Lezersrecensie
Een novelle met het gewicht van een roman
Een novelle met het gewicht van een roman
In 1852 zit een echtpaar in de trein; het is het begin van hun huwelijksreis naar Italië. Hij heet Alfred Rethel is 36 jaar en beeldend kunstenaar, schilder. Zij heet Maria Rethel-Grahl, is ongeveer 19 jaar en dicht en tekent. Het begin van hun huwelijk is moeilijk. Zij is erg ziek geweest, tyfus, en hij werd bij haar weggehouden door haar ouders. Zij is opgegroeid in Dresden, in het oosten dus, en hij in het Rijnland, in het westen. Je zou bijna denken dat het verschil tussen echtelieden niet groter kan zijn. Daar staat tegenover dat hun liefde wederzijds en groot is. Zal de liefde alles overwinnen?
In het begin ligt het perspectief wisselend bij Maria en bij Alfred. Maria denkt:
‘Maar in hun geval zijn het niet twee gelijkwaardige mensen, die elkaar idealiseren, maar het zijn twee zeer ongelijkwaardige personen die van elkaar houden, een man en een kind, een grote man en een kleine vrouw en als zij dreigt te twijfelen aan de waarschijnlijkheid van de omvang en de betekenis van die wanverhouding, dan roept ze zijn brieven weer in gedachten, brieven, bijna elke dag een brief, geschreven in zijn vrijgezellenwoning in de verre stad, of ook wel op zijn schilderstelling.’ (2021: 13)
Die ‘schilderstelling’ staat in Aken, waar Alfred in het stadhuis fresco’s maakt en zich vergelijkt met en optrekt aan de ontberingen van Michelangelo is de Sixtijnse Kapel.
Tijdens hun reis tekenen beiden de landschappen en plaatsen onderweg.
Op zijn beurt laat Alfred zijn gedachten de vrije loop. Hij is inwendig boos omdat hij zijn jonge vrouw niet mocht bezoeken tijdens haar ziekte. En hij piekert over zijn familie, die hij na de dood van zijn vader financieel moet onderhouden; en over zijn schilderwerk en zijn betekenis als kunstenaar; en over een faux pas die hij in het verleden begaan heeft, weliswaar voor hij Maria kende, maar toch. Een verkeerde amoureuze keuze, die hem wellicht zal opbreken. Ik ben hier heel omzichtig want Ponten is dat ook. Het wordt aan de lezer overgelaten - wellicht uit kiesheid of uit preutsheid - wat hij hieronder moet verstaan.
De echtelieden houden elkaar niet op de hoogte van hun gedachten en hersenspinsels. In die zin doet het verhaal enigszins denken aan de naturalistische roman Het huwelijk van Lodewijk van Deyssel. Maar die kant gaat het verhaal toch niet op.
Na de treinreis rijden zij verder per koets en beleven ze onderweg veel avonturen. Haast expressionistisch van stijl is een tonijnvangst aan de Italiaanse kust: de harde strijd van man, vrouw, kind en vis brengt Maria danig van haar stuk. Ziek is ze ervan, misselijk, ellendig. Het leven van het gewone volk beroert haar te zeer: vechtpartijen onder veehandelaren, misbruik van koetsiers en herbergiers van weerloze reizigers, in casu Maria en Alfred. Pas in de grotere steden Florence en later Rome komt zij tot rust, onder andere door de sociale omgang met mensen van hun eigen slag. Dat moet ook wel, want Maria is zwanger.
Die zwangerschap brengt op zijn beurt Alfred van slag. Voor die tijd was Maria een meisje, een kind, nu is ze ineens een vrouw geworden en hij weet niet hoe haar moet behandelen. Hij lijkt zich weinig te bekommeren om zijn nageslacht.
Toch viel Rome eerst nog erg tegen. Het is vies en volks en er wordt van hen gestolen. Op dit punt vindt de auteur het nodig een uitstapje te doen en zich te bemoeien met de psychisch-emotionele hoedanigheid van zijn hoofdpersonen en hun zelfs advies te geven. Of misschien wendt Ponten zich hier tot zijn publiek als een terzijde in een toneelstuk: kijk ze nou, die Rethels, stelletje onbenullen… Ik vind dat enorm komisch. Even nog meende ik dat Ponten de volgende overwegingen in het hoofd van Alfred had gestopt maar dat is duidelijk niet zo. Het is als in de Max Havelaar waarin het Multatuli allemaal te omslachtig wordt zijn denkbeelden in te puzzelen in de hoofden en harten van zijn personages en zelf de pen opneemt, dat werkt een stuk makkelijker en is voor de lezer ook veel duidelijker.
‘Als zoiets (nl. dat er van je gestolen wordt, rdv) gebeurt, maak je er een grapje over, en vooral als jezelf bij vertrek vergeten bent de huisdeur te vergrendelen; je gunt de arme sloeber zijn broodnodige buit of reageert je woede af door eens even flink te vloeken of te tieren. En als het gestolen goed met behulp van de politie na een paar weken nog niet boven tafel komt, denk je er niet meer aan. Maar de Rethels huilden, ze moesten domweg huilen, ze hadden het gevoel dat de wereld vol dieven en misdadigers was, ’s nachts barricadeerden ze de vergrendelde deur nog met tafel en kast, en ze voleden zich van God en alle mensen verlaten.’ (ib.: 57).
Ponten vindt het nodig nog even verder te oreren. Niet alleen Maria was ziek, zwak en misselijk geworden, Alfred werd dat nu ook. Terwijl Maria, versneld volwassen geworden door haar zwangerschap, erbovenop komt, gaat het met Alfred bergafwaarts. Is het zijn aanleg, zijn zorgen om zijn familie, is het zijn foute amoureuze keuze, is het de vriendschap met de verlopen en halve kunstenaar Lotsch, de zuipschutterij als levenskunst hebbende, of is het zijn essentiële twijfel over zichzelf als kunstenaar of een combi van alles?
‘De genezing (van ziekten in het algemeen, rdv) vraagt om geduld en afwachten, maar hoe eerder een ziekte wordt bestreden , hoe beter, en sterven is vaak synoniem met te laat zorg dragen voor het leven! […] Moedeloosheid is de eerste van drie doden die een mens sterft: de tweede is de overgaven en de derde hij zelf, de meester.’ (ib.: 57/58)
In Rome leren wat familie kennen, die zich over hen ontfermen. De zwangere Maria en de steeds zieker wordende Alfred, die weliswaar een arts heeft geraadpleegd, maar diens advies: rust nemen, zich ontzien, niet opvolgt. In tegendeel, hij gaat flink aan de boemel met de zuiplap Lotsch, die zich heel loyaal betoont en raakt totaal verstrikt in zijn artistieke aspiraties, kunstopvattingen en gebrek aan erkenning. Alfred voelt zich bijna altijd de mindere en wordt wel gezien als kunstenaar maar het is hem niet genoeg. Hij zoekt in zijn toenemende waanzin steeds meer en dieper naar de ware kunstenaar. Wat is de ware kunstbeoefening? Toch zeker niet het bloedeloze ‘classicisme’ (die term valt niet, maar ik noem het maar zo, rdv) met zijn eis van eeuwige en onveranderlijke schoonheid? Toch niet de kunst van iemand als de diep religieuze, dwz katholieke Overbeck, met zijn spirituele afbeeldingen van de Hoge? Alfred hangt naar het Romantische, het Expressionistisch - avant la lettre -. Beide termen vloeien uit mijn pen; en in 1852 mag je nog niet spreken van Expressionisme als kunststroming. In zijn zoeken naar de ware kunstopvatting en het verdwaald raken daarin en in zijn eigen warrige geest, en door de ondertitel van deze roman Het einde van een kunstenaar, moest ik denken aan Thomas Manns novelle De dood in Venetië. Mann en Ponten hebben elkaar gekend en waren een tijdlang vrienden.
Over de afloop van de novelle zal ik niet spreken. De ondertitel zegt al genoeg.
De novelle wordt scenematig, om maar eens een germanisme te gebruiken, verteld. Net als bijvoorbeeld Effi Briest van Theodor Fontane en ook De Buddenbrooks van Thomas Mann. Dat is een heel goede manier om niet de ‘psychologiserend’ te schrijven. Je schrijft van scene naar scene. Wat daartussenin gebeurt blijft buiten beschouwing en moet door de lezer zelf verzonnen worden. Fontane is hier een meesterlijk voorbeeld van omdat hij de wezenlijke gebeurtenissen, zoals het feitelijke overspel van Effi totaal aan de verbeelding van de lezer overlaat.
Deze novelle van Ponten brengt de lezer van scene naar scene; in de trein; in het rijtuig, in het vissersdorp, in Florence en vooral in Rome, de apotheose van dit verhaal, zoals Venetië dat is voor Thomas Manns novelle.
Eén van de echtparen met wie de Rethels omgang hebben zijn de Hofmanns. Hierin toont Ponten zich weer een humoristisch verteller: bij de Hofmanns is de situatie omgekeerd. Mevrouw is ongeveer van de leeftijd van Alfred, dus een jaar of veertig; haar man is de leeftijd van Maria. De stiefkinderen van Georg - door mevrouw Sjorsjo op zijn Duits-Italiaans aangesproken - Hofmann zijn bijna van zijn eigen leeftijd. Hij is de voetveeg van zijn vrouw.
De toon is toch tamelijk licht terwijl de inhoud best heftig is. Heel anders dan het zeer zware, maar daarom niet minder mooie De dood in Venetië. In het werk van Thomas Mann verwijzen alle elementen voortdurend naar elkaar, qua thematiek en metaforiek, dat is in deze novelle van Ponten minder het geval.
De novelle is in vertaling nog geen 120 bladzijden lang of groot, maar de thematiek is er niet minder om. Ik doe een greep:
Wat is het ware kunstenaarschap: gevestigd versus aanstormend genie; is het meesterschap, beheersing van het materiaal of is het het artistieke genie? Wat is dus de juiste kunstopvatting. Alfred raakt erin verstrikt. Er is ook een verschil tussen de ‘kleine kunst’ van Maria, haar kleine tekeningetjes en gedichtjes, die niet heel erg serieus genomen worden, en de ‘grote kunst’ van Alfred, zijn enorme fresco’s in Aken bijvoorbeeld.
Wat is de ware godsdienst: katholicisme versus protestantisme - lutheranisme; daarin schuilt ook het gewestelijke verschil: Rjinland vs Dresden
Een huwelijk met een groot leeftijdsverschil: Hofmann en Rethel
Het losmaken van de ouders: generatieverschil. Dat lukt Maria evenmin als Alfred. De laatste moet zijn hele leven zorgen voor zijn moeder en zijn siblings. Maria moet terug naar haar vader, die ook kunstenaar is en professor. Kronos uit de Griekse mythologie krijgt hier een eigen plekje. Kronos die zijn eigen kinderen wil verslinden maar door zijn zoon Zeus van de troon gestoten wordt. Helaas zijn Maria en Alfred beiden geen Zeus.
Last but not least, de tegenstelling tussen man en vrouw. Feitelijk ligt het zwaartepunt in deze novelle bij Alfred maar vrouwen spelen in zijn leven een grote rol: zijn moeder, voor wie hij zorgen moet, zijn vrouw voor wie hij ook zorgen moet maar daartoe niet in staat is, mevrouw Hofmann, die voor hem zorgt en dat wil hij ook niet. Dan is er de dienstmeid die op een oud meisje lijkt is, een oma, en ‘secca’, zoals zijzelf zegt: droog, dus oud en menopauzaal, onvruchtbaar, dus onbeweeglijk. Enorm vernederend vind ik. Vrouwen worden voor het grootste deel gezien als hun lichaam en als de staat waarin hun lichaam verkeert en de daarmee samenhangende rol. Maar anderzijds maakt Maria duidelijk een enorme ontwikkeling door en met Alfred gaat het allengs slechter. Maria’s tekentalent komt aan de orde maar zij zwelgt niet in het kunstenaarschap zoals Alfred dat doet.
Wat wel een beetje verwarrend is, is de omstandigheid dat Alfred Rethel in werkelijkheid geleefd heeft en dat Ponten eerder een proefschrift over hem heeft geschreven. Ponten zelf was ook beelden kunstenaar. Op de een of andere manier veroorzaakt dat een grote brij in mijn hoofd. Nog ingewikkelder dan wanneer Rethel een fictief persoon zou zijn, in wie Ponten een deel van zijn eigen worstelingen projecteert. ‘Josef Ponten en Alfred Rethel: twee vergeten beroemdheden uit het Rijnland’ (ib.: 119), schrijft vertaalster Mattanja van den Bos. Het boek gaat vergezeld van afbeeldingen van tekeningen en een schilderij van Rethel.
Deze novelle zou goed passen in de reeks van Schwob-boeken.
Over de auteur:
Wikipedia
Servatius Josef Ponten (Raeren, 3 juni 1883 - München, 3 april 1940) was een Duits schrijver, kunsthistoricus en geograaf.
Ponten bracht zijn kinderjaren door bij zijn ouders in de streek van Eupen en Aken. Vanaf 1903 studeerde hij wijsbegeerte aan de universiteiten van Genève en Bonn. Van 1904 tot 1908 studeerde hij architectuur en kunstgeschiedenis in Aken.
In 1908 trouwde hij (tegen de zin van haar familie) met barones Julia von Broich (Schloss Schönau, 1880 - München, 1947). Ze wachtte hiervoor op de dood van haar vader, Carl Arnold Maria Freiherr von Broich (1835-1907), burgemeester van Richterich. Pas in 1923 promoveerde Ponten in de kunstgeschiedenis met een werk over de schilder Alfred Rethel.
Ponten was een onconventioneel denker met een goed geheugen, die zich toespitste op natuurwetenschappen en geschiedenis. Vanaf 1920 woonde het echtpaar in München, waar hij weldra bekendstond als 'de alweter'. Daar werd het paar bevriend met Thomas Mann en zijn vrouw. Dit resulteerde in regelmatige ontmoetingen waarbij ze elkaar uit hun recente geschriften voorlazen, en daarnaast ook fietstochten rond München ondernamen.
Mann had de geschriften van Ponten al in 1918 leren kennen. In zijn dagboek schreef hij met bewondering over diens derde roman Der Babylonische Turm. In 1926 introduceerde hij hem in de afdeling dichtkunst van de Preußische Akademie der Künste. Dit was de periode van de lange brieven tussen Mann en Ponten. Toen Hitler in 1933 de macht overnam was de vriendschap tussen beiden al weggeëbd.
Ook met Hermann Hesse had Ponten vriendschap.
Ponten was ook geograaf geworden. Zijn Griechischen Landschaften (1914) werd door aardrijkskundigen geprezen en zijn geografische kennis kwam ook van pas voor zijn romans en novellen.
In 1927 verscheen de roman Die Studenten von Lyon, die Thomas Mann en Hermann Hesse hoog schatten, hoewel hij overladen was met geografische gegevens.
Ponten had in 1925 deelgenomen aan een internationaal congres van geografen in de Sovjet-Unie. Bij die gelegenheid had hij een rondvaart op de Wolga meegemaakt waarbij hij kennis had gemaakt met de Duitse nederzettingen. Het is op basis van deze ontdekking dat hij zijn hoofdwerk schreef, Volk auf dem Wege, Roman der deutschen Unruhe. Hij voorzag een niet te voorspellen aantal delen en het werk groeide hem uiteindelijk boven het hoofd. Eerst kwamen zes delen gewijd aan de Wolga-Duitsers die door Catharina II naar Rusland waren gelokt en aan de migranten die in de tijd van Napoleon in het zuiden van Rusland, meer bepaald in de Kaukasus waren terechtgekomen.
Hij werd weldra gegrepen door de angina pectoris, die hem in 1940 zou vellen.
Voordien had hij grote reizen ondernomen met Julia, die hierbij tekeningen maakte. Zo was hij onder meer met een Buick door Latijns-Amerika gereisd. Na 1937 werd het reizen in het buitenland moeilijker zo niet onmogelijk, vanwege zijn conflicten met het nationaalsocialisme.
Onder het nationaalsocialistisch regime[bewerken | brontekst bewerken]
Toen de nazi's in 1933 de macht overnamen, ondertekende Ponten op 15 maart 1935, op aandringen van Gottfried Benn, de loyaliteitsverklaring tegenover Hitler die de Preußische Akademie der Künste ter gelegenheid van de Reichstagverkiezingen van maart 1933 publiceerde. In oktober 1933 was hij een van de 88 ondertekenaars van de Gelofte van trouwste volgzaamheid tegenover rijkskanselier Hitler. Ponten werd echter nooit partijlid, schreef geen lovende gedichten aan het adres van Hitler en onderhield alleen maar de vriendelijke contacten die hij nuttig achtte om reisvisa te bekomen vanwege een wantrouwende administratie. Zijn Volk auf dem Wege bleef onafhankelijker dan het Volk ohne Raum van Hans Grimm, ook al werd hij in de Völkischen Beobachter geloofd voor zijn Wolgaromans als de "Epiker der Auslandsdeutschen".
Ponten had zijn eigen ideeën over wat nationalisme was, waarbij hij tot de conclusie kwam dat echter Nationalismus auch der wahre Inter- und Übernationalismus ist.
In 1936 ontving hij de Rheinischen Dichterpreis en in 1937 de Münchener Dichterpreis. Hij had deze onderscheidingen meer te danken aan oude vrienden uit de Weimarperiode dan aan de nazi's.
Tot aan de Tweede Wereldoorlog waren de romans van Ponten bestsellers. Na 1945 werd hij afgedaan als naziaanhanger en verviel hij in de vergetelheid. Toen zijn briefwisseling met Thomas Mann gepubliceerd werd, werd hij als dusdanig getypeerd door de uitgever ervan, Hans Wysling. Ponten was nochtans geen nazivolgeling geweest.
Vanaf 1937 verkeerde hij in geldnood, wat hem gewilliger maakte tegenover het bruine of zwarte publiek. Het belette niet dat hij in de nazimilieus hard werd aangepakt. In het tijdschrift Der SA-Mann van februari 1938 verscheen anoniem een hekelend artikel. Daarin stond onder meer dat hij door de Joden beïnvloed was, dat hij in contact stond met Joodse vrienden in het buitenland, dat hij de Sovjet-Unie verheerlijkte, dat hij nog altijd een bewonderaar was van Thomas Mann, zodat het verwonderlijk was dat hij met twee literaire prijzen was bedacht. Ponten verdedigde zich in een lang verweerschrift dat hij aan Goebbels liet geworden.
Hij werd van toen af door de Gestapo gevolgd, zijn Europäisches Reisebuch (1928) werd bij de uitgever in beslag genomen, zijn woning werd doorzocht en zijn reisvisum ingetrokken, zodat buitenlandse reizen onmogelijk werden. Men wilde hem zelfs arresteren, maar zo ver kwam het niet.
Publicaties:
Jungfräulichkeit. Ein Roman, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart 1906. (Heruitgave: Jungfräulichkeit. Geschichte einer Jugend und Liebe, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart 1920.)
Augenlust. Eine poetische Studie über die Erlebnis und ein Totentanzalphabet, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart 1907.
Peter Justus. Eine Komödie der Liebeshemmungen. Roman, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart 1912.
(uitgever) Alfred Rethels Briefe, Cassirer, Berlin, 1912.
Griechische Landschaften. Ein Versuch künstlerischen Erdbeschreibens, met illustraties door Julia von Broich, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart 1914.
Der Babylonische Turm. Geschichte der Sprachverwirrung einer Familie. Roman, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1918.
Die Insel. Novelle, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1918.
Die Bockreiter. Novelle, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1919.
Der Meister. Novelle, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1919.
Salz. Ein Roman in Verkleidungen, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1921.
Deel I.Der Knabe Vielnam, Szenen einer Jugend, vijf novellen, 1921.
Deel II. Der Jüngling in Masken. Fünf Erzählungen aus einem reifenden Leben, 1922.
Studien über Alfred Rethel, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1922.
Die Uhr von Gold. Erzählung, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1923.
Der Gletscher: Eine Geschichte aus Obermenschland, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart 1923.
Kleine Prosa, Lintz, Trier, 1923.
Der Urwald. Erzählung, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1924.
Selbstbildnis aus dem Jahre 1920, Gesellschaft der Bücherfreunde, Chemnitz, 1924.
(samen met Josef Winckler, Das Rheinbuch. Eine Festgabe rheinischer Dichter, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1925.
Architektur, die nicht gebaut wurde, 2 volumes, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1925.
Siebenquellen. Landschafts-Roman, Deutsche Buch-Gemeinschaft, Berlin, 1926.
Die Luganesische Landschaft, met 12 illustraties door Hermann Hesse en Julia Ponten, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1926.
Die letzte Reise. Eine Erzählung, Quitzow, Lübeck, 1926.
Rethels Hochzeitsreise. Erzählung von eines Künstlers Ende, Fischer, Berlijn, 1927.
Aus deutschen Dörfern zwischen Maas und Rhein und an der Wolga. Erlebnisse, Leipzig, 1927.
Die Studenten von Lyon, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1927.
Römisches Idyll, Horen, Berlin-Grunewald, 1927.
Europäisches Reisebuch. Landschaften, Räume, Menschen, Schünemann, Bremen, 1928.
Volk auf dem Wege. Roman der deutschen Unruhe, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart 1930 en vv.
Deel I, Wolga, Wolga, 1930.
Deel 2: Rhein und Wolga, 1931.
Deel 3: Rheinisches Zwischenspiel., 1937.
Deel 4: Die Heiligen der letzten Tage, 1938.
Deel 5: Der Zug nach dem Kaukasus, 1940.
Deel 6: Der Sprung ins Abenteuer, 1942.
Landschaftsbilder, Reclam, Leipzig 1931 en vv.
Deel 1: Zwischen Rhone und Wolga, 1931.
Deel 2: Aus griechischer Landschaft, 1933.
Deel 3: Besinnliche Fahrten im Wilden Westen, 1937.
Landschaft, Liebe, Leben. Novellen. Mit einer Darstellung des Dichters vom eigenen Leben, Deutsche Buch-Gemeinschaft, Berlin, 1934.
Heilige Berge Griechenlands, Styria, Graz 1936.
Noch einmal. Gedichte aus dem Nachlaß, Ellermann, Hamburg, 1944.
Bibliografie:
Titel: De huwelijksreis. Het einde van een kunstenaar
Auteur: Josef Ponten
Uitgever: Uitgeverij Van Maaskant Haun
Vertaler: Mattanja van den Bos
Jaren van uitgave: 1930, (oorspronkelijke uitgave), 2021 (eerste Nederlandse uitgave)
Aantal bladzijden: 123