik leg mijn handen op haar schouders / en vraag het laatste wat een mens kan vragen: vergeving.” Maar of de nieuwe liefde een blijvertje is? “Maar steeds moeten we ons / vroeg of laat van elkaar losmaken / om ieder weer een ander te zijn.”

Het café als metafoor voor onze maatschappij komt nogal eens voor in zijn bundel. De kroeg waar mensen hun verhalen vertellen, hun sores, het leed dat hen overkomen is, maar ook dromen over de toekomst, de maatschappij bekritiseren, hun engagement tonen.

Het sterkst is Roeka in die gedichten waar hij focust op zijn moeder, de vergankelijkheid, het kleine op het eerste gezicht onbetekenende zoals een steentje. Als hij met iemand de spullen van het verleden naar het containerpark brengt is er ineens dat kleine, witte, glanzende kiezelsteentje “dat je uit een doos viste / en in je toegeknepen hand hield. / Je wilde niet zeggen waarom, maar alleen dat je het wilde bewaren.”
Roeka doet in deze bundel eigenlijk precies hetzelfde als in zijn liedjes. Er valt hem iets op, hij noteert het en vervolgens krijgt het zijn natuurlijk ritme en een melodie. Steeds weet hij het persoonlijke algemeen te maken zodat iedereen zich herkent in wat hij schrijft en zingt. En dat is in deze bundel zeker het geval.

‘Al het waaien van de wereld’ is een toegankelijke bundel waarin het heerlijk grasduinen is.

Reacties op: ‘Proëzie’ van Alex Roeka

1
Al het waaien van de wereld - Alex Roeka
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Bestel dit boek bij Libris.nl Bestel het boek vanaf € 15,00
E-book prijsvergelijker