Verhalenwevers #20 Moederhart

op 18 maart 2018 door

Aan al het goede komt een eind! Na twintig afleveringen en bijna driekwart jaar in de ban van Houten Hart te zijn geweest, is de cirkel rond: Roderick Leeuwenhart, die het verhaal zo'n prachtig begin gaf, heeft nu voor jullie het einde geschreven. En wat voor einde! Wij moesten tijdens de redactie een traantje wegpinken.
Geniet van deze schitterende laatste aflevering! En omdat we begrijpen dat jullie net als wij een beetje moeten afkicken, volgt er nog een terugblik waarin de auteurs vertellen over hun bijdrage. Ook zullen we het hele verhaal daarin in een bestand bijvoegen zodat je het rustig terug kunt lezen. Daarmee eindigt het nog niet, want er verschijnt ook nog een exclusief interview met Roderick op We Love Fantasy binnenkort.
Zakdoek bij de hand? Een aflevering die moederharten breekt...

Moederhart

Wat blijft er uiteindelijk over, na zoveel strijd, leed en haat? De liefde van een moeder voor haar kinderen. Dat was de onsplijtbare stam die elke storm overleefde. Aska’s zelfbeheersing maakte diepe indruk. De situatie had zó om kunnen slaan. Een enkele losgeslagen golem en niemand was hier levend uitgekomen – geen ziel in de steenvorserskliniek die eraan twijfelde. Eshe keek ademloos toe, het mes van obsidiaan nog altijd tegen haar hals. Noturis zweette.
‘Ik speel geen spelletjes,’ zei hij.
Maar hij zwaaide naar zijn dommekrachten, waarop ze uit de kamer slonken. Eshe wreef over haar pijnlijke huid en voelde bloed; een oppervlakkige snee, veroorzaakt door zenuwen.
Dit was Aska’s moment. Ze wist dat het tij in haar voordeel was gekeerd en hielp Soma op de voeten. Ondertussen snauwde ze naar Noturis: ‘Steen... Een bord voor je kop, zul je bedoelen.’
Soma kwam al overeind. Hij was verzwakt, verward, maar beurde meteen op onder Aska’s aanraking. Broer en zus. Eshe keek de twee aan en schoot bijna vol. En begréép het. Ze had al die jaren naar Soma gezocht, niet alleen omdat ze van hem hield, maar omdat ze tot in haar kern geloofde dat hij haar bescherming nodig had. Nu zag ze dat hij het niet alleen prima zelf redde, maar dat hij omringd was door mensen die haar rol moeiteloos overnamen. Dus zo voelde het volwassen worden van je kinderen aan.
Een lach. En Aska, het wicht dat ze eerst zo wantrouwde, bang dat ze Soma in zou pakken – ze wilde niets liever dan haar in de armen sluiten. Ze had een tijd geleden al geraden dat het haar verloren dochter was. Noem het moederlijk instinct – of het influisteren van Moeder Ulm.
Nu ze was bevrijd, was het tijd om zelf de regie te nemen. Een laatste keer. Daarna legde ze hun lot volledig in hun eigen handen! Ze floot Winn naar zich toe, die uit een diepe schacht kwam hupsen en via de operatietafel op haar schouder sprong. Eshe pakte de handen van haar kinderen vast.
‘Jullie hebben het geraden, neem ik aan? De band tussen jullie twee. Luister. De zaden die we in ons gezin dragen zijn krachtig genoeg om alles te vernietigen. Of overheersen.’
Soma knikte, bleek rond de neus. Wat hij onbedoeld had veroorzaakt in Breza – de multigolem, Ygdrasil – stond hem nog vers in het geheugen. ‘Het spijt me.’
‘Leer ervan. Er zijn te veel individuen en partijen in dit land die de zaden op die manier willen gebruiken. Maar ik heb ze aan jullie toevertrouwd, in de hoop...’
Aska, met de scherpte van haar vader, sprong in. ‘We hebben nooit geprobeerd met de golems te communiceren. Of met de boom. Waarom ook niet, Soma? Wij zijn golem én mens.’
Wat kon ze daar nog aan toevoegen? ‘Dat is mijn favoriete toekomst.’
‘En de jouwe dan, mam?’ vroeg Soma met het oog op de zaden. ‘En die van pap?’
De gedachte alleen al trok de lach van haar gezicht. Het laatste losse eindje. ‘Dat is niet jullie verantwoordelijkheid.’
En ze schonk hen Winn, die gewillig tussen de twee in hopte. Een laatste cadeau. Zo kon ze toch nog iets bijdragen aan hun nieuwe wereld, straks, als alles voorbij was. Hun definitieve afscheid zou niet hier plaatsvinden, in deze bedompte burcht. Dat moest in de open lucht, onder de voedende zon, hun voeten in de aarde.
Allereerst richtte ze zich tot Noturis, die stilletjes toekeek. Met een ferme beweging gooide ze de glazen container met Soma’s bloed stuk op de vloer. De kieren tussen het steen zogen het elixir op. Noturis raakte buiten zinnen.
‘Ben je gek?’ sproeide hij over zijn sik heen.
Eshe hoefde maar één vinger op te steken om hem het zwijgen op te leggen. ‘Koest. Ik heb advies voor jou en je mede-Nibelungen: blijf ondergronds. De bovenwereld wil jullie niet meer hebben. Ik handel dit af.’

De wind beet lichtjes in Eshe bij het beklimmen van de heuvel. Vroege herfst. Ze wikkelde haar sjaal strakker rond haar hals. Daar, op de top van de glooiing, zat Claudius. Hij had een tafeltje laten installeren door zijn officieren – typisch. Zijn ros stond aan een zwerfkei gebonden en meneer nipte van zijn thee. Kokos of dadel, iets wat hem deed denken aan thuis. Zodat hij ook zijn inwendige mens niet vergat, uitkijkend op de slachting die hij had uitgelokt.
Wat een lul.
Ze was aangekomen bij zijn picknick. Vanzelfsprekend verwachtte hij haar, maar voorlopig aanschouwde hij nog het tafereel dat zich onder hen ontvouwde. Eshe nam het zwijgend in zich op. Een veld vol vertrapte mannen en vrouwen, in hemden die wit, rood, bruin van de stront en alles daartussenin kleurden – voor de golems maakte het echt niets uit. Daarachter lagen de ruïnes van Breza, ooit een kansrijke stadstaat, nu al jaren de composthoop die Ygdrasil voedde.
Ulm, wat ben ik moe.
Ze nam plaats in de lege stoel.
‘Het is de taak van een moeder om haar kroost in het oog te houden.’ Claudius schonk voor haar in uit een porseleinen set. ‘Waar is mijn zoon, liefde van mijn leven?’
‘Ver van jou. Die bereik je nooit meer.’
Hij lachte alsof ze een dwaze grap vertelde. ‘Maakt niet uit. Mijn huzaren halen hem wel in. Wat ben je toch prachtig.’
Ze voelde zijn blik over haar boezem glijden. Negeer dat ongemak. Zelfs na twee kinderen was Eshe nog zo pezig als een gespannen boog. Ze had nooit de luxe gehad haar lichaam zacht en rond te laten groeien.
Ineens keek Claudius haar intens aan. ‘Zelfs nadat je me verliet. Het deed me pijn, Eshe, dat durf ik best toe te geven. Toch blijf je me betoveren, ik kan er niks aan doen!’
‘Ik heb een vraag voor je.’
Claudius knipte een bediende naar zich toe en vroeg om nieuwe versnaperingen. In seconden stond er een schaal met vijgenconfijt, lepels kuit en mierzoete baksels voor hun neus. Hij nam een hap en spoorde Eshe aan haar vraag te stellen. Waar was dit theater goed voor?
‘Zelfs jij bent geraakt door dit bloedvergieten. Ik ken je. Waarom heb je hierop aangestuurd? Je moet toch weten dat we het Levende Woud nooit meer terugkrijgen? Zelfs al lukt het je die lachspiegelversie van de oerboom neer te halen.’
Ze knikte naar Ygdrasil, aan de verre horizon, wiens bladerdek door de wolken stak. Elke dag huilde hij verse tranen; vruchtzakjes waar golems uit kropen.
‘Denk je dat ik oude tijden probeer te laten herleven?’ Claudius griste plots Eshes handen in de zijne. ‘Dit is iets prachtigs, iets nieuws! De stad is met de grond gelijk gemaakt, de heersende machtsblokken zijn kapot; ik denk dat dit een prima landgoedje zal zijn.’
‘Ah. Met jou als hertog.’
Hij wuifde haar protest gegeneerd aan de kant. ‘Ach, dat heb ik best verdiend. Is het te veel gevraagd, met hoe briljant ik al die sukkelige partijen tegen elkaar uitspeelde? Nee. Nee joh, dat is precies goed.’ Ineens leek hij bevangen door kinderlijk enthousiasme. Hij sprong op zijn stoel en zwaaide in de lucht met een denkbeeldige sabel. ‘De laatste veldslag tegen Het Kwaad! Het was ongelooflijk hoe gretig al die generaals en krijgsheren zichzelf de dood in joegen. Voor Brezaaaa!
Hij plofte kirrend neer en keek haar, ze kon het niet anders omschrijven, opgelucht aan. Alsof er een grote last van zijn schouders was gevallen. Claudius zag er jaren jonger uit. Het was tijd om hier een einde aan te weven.
‘Dan is er nog maar één ding dat van me je nodig hebt. Als je ervan uitgaat dat je Soma te pakken krijgt.’
‘Geen twijfel over mogelijk. Mijn mannen zijn al en route naar de Steenvorsers. Militaire signalen en zo. Dus. Als je zo vriendelijk wilt zijn.’
Hij strekte een vragende hand naar haar uit, alsof hij verwachtte dat Eshe haar zaden op zou hoesten.
‘Er was een tijd dat je geloofde in de nieuwe generatie. Dat was waarom we een zoon kregen.’
‘Ja,’ hij keek verontschuldigend, ‘en dat was een beetje een tegenvaller. De jongen deed het prima hoor, ik bedoel, kijk naar wat hij veroorzaakte in Breza. Maar ik doe het toch liever zelf. Kom op, je bent hier uit jezelf gekomen, dus je snapt dat dit beter is.’
Hij schudde ongeduldig zijn hand. Maar in plaats van erin te spugen, pakte ze hem zachtjes vast. Eshe knikte. Stond op, cirkelde naar Claudius toe, hielp hem uit zijn zetel. Direct kroop er een warme gloed over zijn hals naar boven. Het was jaren geleden, meer dan een decennium, dat ze hem zo had aangeraakt. Hij leek op slag te vergeten waar hij mee bezig was.
‘Lief, ik had,’ stamelde de man, ‘niet gedacht, gehoopt dat je zo gewillig zou zijn. Dit doet me deugd. De zaden?’
Ze bracht haar gezicht dicht bij dat van haar vroegere geliefde. Keek hem recht in de ogen en bewonderde alle kwaliteiten waardoor ze ooit voor hem was gevallen. Zijn ambitie, zijn speelsheid, hoe charmant hij die twee afwisselde. Dat hij haar liet merken hoe speciaal ze was. Eshe riep het allemaal terug en voelde, diep in haar binnenste, die oude vonk van liefde.
Het was nodig. Ze kon dit niet doen zonder haar ex volledig te accepteren.
‘De wereld is niet meer van ons, Claudius. Hij is van Soma. En Aska.’
Zijn ogen stonden vragend en zijn mond herhaalde het vreemde woord: Aska? Maar Eshe ging op haar tenen staan en drukte haar lippen tegen de zijne. Een tel later werd het een zoen. Gek hoe vertrouwd dat meteen aanvoelde. Claudius, geschrokken hoewel hij het aan had zien komen, greep de kans met beide handen aan. Zijn kille vingers over haar oren, wangen.
Terwijl hij genoot van een plezier dat hij nooit meer had gedacht te smaken, forceerde zij de verandering in zichzelf. Haar borst werd een gloeiende bak met kolen en ze dacht intenser dan ooit dat ze moesten gaan, ga, neem ons over, groei en wees bevrijd.
Claudius kreeg door wat ze deed, schrok en ontkoppelde zijn tong. Veel te traag. Hij probeerde zich los te wurmen, maar Eshe hield zijn hand stevig vast. Ze zag hier net zo min naar uit als hij, maar als het toch moest, dan verdomme sámen. Ze waren dit als partners begonnen, en zo zou het ook eindigen.
Hij dreinde, jammerde hulpeloos toen de transformatie begon. Zijn houten onderbeen schoot als eerste wortel, daarna volgden tenen en enkels. Eshe zag het bij hem en voelde het bij zichzelf. Verse scheuten doorboorden hun kleding, scheurden de stof aan stukken. Eronder kronkelde een wildgroei aan bast en knoesten, zo anders dan hun mensenhuid was geweest. En hoe groot waren ze ineens! De heuvel kromp en het veld met verpletterde mensen en paarden daalde dieper en dieper. Haar hoofd – een uitdijende kroon van zware takken, een gewei dat haar nek ging breken. Maar de druk en pijn ebden weg zodra haar nek was verstevigd door oersterk hout. Met een laatste pers van haar eens geperforeerde longen, zolang ze die nog had, zolang ze nog stembanden had, piepte ze tegen Claudius dat hun kinderen er iets moois van zouden maken. Hijzelf was nog steeds aan het jammeren, tot ook dat niet meer ging.

Op de top van de winderige heuvel, naast een omgeklapte theetafel en potscherven en ongegeten petitfourtjes in het gras, stonden twee weelderige esdoorns. In niets zagen ze er bijzonder uit, behalve in hoe innig hun onderste takken elkaar aan leken te raken. Alsof ze elkaar liefdevol vasthielden en nooit meer zouden loslaten.

................

EINDE



Reacties op: Verhalenwevers #20 Moederhart

Meer informatie