De Engelse schrijver Blake Morrison schreef in het openingsstuk van zijn essaybundel Too True : “incerity is a trick, like any other”. Hij stelt daarin voor de grenzen tussen fictie en non-fictie vloeiend te houden. Volgens hem onthullen beide entiteiten een 'waarheid'. De taak van de schrijver zou volgens hem moeten zijn om die te selecteren, te ordenen, te construeren en uit een rommelige berg feiten een relaas te scheppen. Maar het soort faction waar Morrison op doelt verschilt hemelsbreed van de kronieken in de vorm van egodocumenten die Mala Kishoendajal ons middels haar boekwerk Kaapse Goudbessen voorhoudt. De titel dekt de lading helemaal niet, ook al legt de schrijfster er een verantwoording voor af ten aanzien van het metaforisch gebruik ervan. Los van de titelkwestie is het meest in het oog springende van haar werk hoe heden en verleden via een spiegelreflex parallel langs elkaar schuiven.

Kaapse Goudbessen bestaat uit een reeks column-/kroniekachtige teksten die op een bepaalde wijze met elkaar zijn samengevlochten tot een harmonieus relaas, zonder dat er echt een bepaald patroon in zit dat de harmonie toont. De verhalen zijn mijmeringen waarbij taferelen uit het heden en zelfs uit het zeer grijze verleden langs elkaar flitsen. Het koele heden wordt steeds gespiegeld tegen het decor van een slavernij verleden. De schrijfster hanteert in haar werk de spiegelreflex die weleens door een bepaalde categorie schrijvers werd toegepast. De spiegelbeelden fungeren in zulke werken als een breukvlak en tevens als communicatiekanaal tussen het echte zijnde en de schaduwbeelden die de lezers te zien krijgen. Ze reveleren hoe we eruitzien, maar ook wat achter het uiterlijk schuilt. De spiegel dient om dat wat de lezer niet rechtstreeks kan waarnemen, bijvoorbeeld de psyche van de personages, te doen ontwaren.

In het boek figureert een Hira die zich de verhalen voor de geest probeert te halen over de grootouders van haar moeder. De herinneringen van Hira worden afgewisseld met de omzwervingen van Armand Veldhuizen, die Utrecht verlaat om in Den Haag te gaan werken. Uiteindelijk stroomt het verhaal van Hira samen met het verhaal van Armand. Hij ziet zijn huis, baan en geheugen teloor gaan nadat hij in zijn hoedanigheid als journalist op zoek gaat naar zogeheten eerste-uursmigranten en daarbij kennis maakt met Koesoem, de ex-vrouw van de in het relaas figurerende Balwant. Na een paar jaar zwerversbestaan achter de rug te hebben belandt hij in PsyKick, waar hij zijn observaties van de fysische –en sociale omgeving probeert samen te vatten in de vorm van kronieken hetgeen de schrijfster ook beoogt te hebben gedaan. Hij schildert het leven met zijn moeder. In zijn Haagsche observaties zijn ook de geestige dingen, waar ook de kracht van de schrijfster in zit, te lezen: "Ik kwam met de tram, helemaal van het Hanoemanplantsoen, zoals de meeste Hindoestaanse oudjes zeggen, die denken dat de gemeente de straat heeft genoemd naar de apengod, omdat er zoveel Hindoestanen in de Schilderswijk wonen. Maar het heet Hannemanplantsoen."

Hoewel er in de vormaspecten van het werk wat valt af te dingen is Kishoendayal per saldo een uitstekende observator die haar gedachte op een geslaagde wijze en met een dosis humor in een zin weet te wurmen: "Ze ging naast hem liggen, trok hem behoedzaam bovenop zich, en leidde hem naar binnen, nadat hij vruchteloos had geprobeerd haar via de navel te penetreren." Het is jammer dat deze zin niet even door een schoonheidsbad heen is gehaald. Hoewel haar stijl prachtig is hanteert de schrijfster komma’s in zinnen alsof zij in willekeur mijnen aanlegt. Kishoendajal heeft een gevoel voor details die door hun verbeelding en kracht de lezer door het inwendige der geheime schatten en rijkdommen leiden. Erg fascinerend is te lezen hoe de Hindies uit India, Pakistan en Suriname elkaar in publieke ruimtes opwachten om een kennelijk pueriele vete uit te vechten met als gevolg dat de tent van de uitbater daardoor komt te sluiten.     

Reacties op: Verbeelding, kracht en humor