Lezersrecensie
Overpeinzingen van Augustinus in een Corsicaans café
De uitbaters en de gasten in een dorpscafé op Corsica zwelgen in liederlijkheid, zelfoverschatting en drankzucht. Een oude man treurt, hangend boven een vervagende foto van zijn ouders en zijn broers en zus over de nietigheid van zijn eigen leven, van zijn familie en van zijn dorpsgenoten als boeren, soldaten en koloniale bestuursambtenaren. Onder die familieleden en dorpsgenoten bevinden zich de jonge uitbaters van het café, filosofiestudenten uit Parijs die het volkse leven in het café verkiezen boven de in hun ogen lege academische leerstelligheden. Ze zijn in staat het café enkele jaren met succes uit te baten dankzij de instrumentele inzet van gewillige serveersters en barmeiden. Deze werelden van platte lol enerzijds en hopeloze zucht naar status en positie anderzijds worden gespiegeld aan het gedachtegoed van de Afrikaanse kerkvader Augustinus over de vergankelijkheid van Rome en alle andere architectonische cultuurwerken van de mensheid. Treur niet om al het vergankelijke, ga op in het eeuwige goddelijke licht, laat de kerkvader in zijn preken doorklinken.
In een meanderende verteltrant schildert Jérôme Ferrari een drieluik van menselijke nietigheid, aardse vergankelijkheid en goddelijke voorzienigheid. De verteltrant is soms moeilijk te volgen omdat niet altijd duidelijk is wie wat wanneer tegen wie zegt of uitspookt, maar steeds meeslepend, elegant en rijk aan woordkeus.
Door de keuze voor een drieluik komt niet echt een synthese tot stand tussen de drie panelen. Het blijven min of meer zelfstandige, losstaande luiken die alleen door middel van enkele al te opvallend aangebrachte scharnieren met elkaar verbonden worden.
Het laatste hoofdstuk, dat grotendeels een weergave van de preek van Augustinus over de val van Rome is, fungeert dan als een haastig aangebrachte scharnier die de drie luiken nog even stevig aan elkaar moet verankeren. Alsof het verhaal nog een laatste opsmuk nodig had om het diepgang en schittering te geven.