Advertentie

“Het is goed, wanneer men iets niet durft te doen, omdat men het niet mooi vindt.
Maar het is niet goed, wanneer men vindt dat iets niet mooi is, omdat men het niet durft te doen”


Kristin Lavransdochter, de epische trilogie die de Noorse schrijfster Sigrid Undset (1882-1949) publiceerde tussen 1920 en 1922, speelt zich af in de eerste helft van de 14de eeuw, en is nog steeds het onovertroffen hoogtepunt van de Scandinavische historische romanliteratuur. Voor “haar machtige beschrijvingen van het Scandinavische leven in de middeleeuwen” kreeg de schrijfster er in 1928 de Nobelprijs voor Literatuur voor, en dat was zeer terecht.
Helaas staan schrijfster en boek vandaag op de rand van de vergeetput, en dat is zeer onterecht. De thematiek van het verhaal is immers tijdloos…

Het verhaal

In het eerste deel, De bruidskrans, wordt de jonge, zorgeloze en wat rebelse Kristin door haar vader Lavrans uitverloofd aan de welstellende Simon Darre. Kristin is niet geheel ongelukkig met deze gearrangeerde verloving, maar als ze de ridder Erlend Nikolausson leert kennen en op hem verliefd wordt, verbreekt ze de verloving. Dit is zeer tegen de zin van haar vader, die haar een tijdlang in een klooster onderbrengt om haar tot bezinning te laten komen. Kristin blijft haar vader echter koppig trotseren: ze wil en zal Erlends vrouw worden, en uiteindelijk laat ze zich door Erlend bezwangeren. Lavrans kan nu, noodgedwongen, niet anders dan instemmen met het huwelijk.
Op de huwelijksdag is Kristins zwangerschap duidelijk te zien, en toch draagt ze de bruidskrans, het symbool van maagdelijkheid, als een uitdagend overwinningsteken. Maar als ze voor het altaar neerknielt, besluipen haar in het aanschijn van God de eerste gevoelens van schuld en berouw:
Het scheen Kristin toe, dat ze met Erlend op een koude steen knielde. Hij knielde met de rode brandvlekken op zijn bleek gezicht. Zij knielde onder de zware bruidskroon en voelde de doffe, drukkende last in haar schoot, de zondelast, die zij droeg. Zij had met haar zonde gespeeld als in kinderspel. Heilige Maagd, nu zou de tijd spoedig komen, dat die voldragen voor haar zou liggen, haar met levende ogen zou aanzien, haar het brandmerk van de zonde zou tonen, de lelijke wanstaltigheid van de zonde, en vol haat, met gewrongen handen tegen de moederborst zou slaan.

Het tweede deel, Vrouw, vertelt over haar huwelijksleven met Erlend, dat niet over rozen gaat. Erlend is een sterke, gerespecteerde ridder, maar frivool en bovendien onbekwaam om een landgoed te bestieren. Door zijn lichtzinnigheid verspeelt hij zelfs zo goed als al zijn bezittingen, waarna het gezin terugkeert naar het landgoed Jörundgaard dat Kristin intussen van haar vader heeft geërfd. Kristin neemt het bestuur over het landgoed stevig in handen, en dat irriteert Erlend. Dat een vrouw een landgoed beheert en, erger nog, aldus aantoont voor zichzelf te kunnen zorgen, is immers ongehoord. Maar tegelijk onderkent hij zijn eigen incompetentie en slikt daarom gelaten de schaamte. Anderzijds moet Kristin de vernedering van Erlends regelmatige ontrouw ondergaan.
Kristin valt in die jaren toenemend ten prooi aan schuldgevoelens over haar jeugdig misgedrag: het dwarsbomen van haar vaders wil, de pijn die ze Simon Darre berokkende, de zonde die ze over zich haalde door zich voor het huwelijk te laten ontmaagden, en niet in het minst omdat ze zich medeschuldig voelt aan de dood van Erlends eerste vrouw, de moeder van zijn twee kinderen.

In het laatste deel, Het Kruis, gaat het schuldgevoel en het verlangen naar penitentie Kristins leven overheersen. Dat enkele van haar kinderen vroegtijdig stierven beschouwt zij nu als een straf van God. Na Erlends dood, en nadat de kinderen hun eigen weg zijn gegaan, treedt Kristin in het klooster in. Vol overgave zet ze zich in voor de pestlijders, ook nadat ze zelf door de ziekte wordt getroffen. Wat ze al niet verloren heeft, schenkt ze weg, tot ze op haar sterfbed niks anders meer bezit dan het vergulde kruis dat ze ooit van haar vader kreeg, en de trouwring aan haar vinger. Als een laatste daad van penitentie en berusting geeft ze ook die laatste bezittingen af aan de kloostersmid die aan haar sterfbed zit. In haar laatste levensuren kan ze, eindelijk, vrede nemen met het leven dat ze leidde, en met de God die haar een leven lang angst inboezemde:
Zij opende haar ogen en keek naar de ring, die in de donkere vuist van de smid lag. En haar tranen braken in een wilde stroom naar buiten, want het was alsof zij nooit tevoren volkomen begrepen had, wat die betekende. Dat leven, waaraan die ring haar verbonden had, waar ze over geklaagd en gemord had, waar ze tegen geraasd en zich verzet had, dat had ze toch zo lief gehad. Zij had er zich in verheugd met al het kwade en al het goede, zodat het haar zwaar leek ook maar één dag daarvan aan God terug te geven, en er geen smart was, die zij zonder gemis kon offeren.

Het personage Kristin

Kristin kent een onbekommerde jeugd, met een rustige, begripvolle en voor die tijd ruimdenkende vader die gezin en landgoed met vaste hand beheert, en met een liefhebbende moeder, onderdanig zoals een echtgenote in de 14de eeuw behoorde te zijn. In dat warme nest groeit Kristin op tot een zelfbewuste jonge vrouw met een sterke wil.
Als ze de huwbare leeftijd bereikt komt een einde aan haar onbezorgde leventje. Simon Darre, de man die haar vader voor haar heeft gekozen, is een goede partij. Hij is ernstig, geduldig, onzelfzuchtig en oprecht verliefd, en Kristin beseft dat ook wel, maar binnenin knaagt toch onzekerheid en onrust. Wil ze wel een leven van onderdanige gehoorzaamheid, wil ze wel een stille, volgzame moeder aan de haard zijn… De ontmoeting met de verleidelijke Erlend, een (dan nog) gehuwde man van in de dertig, komt als een verlossing.

Zeventien is ze dan, en vroegwijs. Enerzijds bewondert ze haar moeder wier onderdanige, moraliteitsconforme leven haar tot voorbeeld zou moeten zijn, en eigenlijk zou ze zelf ook wel willen leven naar de geldende zeden en gewoonten, maar anderzijds voelt zo’n levenswandel aan als één langdurige miskenning, ontwaarding en ontmenselijking van haar eigenheid, als een onaanvaardbare ontkenning van haar vrouw-zijn. Het totale gebrek aan zelfbeschikkingsrecht waarbij ze zich als traditionele echtgenote zal moeten neerleggen, gewoon omdat ze “maar” een vrouw is, stuit haar tegen de borst. Ze denkt dat de ogenschijnlijk vrijdenkende Erlend haar verlangen naar zelfbeschikking niet zal fnuiken, en dus zet ze door.

Ze weet precies waar ze aan begint. Ze weet dat het een zonde is, ze weet dat het een vergissing is, ze weet dat “het schenden van haar maagdelijke ongereptheid vóór het huwelijk” (1) algeheel en streng zal worden afgekeurd, ze weet dat ze de rest van haar leven zal moeten vechten tegen onverwoestbare vooroordelen, ze kent Erlends vrijzinnige bohemien-attitude ‒ hij is als het ware een veertiende-eeuwse hippie ‒ en zijn reputatie van rokkenjager, en ze beseft heel goed dat ze door haar daad veel mensen verdriet en pijn berokkent… Om haar eigen stempel op haar leven te kunnen drukken, om haar leven met meer van haar eigen persoonlijkheid te kunnen inkleuren, heeft ze dat er allemaal voor over.

Maar wat ze niet voorziet zijn het schuldgevoel en de wroeging, die al vroeg, met name op de huwelijksdag zelf, de kop opsteken. Hoe haar omgeving haar beoordeelt ‒ of veroordeelt ‒ ervaart ze wel als pijnlijk, maar de noodzaak om zich in die richting uitgebreid te verantwoorden voelt ze niet. Daarentegen gaat de angst, dat ze in de ogen van God ‒ die ze overigens nog niet goed kent (2) ‒ een zonde heeft begaan en ze tegenover Hem verantwoording moet afleggen, haar steeds sterker innemen:
Zij verlangde ernaar de last van jaren heimelijke zonde van zich af te werpen, de last van missen en godsdienstoefeningen, waaraan zij onrechtmatig deelgenomen had, zonder te biechten en onboetvaardig.

Dat ze het gedroomde huwelijksgeluk niet vindt, dat Erlend ongegeneerd en openlijk overspel pleegt, dat hij door zijn lichtzinnigheid een deel van zijn vermogen kwijtspeelt, dat enkele van haar kinderen jong sterven… Geleidelijk aan beschouwt ze het allemaal als straffen van God voor die ene zonde. Daar wíl ze oprecht voor boeten. Ze wil niets liever dan dat, ze wil alleen nog dat. Het verlangen naar boetedoening gaat haar beheersen, ze cijfert zichzelf in toenemende mate weg. De onderdanigheid, waar ze als gehuwde vrouw zo van terugschrok, wordt nu haar leidraad ten dienste van anderen.

Dat verlangen houdt haar ook recht. De vele tegenslagen ziet ze als kansen om te boeten, waardoor ze die makkelijker kan verwerken. Toch raakt ze verbitterd. Haar hardheid helpt haar om ongenadig wraak te nemen op Erlend, de man die haar van haar eer beroofde, én om als vrouw met een eigen landgoed stand te houden in een wereld waarin mannen het voor het zeggen hebben (3). Pas op het einde van haar dagen kan ze zich eindelijk overleveren aan Gods genade, en kan ze terugkijken op een leven dat weliswaar over een rampzalig en psychologisch enorm bezwarend parcours liep, maar wel geslaagd is.

Sigrid Undset, schrijfster van huwelijksromans

Ik ben mijn man ontrouw geweest.
Met deze openingszin van haar debuut, de realistische, eigentijdse dagboekroman Marta Oulie uit 1907, raakt Sigrid Undset al meteen de thema’s aan die haar latere oeuvre hoofdzakelijk zullen kenmerken: het verlangen van de vrouw naar seksuele ontvoogding, het vruchteloze zoeken naar huwelijksgeluk, de onmacht om het te verwezenlijken, de ontrouw die erop volgt en het schuldgevoel dat daar de pijnlijke consequentie van is. Maar deze eerste zin uit haar eerste boek was ook de aanzet tot de controverse die Undset zou blijven achtervolgen: enerzijds stoorde de behoudsgezinde goegemeente zich aan de erotische vrijmoedigheid van haar werk, anderzijds vonden de voorvechters van de vrouwenemancipatie dat Undsets vrouwen al te uitdrukkelijk het traditionele gezinsleven en huwelijksgeluk nastreefden (4). Undset heeft die tegenstrijdigheid nooit aanvaard, volgens haar waren de begrippen ‘vrijgevochten vrouw’ en ‘gelukkig huwelijk’ perfect verenigbaar.

In het daaropvolgende decennium diept Undset die thematiek verder uit. Ze voegt dimensies toe en verbindt ingrijpendere ‒ negatieve of positieve ‒ psychologische consequenties aan het soms onvoorspelbare, soms doelgerichte gedrag van de vrouwen die in haar romans de hoofdrol spelen. In Jenny, de psychologische roman waarmee ze in 1911 internationaal doorbreekt, leidt het onbevredigde liefdesverlangen tot zelfmoord, maar in Lente uit 1914 weet de vrouw des huizes een huwelijkscrisis af te wenden en van haar gezin een liefdevolle, stabiele en veilige haven te maken.

Tot 1919 spelen Undsets romans zich in de eigen tijd af, in en rond de Noorse hoofdstad Kristiania (nu Oslo). Maar in de jaren twintig schrijft ze twee meesterwerken die ze in de middeleeuwen situeert, een tijd die haar als historica uitstekend ligt: Kristin Lavransdochter en Olav Audunszoon op Hestviken. Voor het eerst duikt de religieuze dimensie op: God en kerk zijn als het ware immateriële personages met een bedrukkende functie. Verantwoording en schuld worden nu niet zozeer meer afgewogen tegenover de omgeving, maar (in sterkere mate) tegenover die hogere orde.
Die orde, en de daaraan vasthangende wetmatigheden van de kerk, worden door Kristin niet altijd goed begrepen. Haar twijfel en onzekerheid weerspiegelen in feite de innerlijke tweestrijd waarmee de schrijfster kampte tijdens het schrijven van deze roman; Sigrid Undset zal zich pas in 1924, dus twee jaar na het verschijnen van Kristin Lavransdochter, definitief tot het katholicisme bekeren.

Persoonlijke impressie

Ik las deze roman voor het eerst meer dan vijftig jaar geleden. Niet zozeer het verhaal zelf – daarvan bleven, na al die jaren, alleen de grote lijnen in mijn geheugen achter − dan wel de intense gevoelsmatige indruk die het boek destijds op mij had, maakte dat ik het nooit heb kunnen vergeten. En dus heb ik het, decennia later, nog een keer gelezen.

Net als vijftig jaar geleden bleef ik ook nu overweldigd achter … Overweldigd door de bijzondere gevoelige en invoelende psychologische ontleding van het gevoelsleven van de hoofdpersonen, door de diepgang waarmee religieuze twijfel, geloof, bijgeloof, wroeging, schuld en boete fijnzinnig en uitermate geloofwaardig worden beschreven, door de aangrijpende manier waarop Undset de lezer confronteert met menselijke thema's als trouw en ontrouw, liefde en haat, leven en dood, tomeloos verlangen en frustrerende zelfontkenning, en tenslotte overweldigd ook door het onvergetelijke hoopvolle en tegelijk tragische einde, als Kristin uiteindelijk, moe maar gelouterd, haar leven kan afsluiten.

Kristin Lavransdochter werd geschreven met veel zin voor realisme en met uiterste aandacht voor de correctheid van de historische details over het leven in de veertiende eeuw. Undsets schrijfstijl is van een zachte eenvoud, in een beleefde, ernstige, nuchtere en vriendelijke taal weet ze het hele scala van menselijke gemoedstoestanden indringend over te brengen op de lezer. Het verhaal wordt volledig gedragen door de personages die ze onveranderlijk met liefde en respect benadert; ze is begripvol voor iedereen, en voor alles. Undset laat zich niet verleiden tot ellenlange, dramatische of poëtische landschapsbeschrijvingen en streeft geen literaire artisticiteit of vernieuwende bellettrie na, maar focust zich ten volle op de mensen in haar verhaal.

Het is moeilijk een breedschalig verhaal als Kristin Lavransdochter in één zin te vatten, maar ik doe toch een (zeer persoonlijke) poging: een roman over een vrouw die haar leven lang op zoek is naar respect voor haar eigenwaarde.

Plaats in de literatuur

Meedeinend op de modernistische kunststroming die in de tweede helft van de 19de eeuw ontstond, zetten een aantal auteurs zich in het begin van de 20ste eeuw af tegen de verhalende, sentimentalistische literatuur van de romantiek. Met name ontstond in de jaren na WO I een literatuurstijl die een waarachtiger beeld van de 20ste-eeuwse samenleving ophing en een realisme cultiveerde waarin de mens centraal staat.
Dat laatste is, zoals eerder al gezegd, absoluut van toepassing op Kristin Lavransdochter. In deze roman komt Undsets realistische stijl tot volle bloei. Maar de sterke voorliefde voor de middeleeuwen was dan weer zeer kenmerkend voor de romantische literatuurstijl. Sigrid Undset behoort zonder twijfel tot de moderne stijlperiode, maar met Kristin Lavransdochter ‒ en de latere Olav Audunszoon op Hestviken ‒ heeft ze zich dus (nog) niet definitief losgewrikt van de romantiek. De Noorse letterkundige Jörgen Bukdahl kwam ooit met de term “werkelijkheidsidealisme” (5) om die beide werken stilistisch te determineren, en die dekt, ook naar mijn mening, de lading perfect, wel te verstaan met de sterke nadruk op het realisme. Of om het werk historisch nog anders te kaderen: 1922, het jaar waarin Undset het derde deel van Kristin Lavransdochter publiceerde, was ook het jaar waarin James Joyce’s Ulysses verscheen...

Beknopte biografie (6)

De Noorse schrijfster Sigrid Undset (Kalundborg, Denemarken 20 mei 1882 - Lillehammer 10 juni 1949) was de dochter van archeoloog Ingvald Undset (1853 - 1893) en daardoor al vroeg geïnteresseerd in geschiedenis. Ze werkte een tijdje als kantoorbediende, maar kon in 1909 met een Noorse rijksbeurs voor een jaar naar Rome. Nadien legde ze zich uitsluitend toe op het schrijven.
In 1912 huwde ze met de Noorse schilder Anders Castus Svarstad (1869 - 1943). Het huwelijk was echter geen succes, en vanaf 1919 leefden de echtgenoten gescheiden. In 1924 bekeerde ze zich tot het katholicisme, waarna ze in 1925 haar huwelijk met Svarstad liet ontbinden. Undset debuteerde al in 1907 met Fru Martha Oulie (Ned. vert.: Marta Oulie). Het schuldmotief en de droom van een ideaal huwelijksgeluk staan hierin centraal, en die thema's zullen haar gehele latere oeuvre kenmerken. In de jaren twintig verschijnen haar twee meesterwerken: Kristin Lavransdochter (1920-22, Ned. vert.: idem) en Olav Audunssøn (1925-27, Ned. vert.: Olav Audunszoon op Hestviken), die zich allebei afspelen in de middeleeuwen.
In 1928 ontvangt ze de Nobelprijs voor literatuur, vooral voor Kristin Lavransdochter , waarin haar realistische stijl zijn hoogtepunt bereikte. Uit afkeer voor het nazisme vlucht ze in 1940 naar de Verenigde Staten waar ze talrijke lezingen geeft over de Noorse cultuur. Ze keert in 1945 naar Noorwegen terug maar overlijdt er vier jaar later. Sigrid Undset was van grote betekenis voor de verbetering van de plaats van de vrouw in de Noorse maatschappij.

(1) Dr. Victor Claes, Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur, deel VIII, p. 599
(2) In de veertiende eeuw kwam de kerstening van Noorwegen pas goed op gang.
(3) De vrouw die, geheel zelfstandig voor zichzelf én haar gezin de kost verdient, was tot dan toe een ongezien fenomeen in de Noorse literatuur. Dit “glazen plafond” werd door Undset doorbroken.
(4) Zie hieromtrent: Dr. Victor Claes, Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur, deel VIII, p. 600
(5) Bukdahl, J.,: “Sigrid Undset”, Dietsche Warande en Belfort, jg. 1929.
(6) Dit is een letterlijke kopie van de biografie die hier op Hebban op de pagina van de schrijfster staat. Geen plagiaat, echter, want die biografie is door mij opgesteld.

Oorspronkelijke Noorse titel: Kristin Lavransdatter
Nederlandse titel: Kristin Lavransdochter
Delen: I. De bruidskrans, II. Vrouw, III. Het kruis.
Auteur: Sigrid Undset (20.05.1882 – 10.06.1949)
Nederlandse vertaling: Dr. Albertus Snethlage
Categorie: wereldliteratuur
Genre: historische roman
Pagina’s: 1022
Uitgeverij: Meulenhoff Nederland B.V., Amsterdam
Eerste Nederlandse druk: 1948
Gelezen editie: 8ste druk, 1973

Reacties op: Portret van een zondares zonder zonden

24
Kristin Lavransdochter trilogie - Sigrid Undset
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie E-book prijsvergelijker