Lezersrecensie
Het lot van de Koreanen in Japan
In 1910 bezette Japan Korea. Die bezetting duurde tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Koreanen werden in deze periode behandeld als tweederangs burgers. Dit is de achtergrond waartegen de Koreaans-Amerikaanse schrijfster Min Jin Lee haar boek Pachinko plaatst.
Pachinko is de geschiedenis van een Koreaanse familie, die zich uitstrekt over 5 generaties. Het begint allemaal op het eilandje Yeongdo voor de zuidkust van Korea, waar een hardwerkende, eenvoudige familie een klein pensionnetje runt. Zij weten net het hoofd boven water te houden in een economisch steeds lastiger situatie. In deze familie wordt in 1917 Sunja geboren.
Sunja is het centrale karakter in Pachinko. Zij is - net als haar familie - eenvoudig en hardwerkend. Maar zij is vooral behoorlijk naïef. Op haar 15e raakt zij zwanger van een rijke koopman. Die man blijkt bij nader inzien al getrouwd, dus een huwelijk zit er niet in. Als de man aanbiedt financieel voor haar en de baby te zorgen wijst ze dat aanbod af. In plaats daarvan trouwt ze met een vrij willekeurige ander, met wie zij naar Japan vertrekt. Later krijgen Sunja en hij samen ook een kind.
Lee staat uitvoerig stil bij de moeilijke omstandigheden van de Koreaanse migranten in Japan. Ze worden gediscrimineerd en het is lastig om aan werk of goede woonruimte te komen. Dit alles nog los van de economische crisis in de jaren ‘30 en de oorlog daarna.
Na de oorlog blijft de familie in Japan wonen. Het verhaal focust in de naoorlogse periode vooral op de lotgevallen van Sunja’s zoons. Dat zijn twee heel verschillende karakters, die beiden op hun eigen manier omgaan met de discriminatie. De één probeert zo Japans mogelijk te worden, terwijl de ander juist kracht put uit zijn Koreaanse identiteit. Dit deel van het verhaal is helaas aanzienlijk minder gedetailleerd uitgewerkt dan het eerste deel, met grote sprongen in de tijd. Dat geldt zeker ook voor de lotgevallen van de generatie dáárna.
Dat maakt Pachinko een wat onevenwichtige familiegeschiedenis. Hoewel de setting en het thema interessant genoeg zijn, komen de verschillende familieleden - op Sunja na - nergens echt goed uit de verf. Dat komt door de grote sprongen in de tijd en het continu wisselen van perspectief. Een interessant en worstelend personage als de oudste zoon van Sunja bijvoorbeeld, die zo Japans mogelijk probeert te zijn, verdwijnt jarenlang uit beeld. Daardoor blijft het gissen naar zijn interne strijd. In plaats van aan hem wordt wél uitgebreid aandacht besteed aan enkele bijfiguren die weinig met het familieverhaal van doen hebben, zoals een homoseksuele Japanse familievriend of de Japanse vriendin van de jongste zoon en haar verslaafde dochter.
Wat redactionele ingrepen in dit verhaal waren dus welkom geweest! Niet alleen de overbodige bijfiguren hadden eruit gemogen, maar zeker ook de bijna gênante omschrijvingen van de vrouwen, waarbij wat mij betreft veel te veel nadruk ligt op de omvang van hun boezem en billen en de glans van hun huid en haar. Dit in tegenstelling tot de omschrijving van de mannen. En dan heb ik het nog niet over de tenenkrommende dialogen. Of de ongeloofwaardige plotwendingen. Waarom bijvoorbeeld doet een rijke zakenman zoveel moeite om de ongeletterde, eenvoudige en niet speciaal mooie Sunja te veroveren? Waar haalt hij überhaupt de tijd vandaan om zo vaak met haar af te spreken? Waarom heeft hij als Koreaan in Japan niet te maken met discriminatie? Hoe krijgt hij het voor elkaar om midden in de oorlog Sunja’s moeder naar Japan te vervoeren? Zo kan ik nog even doorgaan.
Kortom, een potentieel meeslepend familieverhaal, tegen een historische achtergrond die voor veel van ons onbekend zal zijn. Maar ook een verhaal dat zichzelf onderuit haalt door een rommelig en ongeloofwaardig plot en een platte schrijfstijl.