Het herlezen van klassieke meesterwerken uit de misdaadliteratuur heeft zowel een feestelijk als een hachelijk karakter. Een feestelijk karakter omdat er niets leukers is dan een boek lezen dat de geschiedenis van de lectuur/literatuur heeft beïnvloed. Een hachelijk karakter omdat een zekere ongerustheid zich op voorhand meester maakt van de lezer. Want in hoeverre heeft onze herinnering het boek roze ingekleurd, de mindere elementen weggemoffeld, de historische waarde overschat? En zou het boek de tand des tijds overleefd hebben?
Wat betreft De vrouw in het Götakanaal, het beroemde boek uit 1965, van het schrijversduo Sjöwall en Wahlöö, past niets dan geruststelling. In het voorwoord van de herdruk uit 2010, schrijft Henning Mankell: “Een overtuigend verhaal in een al even overtuigende vorm dat nauwelijks verouderd is.” En daar waar Mankell duidt op andere tijden, daar betreft het het ontbreken van mobiele telefoons, het voortdurende kettingroken van mensen, het doorsturen van post in plaats van het snelle e-mailen. Maar wat verhaal betreft staat De vrouw in het Götakanaal nog recht overeind.
Een jonge Amerikaanse vrouw wordt dood aangetroffen in het Götakanaal. Het duurt even voordat politie-inspecteur Martin Beck, die met de zaak belast is, achterhaald heeft wie het meisje is omdat zij niet als vermist is opgegeven. Zij blijkt aan boord te zijn geweest van een passagiersschip waar zij haar moordenaar heeft ontmoet. Maar wie is het?
Om dat te ontdekken hebben Martin Beck en zijn team heel wat tijd nodig. En dat is geen verteltechnische zwakte, maar opzet. Sjöwall & Wahlöö schreven tien misdaadboeken met de vooropgezette bedoeling te laten zien dat politiewerk geen daad is van een eenzaam opererende held, maar van een heel team en dat er bovendien soms jaren overheen gingen voordat zaken opgelost werden. Interessant in dat opzicht is het (stripachtige) gebruik van het stijlmiddel “tijdverdichting”. Sjöwall & Wahlöö beginnen een nieuwe passage soms met de woorden: “Twee weken later...” of “Drie jaar later...”, om aan te geven hoe lang het oplossen van moorden soms kan duren.
De grote historische waarde van Sjöwall & Wahlöö is dat zij als eerste een menselijke politieman hebben geïntroduceerd. Martin Beck heeft een zwak gestel. Hij voelt zich constant beroerd, heeft vaak last van maagpijn en van zijn luchtwegen. Hij heeft geen enkele ambitie om op te klimmen binnen het corps. Verder is zijn huwelijk uitgesproken slecht. Al deze privé-beslommeringen neemt Beck mee naar zijn werk, dat daar soms flink onder te lijden heeft.
Het menselijk karkater van de politieman in de verhalen van Sjöwall & Wahlöö spraken een dermate grote groep lezers aan dat, voor het eerst in de geschiedenis, ook een vrouwelijk publiek zich aandiende. De allergrootste verdienste van boeken als De vrouw in het Götakanaal is dan ook dat zij de misdaadroman voor iedereen toegankelijk hebben gemaakt. Bovendien zijn Sjöwall & Wahlöö met hun boeken de grondleggers van de Scandinavische misdaadliteratuur. Tot op de dag van vandaag schrijft het merendeel van de misdaadauteurs uit het Noorden in de traditie van Sjöwall & Wahlöö.
Maar niet alleen de plaats in de historie maakt dat De vrouw in het Götakanaal het lezen meer dan waard is. Het is een gedegen, menselijke, politieroman die de lezer constant in spanning houdt. Een boek met een bijna perfecte spanningsboog en een doortimmerde plot. Menig modern misdaadauteur kan er alleen maar van dromen ooit zo’n misdaadroman te schrijven.

Reacties op: Goud van oud