Advertentie

Tsjip geeft in bijna zeventig pagina’s op onderkoelde toon inzicht in een klein, burgerlijk milieu. Het is een ode aan de zelfrelativering, omdat het boek laat zien hoe grote idealen worden ingepast in het kleinsteedse leventje van een Antwerpenaar tussen de twee wereldoorlogen. Maar er sluimert ook verzet tegen te veel autoriteit en gezag.

Tsjip (1934) is de opvallende naam voor deze novelle. Willem Elsschot schrijft in dit deels autobiografische verhaal over de onvermijdelijke hoofdpersoon Frans Laarmans. Zijn dochter Adele krijgt een relatie met een Pool, Bennek Maniewski, met wie zij op school zit. Het heeft nogal wat voeten in de aarde, voordat de trouwerij plaatsvindt. Op het eind van het verhaal bevalt Adele en wordt het kind, Jan, meegenomen naar Antwerpen en voorgesteld aan de ouders. De kersverse grootvader neemt zijn kleinzoon mee de groentetuin in. Tussen de erwten en bonen tsjilpen wat mussen. ‘Tsjip’, wijst opa, waarop dat ook de bijnaam van Jan wordt.

Stamcafé, werkreizen of mancave

Kenmerkend voor Elsschot is de weer onbeduidende rol van Laarmans in dit verhaal. Deze man heeft grootse ideeën over liefde en opvoeding, maar slaagt er uiteindelijk nauwelijks in om als ouder leiding te geven aan het gezin. Een van de weinige daden is het schrijven van een boze reactie, als de vader van Bennek vanuit Polen per brief verzoekt om Bennek de toegang tot het huis te ontzeggen, zodat de relatie uit zou doven. Er volgt geen weerwoord uit Polen en daarmee blijven de ferme pennenstreken van Laarmans in het luchtledige hangen. Ten tweede regelt de onkerkelijke Laarmans op het laatst een pastoor, zodat Adele alsnog in één dag gedoopt kan worden, kan biechten en het huwelijk kerkelijk kan laten inzegenen.

Laarmans, die dus een groots en meeslepend leven overdenkt, maar nooit uitvoert, spreekt lezers van nu aan. Ontlenen veel mannen nog steeds niet hun identiteit aan hun rol op het werk en in de vriendenkring, in plaats van aan hun rol thuis achter stofzuiger en televisie? Bij Elsschot ouwehoeren Laarmans’ hele en halve vrienden in stamcafé of op werkreis, nu is zogenaamde ‘mancave’ in de mode. De woning blijft echter het domicilie van vrouw en kinderen. Elsschot slaagt er met Laarmans knap in om een personage neer te zetten zonder bepaalde excellente eigenschappen. Door de ironische toon van Laarmans en de verteller wordt het nergens saai.

Die vermaledijde heerlijkheid waar een gouden vogel jubelt

Het verhaal begint met een proloog, getiteld ‘Opdracht’. Hierin vertelt de ik-persoon, Laarmans dus, dat hij vaak op reis was, waar hij met volle teugen van genoot, maar hij voelt dat hij ermee moet stoppen. ‘Zolang ik ginder dwaalde heb ik mijn kinderen niet opgevoed maar met hen gespeeld, voor mijn vrouw niet gezorgd maar van haar genoten. De Meimaandjes zijn nu voorbij. Hier bij ’t vuur, in onze kooklucht, komt het er op aan mijn plicht te doen als een doodgewoon mannetje dat ik ten slotte ben.’ (p. 483.). Wat ‘ginder’ is, blijft ongewis. Het slaat niet alleen op zijn werkreizen, maar ook op zijn gedachte-excursies, waarin de ik-persoon zich kon losscheuren van zijn kleingeestige bestaan.

De geboorte van de kleinzoon gooit alles op z’n kop. ‘Kom, jongen, vooruit is de weg. Mogen vrouw en kinderen mij vergeven dat ik hen een laatste maal verloochen voor die vermaledijde heerlijkheid waar een gouden vogel jubelt, véél hoger dan de leeuwerik.’ (p. 484).

Toch komt de ontknoping van die laatste verloochening niet in Tsjip. Elsschot lijkt te verwijzen naar het boek De leeuwentemmer (1940) dat gezien wordt als het vervolg op Tsjip, met Jan in de hoofdrol. Zijn kleinzoon geeft aan Laarmans vleugels. De slotzin van Tsjip: ‘Want ik ben bereid afstand te doen van alles in ruil voor de ademtocht van dat jonge leven, voor de geur van die ontluikende roos.’

Juichen noch rouwen op bevel van de machthebbers

Wel licht Elsschot een tipje van de sluier op. In het slot komt Laarmans terug op die leeuwerik als hij vertelt wat hij zijn kleinzoon zal voorhouden. Hij vangt aan met een chiasme: ‘Dat hij veel moet doen van wat ik heb nagelaten en veel nalaten van wat ik heb gedaan; dat hij de gevulde hand moet afstoten; dat hij niet bukken mag voor ’t geweld, juichen noch rouwen op bevel van de machthebbers. Dat hij moet opstappen met de verdrukte scharen om vorsten en groten tot brij te vertrappen. Ik zal met hem het lied der bevrijding aanheffen en zo bereiken wij samen het land waar die gouden vogel jubelt, véél hoger dan de leeuwerik.’

Daarmee wordt de thematiek van dit verhaal duidelijk. De beschrijving van het kneuterige gezinsleven in Antwerpen is te vergelijken met gevaarlijke totalitaire regimes, die in de jaren 1930 opmarcheerden naar het centrum van de macht. Laarmans’ vrouw leidt het gezin met vaste hand en de kinderen adoreren haar. Aan de ene kant danst ook de ik-persoon dus naar de pijpen van zijn vrouw. Aan de andere kant is zijn optreden, zo hij al optreedt, van zo weinig belang, dat hij bijna een verpersoonlijking is van de naamloze massa in een dictatuur. Zijn droom over het land waar de gouden vogel jubelt, is te beschouwen als een droom over verheffing van die naamloze menigte zonder rechten en een waardering voor het individu en zijn zorgen en idealen. Soms heb je dan, zoals Laarmans, een ander nodig om te besluiten het leven in eigen hand te nemen.

De humor schraagt het verhaal

Daarbij zit de afkeer van teveel autoriteit in de Vlaamse literatuur ingebakken. Een decennialang gevoelde onderdrukking door het Franstalige deel van België borrelde op in Elsschots tijd. Zo konden in de Eerste Wereldoorlog Vlaamse soldaten hun Franstalige legerofficieren vanwege de taalbarrière niet verstaan. Dit had rampzalige gevolgen: veel Vlamingen stierven voor de Duitse kanonslopen als insecten in een onverwachte vriesnacht in april. Die vernederende ervaringen gaf de Vlaamse wens voor meer zelfbestuur een sterke impuls. In de literatuur is dat antiautoritaire trekje zichtbaar bij Elsschot, maar ook bij een generatiegenoot als Gerard Walschap in bijvoorbeeld Houtekiet (1939).

Tot slot heeft het verhaalverloop ook iets naargeestigs. Laarmans pendelt op en neer tussen de plaatselijke kroeg De Keizer, zijn onbetekenende werkadres en zijn woning, waar hij nauwelijks gemist wordt. Nergens ziet de lezer een man die zich met hart en ziel voor iets of iemand inspant. Is het een opmaat voor Dimitri Verhulsts ‘De helaasheid der dingen’ (2006)? Daar wordt het leven nog platter, de humor nog zwarter.
Oftewel: de ironie schraagt het verhaal. Wie daarvan houdt, zal van Tsjip zeker genieten.

N.a.v. Willem Elsschot, Verzameld Werk, Amsterdam: P.N. van Kampen en Zoon N.V., 1963, p. 481-548.

Reacties op: In de gewoonste burger Laarmans sluimert de opstand

55
Tsjip/ De Leeuwentemmer - Willem Elsschot
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners