Advertentie

Hebban vandaag

Lezen /

Kort verhaal: 'Boekwinst' van Anneloes Timmerije

door Hebban Crew 1 reactie
'Slaapwandelen bij daglicht' bevat twaalf verhalen over ontmoetingen. Elke ontmoeting vraagt om een waarheid, of om iets anders als de waarheid niet goed genoeg is en geeft een wending aan het leven van de personages, soms nauwelijks merkbaar, soms met gevolgen waar generaties later nog over wordt gesproken. De hoofdpersonen in de verhalen hebben een heel eigen kijk op de werkelijkheid, zij zien de wereld van de zijkant, en daardoor zijn de ontmoetingen nooit wat ze op het eerste gezicht lijken. Zelfs de eenvoudigste dingen kunnen anders zijn dan je denkt. Vanuit het gewone maakt Timmerije het bijzondere zichtbaar, dat is slaapwandelen bij daglicht.

'Slaapwandelen bij daglicht' van Anneloes Timmerije staat deze week in de schijnwerpers op Hebban Kort. We mogen exclusief een kort verhaal uit de bundel publiceren: Boekwinst.
In dit verhaal neemt Timmerije je mee naar een wereld waarin het gedrukte boek zo zeldzaam is dat mensen nog maar een boek per week mogen kopen... Lees dit verhaal hier en verbaas je!


Boekwinst


Als het zo doorgaat heeft Jan Berend binnenkort meer ruimte nodig. Dat is opmerkelijk, aangezien hij eigenaar en enig personeelslid is van Jan Berend, de laatste boekwinkel van Nederland. Jaren na de faillissementen van de Amsterdamse uitgevers en de eenzaam overgebleven drukker in het oosten des lands zijn er bij meneer Berend, zoals hij in de loop van zijn leven is gaan heten, nog altijd boeken te koop. Nieuwe boeken welteverstaan, ongelezen en met aandacht en zorg uitgegeven boeken. Eigen uitgaven komen er bij hem niet in, het woord ‘e-boek’ geldt in zijn winkel als een vloek.
Jan Berend is drieënzestig jaar geleden boven de winkel ter wereld gekomen onder een andere naam. Zijn vader werd toen al sinds mensenheugenis Jan Berend genoemd, naar de vergulde letters op de winkelruit, zijn moeder stond vanzelfsprekend bekend als mevrouw Berend. Hijzelf was al snel Kleine Jan geworden, geboren voor het vak, en hij wist zeker dat hij er net als zijn ouders in zou sterven. Als het zover is, als hij niet langer boeken kan denken en ademen, zal een advocaat zijn wensen naar de letter uitvoeren. Meneer Berend heeft dat zo geregeld omdat hij dit soort zaken belangrijk vindt uit een praktisch oogpunt, maar niet interessant genoeg om zich erin te verdiepen. Bovendien heeft hij niemand anders aan wie hij zoiets kan toevertrouwen, althans niet op dit moment.
De reden waarom het bespottelijke idee voor uitbreiding hem al een tijdje bezighoudt, is dat de klanten de winkel uitpuilen. Soms is het zo’n gekkenhuis dat hij zich stiekem afvraagt hoelang zijn verzet tegen groei nog kan standhouden. Op zaterdagen doet hij tegenwoordig de winkeldeur op slot zodra de maximumcapaciteit van de ruimte is bereikt. Er mag alleen iemand in als er iemand uit gaat. Zelfs in de hoogtijdagen van het boek, toen de tafels kraakten onder het gewicht van stapels bestsellers, had hij niet zo veel aanloop als nu. ‘Als het er niet is, wil iedereen het hebben’, zei zijn vader veertig jaar terug al, en hij had gelijk. Meneer Berend verkoopt boeken alsof het zeldzame zeventiende-eeuwse roemers zijn, en voor bijna dezelfde bedragen, aangezien de vaste boekenprijs is losgelaten bij gebrek aan nieuwe leveringen. Zolang er geen nieuwe boeken op de markt komen – en wie haalt dat in deze tijd nou in zijn hoofd – gaat die prijs niet omlaag.
Om te verhoeden dat klanten verdrukt raken bij de aanschaf van een boek, treedt meneer Berend in het uiterste geval op als veilingmeester. Hijzelf vindt dat belachelijk, maar hij zag zich ertoe genoodzaakt nadat hij tot drie keer toe een beroep had moeten doen op de hulpdiensten om escalatie te voorkomen en gewonden (een gebroken neus, een tand uit de mond en een blauw scrotum) te verzorgen. De boeken in kwestie: Bougainville, CEL en het gegarandeerd aller-allerlaatste exemplaar op aarde van Komt een vrouw bij de dokter, had hij uit woede aan niemand verkocht, maar in de kluis gelegd met de mededeling dat hij een nieuwe verkoopdatum tijdig zou afficheren.
Op de weinige rustige dagen stoft hij af. Dan tref je hem op de ladder voor een kast met een doek en een zachte borstel. Vanuit de hoogte vraagt hij dan of hij kan helpen. De klanten die hem goed kennen, weten dat hij niet graag gestoord wordt bij de zorg voor zijn boeken en stellen zich tevreden met rondkijken en aantekeningen maken. Zomaar een boek oppakken en inzien is er allang niet meer bij. Zelfs toen een handvol uitgevers tegen de verdrukking in nog boeken bleef maken en er dus een min of meer gestage toevoer was, had Jan Berend met enkele dappere collega’s nieuwe gedragsregels opgesteld voor klanten:
1. Kijken, niet aankomen
2. Inzage alleen na verzoek aan en in bijzijn van de boekhandelaar
3. Recht op aankoop: één boek per week per klant
Die regels gelden in mindere mate voor een betrekkelijk nieuwe klant die de winkel hooguit eens in de veertien dagen bezoekt, maar niettemin in aanzien staat bij meneer Berend. Voor haar komt hij zonder dralen zijn ladder af, met haar bespreekt hij de teloorgang van het boekenvak en aan haar omvangrijke kennis van de literatuur scherpt hij graag zijn geest. Als hij met zijn rug tegen de muur komt te staan, als hij moet uitbreiden, zou hij wel weten wie hij zou inhuren om hem te helpen. Maar hij breidt niet uit, hij komt liever onder de tram.
Het grote raadsel is natuurlijk waar meneer Berend zijn boeken vandaan haalt. Sinds jaar en dag doen daarover de wildste geruchten de ronde, maar niemand komt ook maar in de buurt van de waarheid. Zelfs schrijvers die op Schrijversdag bij toerbeurt in kleine groepen bij meneer Berend in de winkel mogen komen, hebben geen flauw idee hoe het mogelijk is dat hij hun boeken in voorraad heeft en waar die zijn opgeslagen.
Schrijversdag vindt plaats op iedere laatste maandag van de maand. Om die ontmoetingen fris en boeiend te houden, heeft meneer Berend een simpel maar doeltreffend systeem opgezet. Hij nodigt alleen schrijvers van de oude stempel uit, waardoor de gemiddelde leeftijd van het gezelschap aan de verre kant van de vijftig ligt. De jonge, grote e-auteurs zijn niet welkom. Dat treft, want die zouden nog niet dood aangetroffen willen worden in de laatste boekwinkel van Nederland. Meneer Berend selecteert nu eens op alfabet en dan weer op genre. Afhankelijk van hoe zijn pet staat, mixt hij auteurs van kloeke wetenschappelijke werken met schrijvers van streekromans, verhalenschrijvers met biografen, of thrillerschrijvers met literair laureaten. De jaarlijkse Brood & Rozen Lezing op Internationale Vrouwendag is logischerwijs alleen toegankelijk voor vrouwelijke auteurs. Iedereen komt, altijd. Sinds de introductie van de schrijversdagen, ruim vijf jaar geleden alweer, is er één auteur geweest die verstek moest laten gaan omdat hij onderweg naar de winkel een hartaanval had gekregen. Een paar maanden later was hij weer present, met pacemaker.
Waarover spreken de schrijvers tijdens die speciaal voor hen georganiseerde dagen? Daar is helaas niets over bekend, aangezien de bijeenkomsten besloten zijn en de genodigden er nooit iets over loslaten. Met als gevolg dat het wemelt van wilde verzinsels, want als variatie op de wijsheid van Jan Berend senior kun je gerust stellen dat iedereen wil weten waarover wordt gezwegen.
Omdat meneer Berend ook maar een mens is, wordt hij op schrijversdagen bijgestaan door een van zijn zes exen – alle voormalige verkoopsters. De exen zijn zonder uitzondering goed met elkaar en hij is goed met hen, anders zouden zij niet iedere eerste maandag van de maand, als de winkel gesloten is, samen het wel en wee van de handel bespreken. Hoewel, van de terugkerende discussies over de uitbreiding wordt meneer Berend nogal narrig. Het beviel hem ook niet dat hij door zijn derde ex ter verantwoording was geroepen omdat zij via via had gehoord dat hij een boek cadeau had gedaan aan die speciale klant. Weggegeven! Alle andere exen wilden daar natuurlijk meteen het fijne van weten.
Je moest destijds van goeden huize komen om bij meneer Berend in de winkel te mogen werken. Hij eiste een afgeronde universitaire studie Nederlands, of op zijn minst een graad in een andere taal. Historici maakten ook een goede kans, en de bereidheid lange dagen te maken tegen een hongerloon was een grote pre. Mannen mochten uiteraard ook solliciteren, maar hadden geen schijn van kans.
In de stille ochtenduren, voor de deur van het slot gaat, kan meneer Berend nog weleens vervuld raken van herinneringen aan zijn eerste ex, de enige die van hém afwilde in plaats van andersom. Zij las alles, had een fotografisch geheugen en was de beste boekhouder en voorraadbeheerder die hij kende. De verkoopsters na haar gingen doorgaans een jaar mee voordat er uit de werksfeer een amoureuze dan wel puur vleselijke alliantie met de baas groeide. Voor die verhoudingen had meneer Berend ook een systeem. Als het fris en boeiend bleef, in bed en in de winkel, vroeg hij de verkoopster ten huwelijk. Dat bracht haar vastigheid en hem een besparing in de loonkosten. Na een jaar of wat, als de jeu eraf was, liet hij zich van haar scheiden – keurig, zonder soesa en met een paar aandeeltjes mee ter compensatie. Als een klant naar zijn vrouw/verkoopster vroeg, antwoordde meneer Berend dat het boek uit was en zich niet leende voor herlezing. Na de ontbinding van zijn vierde huwelijk waren de grappen in de winkel niet van de lucht. Hij kreeg het advies eens een spannend boek te proberen, of een stripverhaal. En zo werden er vele voor de hand liggende variaties op het thema geopperd. Meneer Berend vond het niet geestig, maar ook niet vervelend en liet zich de goedbedoelde spot zuinig glimlachend welgevallen. Met uitzondering van de man die hem een e-reader aanraadde en schalks vertelde over de oneindige mogelijkheden op álle gebied, die kreeg een levenslang winkelverbod.
Meneer Berend zal nooit iets ten nadele zeggen van ongeacht welke ex, ook al verliep de laatste scheiding minder rimpelloos dan hij gewend was. Dat had hem behoorlijk van zijn stuk gebracht en daardoor was hij er met zijn kop niet helemaal bij toen hij de papieren ondertekende. Pas in de rust van het bovenhuis, nadat de laatste vergeefse woorden waren gesproken en de laatste vergeten spullen waren opgehaald, realiseerde hij zich dat hij niet langer een meerderheidsaandeel in de winkel had.
De onrustige, steeds terugkerende gedachten over de uitbreidingskwestie worden vooral ingegeven door de mogelijkheid. Tot grote vreugde van de exen staat de naastgelegen winkel te koop, al een maand of acht. Sinds het e-passen zijn intrede had gedaan, was het binnen de kortste keren bekeken met de modezaak die toch al zieltogend was als gevolg van het immer groeiende online shoppen. Meneer Berend, die een hartgrondige hekel heeft aan kleding kopen, had zijn hologram bij diverse sites ingevoerd zodra dat kon en is bijzonder te spreken over de mogelijkheden en het gemak van wat hij een schoolvoorbeeld van vooruitgang noemt. Je zou verwachten dat iemand als hij principieel niets moet hebben van zo’n e-vinding, maar zo star is hij niet. Meneer Berend heeft geen principes met betrekking tot de materialistische kant van het leven. Uitzondering op die regel is dat hij nooit een cent meer uitgeeft dan strikt noodzakelijk is. Dat principe voedt het verzet, hoewel de prijzen van het commercieel onroerend goed in de hoofdstraat een huilend dieptepunt hebben bereikt en meneer Berend zich de extra ruimte waarschijnlijk makkelijk kan permitteren. Zijn winkel plus bovenhuis zijn al lang en breed afbetaald eigendom en de boekhandel kan ook nog eens bogen op een uiterst gezonde exploitatierekening. Vanwaar dan dat verzet?
Misschien moeten we ons eerst afvragen hoe het mogelijk is om in deze tijd bergen geld te verdienen – want naar verluidt is dat waarop meneer Berend zit, op bergen geld – met de verkoop van boeken. Vanwege de schaarste is de gemiddelde prijs van een eenvoudige paperback inmiddels opgelopen tot zo’n driehonderd euro, vorige week gleed er een gebonden Connie Palmen voor een dikke vijfhonderd euro over de toonbank naar een dolgelukkige klant, en het eind is nog niet in zicht. Boeken zijn het nieuwe goud, met het grote verschil dat de goudvoorraad nog niet is uitgeput. Iedereen weet dat er geen boeken meer zijn, op de voorraad van meneer Berend na. Niemand weet hoe groot, of hoe klein, die voorraad is: hét recept voor een wilde hausse.
De eerste ex van meneer Berend, de beste voorraadbeheerder van het westelijk halfrond met een ver vooruitziende blik, was ooit begonnen onverkochte boeken weg te sluizen in plaats van ze terug te sturen naar de uitgevers, die toen nog om het hardst riepen dat het papieren boek nooit zou verdwijnen. Meneer Berend wist niet hoe ze het voor elkaar had gekregen, maar vast staat dat ze iedere volgende ex een setje instructies had meegegeven voor het verdonkeremanen van retouren. Zodra het p-boek passé was, kocht zij voor een weggeefprijs een deel van het (lege) Centraal Boekhuis. Daar, in het ooit zo beroemde CB, dat ze niet zonder humor omdoopte in JB, liggen de voorraden die de zes exen in de laatste twintig jaar van het bestaan van het boek hebben verzameld.
Meneer Berend antwoordt altijd hetzelfde als klanten of journalisten of belastinginspecteurs willen weten hoeveel boeken hij nog heeft: bedrijfsgeheim. Dat pikt iedereen en omdat hij de waarheid spreekt, kan niemand hem betichten van liegen. Hij weet daarentegen tot op de cent nauwkeurig wat hij per maand met hoeveel boeken omzet. Genoeg om zes aandeelhoudsters in bescheiden welstand te houden, om precies te zijn. Voor hemzelf schiet er zat over. Hij zou het ook voor minder doen, want voor hem telt alleen een leven tussen boeken.
Sinds de intrede van die nieuwe klant is dat een glansrijker leven. Nadat zijn laatste echtgenote met de cruciale aandeeltjes was vertrokken, had meneer Berend in zijn verlaten bovenhuis uit volle borst geroepen: ‘Dit was zes keer maar nooit weer!’ Daartegenover staat dat hij zijn rug recht en zijn nek strekt als zij de winkel binnenstapt. In zijn diepste wezen een romanticus, hoewel hij daar niet mee te koop loopt, zijn er dagen waarop hij haar komst voorvoelt. Dan is meneer Berend in topvorm en daar profiteren alle klanten van. Tot zij daadwerkelijk de winkel binnenstapt en hij geen oog meer heeft voor anderen. Haar interesse in hem kan niemand ontgaan, tot grote vreugde van meneer Berend en tot nijd van de exen. Die staan dan ook sinds kort alle zes op scherp.
In de laatste aandeelhoudersvergadering, waar ‘Uitbreiding winkel’ het enige agendapunt was, had meneer Berend zijn verzet opnieuw en recht uit het hart laten klinken: een grotere winkel zou nog veel meer klanten trekken, meer klanten betekende meer boeken verkopen en sneller door de voorraad heen zijn. De ironie wil dat het Berendargument tégen uitbreiding gelijk is aan het exenargument vóór uitbreiding. Zijn eerste ex noemde, ook niet voor de eerste keer, een astronomisch bedrag. Dát zouden zij met z’n zevenen nog kunnen binnenhalen, en dan had ze de waardestijging van de aller-allerlaatste exemplaren nog niet geëxtrapoleerd. Meneer Berend was er niet van onder de indruk, het ging hem niet om de marktwaarde van het boek. Hij was realist genoeg om te weten dat er ooit een dag zou komen waarop hij tegen zijn klanten moest zeggen: ‘Het is op’, maar hij zou doen wat er in zijn vermogen lag om dat moment zo lang mogelijk uit te stellen. Helaas had hij als minderheidsaandeelhouder geen poot om op te staan, vooral niet toen het agendapunt na verhitte discussie in stemming werd gebracht.
‘Vóór de uitbreiding?’ vroeg ex nummer één en tevens voorzitter van de aandeelhoudersvergadering.
Aan de overkant van de tafel zag meneer Berend zes rechterarmen omhooggaan.
Waar niemand rekening mee had gehouden – meneer Berend had het niet eens durven dromen – was dat het naastgelegen pand voor de neuzen van de exen zou worden verkocht. De derde ex kwam het vertellen en liet meneer Berend meteen weten, ook namens de andere vijf, dat het allemaal de schuld van zijn getreuzel was. Meneer Berend hoorde haar zwijgend aan, wachtte tot ze de winkel had verlaten en sprong, onder de ogen van een handvol verbijsterde klanten, hard joelend een gat in de lucht, en nog een, en nog een. Hij stopte pas met springen toen zijn stem en zijn benen het begaven.
Dat hebben we ook weer gehad, dacht hij vlak voor sluitingstijd, juist toen zijn favoriete klant op de etalageruit tikte en hem wenkte. Hij ging naar buiten, sloot af en liep achter haar aan. Wat was ze van plan? Ze keek achterom, kneep haar lippen samen alsof ze iets deed wat niet mocht. Meneer Berend voorvoelde dat er vandaag meer zat aan te komen dan een gesprek over boeken. Hij lachte terug, jongensachtig, probeerde haar hand te pakken maar miste omdat zij wegdraaide en de voormalige modezaak binnenstapte.
Meneer Berend zag een gestripte, hagelwit geschilderde winkelruimte. Midden in de winkel stond een tafeltje met twee flûtes en een fles champagne. Zijn favoriete klant haalde met geoefende gebaren de capsule van de fles, draaide met zes slagen (‘Voor geluk’, zei ze) de lus van het muselet open en vertelde onderwijl dat zij het pand had gekocht om hier, op deze plek, een nieuw soort uitgeverij te beginnen met bijbehorende winkel waar oude en nieuwe titels in alle formats, dus ook in papier, zouden worden verkocht. Van de weeromstuit dronk meneer Berend zijn glas in één keer leeg. Hij vergat haar zelfs te feliciteren, maar naar verluidt heeft hij dat later ruimschoots goedgemaakt. Gedachten tolden door zijn hoofd, in luttele seconden herschikte hij de gebeurtenissen van de afgelopen maanden, keek hij met andere ogen naar de vrouw die, naar zijn voorbeeld, haar glas in één keer achteroversloeg en naar hem keek alsof ze het met niemand anders zo getroffen had als met zichzelf. Hij moest lachen, om haar moed, om zijn vooringenomenheid. Als iemand hem het brood uit de mond mocht stoten, dan was zij het. Meneer Berend gunde het haar, en hij gunde het, met satanisch plezier, alle zes exen. De prijs van zijn boeken zou instorten om de mooist denkbare reden: nieuwe boeken, échte boeken. Hij voelde een lichte duizeling toen de nieuwe eigenaresse een denkbeeldig pluisje van zijn jasje plukte en zei: ‘Ik zoek nog een steengoede verkoper, en, bij gebleken geschiktheid, meer dan dat.’
Meneer Berend keek met andere ogen en ingehouden adem naar de maagdelijk witte, lege ruimte en dacht voor het eerst van zijn leven aan verhuizen: geen exen, geen verleden. Hij liep de winkel uit, staarde een paar minuten met zijn handen in zijn zakken naar de stoeptegels, keek omhoog naar het raam waarachter zijn moeder hem had gebaard en ging weer naar binnen. Ik word gek, dacht hij, ik stap zo de hemel in – nee, nee, dit is beter, dit is herboren worden. Vandaar dat hij zijn nieuwe directeur diep en lang zoende en zich daarna voor het eerst in jaren en jaren voorstelde met zijn eigen naam.


© Anneloes Timmerije

Dit verhaal is afkomstig uit de verhalenbundel 'Slaapwandelen bij daglicht' van Anneloes Timmerije.



Over de auteur

Hebban Crew

1512 volgers
50 boeken
0 favorieten


Reacties op: Kort verhaal: 'Boekwinst' van Anneloes Timmerije

 

Gerelateerd

Over

Anneloes Timmerije

Anneloes Timmerije

Anneloes Timmerije (Amsterdam, 1955)  woont en werkt in Den Haag, en een deel van het jaar in Frankrijk. Naast haar werk als freelance journalist en vertaler publiceerde zij Goeie nieuwe tij...

Overig

Hebban Kort -verhalenbundels van de week

op 24 september 2014 door Hebban Crew 16 boeken 1 volger 0 reacties