Lezersrecensie
De ont-disneying van de zeemeermin
Dat ik nog eens een boek over een zeemeermin zou lezen, had ik niet gedacht. Dat het toch gebeurde heeft vooral te maken met de herkomst van de schrijfster van The mermaid of Black Conch: Monique Roffey (1965). Zij is namelijk geboren en opgegroeid in Trinidad en Tobago, een land waaruit ik nog niet eerder een boek had gelezen. En eerlijk is eerlijk, ik heb helemaal geen spijt van dit zeemeerminnenboek. De zeemeermin zoals we die kennen van Walt Disney staat dan ook behoorlijk ver af van de meermin uit Black Conch.
Centraal in het boek staat de mythe over de zeemeermin Aycayia. Dit is een mythe van de Taino, een volk dat ooit leefde op de noordelijke Caribische eilanden - tot de Europeanen daar kwamen en er hun niet zo positieve dingen deden. Een mooi gegeven dat een mythe van een uitgestorven volk zo toch voortleeft in een modern verhaal.
Aycayia was ooit een meisje, zó mooi dat alle mannen verliefd op haar waren en alle vrouwen jaloers. Zó jaloers dat ze haar vervloekten om voor altijd als zeemeermin verder te leven. Dat is het mythische Taino-verhaal, in het kort. In het boek van Monique Roffey duikt Aycayia na duizend jaar, in 1976, ineens op bij het (fictieve) eiland Black Conch, aangetrokken door de muziek van de jonge visser David Baptiste. Tot echt contact tussen die twee is het nog niet eens gekomen als Aycayia gevangen wordt door een nogal stereotype imperialistische Amerikaanse sportvisser, die de dollartekens al in zijn ogen heeft staan als hij bedenkt hoeveel een zeemeermin zou opbrengen.
Het lukt David om Aycayia te bevrijden, maar al voordat hij haar naar de zee terug kan brengen begint ze terug te veranderen, van meermin naar vrouw. Dat klinkt misschien als het begin van een sprookje dat leidt tot een ‘ze leefden nog lang en gelukkig’, maar dat is niet hoe het verder gaat. Jaloezie, hebzucht en xenofobie leggen een zware belasting op het verliefde paar. Als een echo van dit verhaal speelt een tweede liefdesgeschiedenis, tussen een blanke vrouw en een zwarte man, ook een beladen liefde in de historische context van het Caribisch gebied.
Het verhaal wordt afwisselend verteld door een alwetende vertelstem, dagboekfragmenten van de visser, die in 2015 terugblikt op de gebeurtenissen uit zijn jonge jaren en door Aycayia zelf. Het taalgebruik van de drie vertellers is heel verschillend: de visser schrijft in creools-Engels (ik ben nieuwsgierig hoe de Nederlandse vertaler daarmee om is gegaan) en de meermin in dichtvorm. Dat maakt het boek afwisselend om te lezen.
Wat het boek ook bijzonder maakt is dat het niet zomaar een mooi sprookje is, maar eerder een parabel waarin je als lezer ook andere betekenissen kan zien. Je zou de komst van Aycayia bijvoorbeeld kunnen vergelijken met die van de bootvluchtelingen (“ze heeft niet eens een paspoort” zegt de politieman van Black Conch).
Kortom, een origineel en meeslepend opgeschreven verhaal, met mooie, levensechte karakters. De vele verwijzingen naar de Caribische geschiedenis en mythen én naar de problemen van onze moderne tijd maken het tot een boek waar je best nog een tijdje over kan nadenken of napraten.