Lezersrecensie
De stem van de één, het verhaal van de ander
Senegal, halverwege de 18e eeuw. Op één van de Franse handelsposten langs de kust werkt de jonge Franse botanicus Michel Adanson. Tijdens expedities brengt hij het lokale planten- en dierenleven in kaart. Hij heeft zich de meest gesproken taal van die regio, Wolof, eigen gemaakt om met de lokale bevolking te kunnen communiceren en zo komt het dat hij op een avond een bijzonder verhaal hoort. Dat verhaal gaat over een tot slaaf gemaakte jonge vrouw die verhandeld werd naar Amerika, maar terugkeerde naar Senegal. Is dit een mythe? Een sterk verhaal? Het verhaal laat de nieuwsgierige Adanson niet los en hij organiseert een expeditie om te zoeken naar deze vrouw. Een expeditie die hem de rest van zijn leven zal achtervolgen.
Michel Adanson heeft écht bestaan en verbleef halverwege de 18e eeuw ook écht in Senegal. Maar het avontuur in ‘Reis zonder terugkeer’ is bedacht door David Diop, een Frans-Senegalese schrijver en literatuurwetenschapper. Het boek verscheen oorspronkelijk als ‘La porte du voyage sans retour’ in 2021 en werd vertaald door Martine Woudt. Als literatuurwetenschapper verdiept Diop zich in de 18e eeuwse Franse literatuur en specifiek in hoe Franse schrijvers en wetenschappers toen schreven over Afrika en Afrikanen. Eerder schreef hij het prijswinnende ‘Frère d’âme’ (in het Nederlands vertaald als ‘Meer dan een broer’).
Dat Diop goed thuis is in de 18e eeuwse geschiedenis van Frankrijk en Senegal merk je meteen. Bijvoorbeeld aan het taalgebruik van de hoofdpersonen, dat nogal gedateerd aandoet. Of aan de traagheid van het plot en de eurocentrische manier van denken van de hoofdpersoon. Ook de opbouw van het boek is bijna klassiek te noemen: het is een raamvertelling waarbij verschillende verhaallijnen als het ware in elkaar opgesloten zitten. Dat het verhaal dan ook nog een soort spiegeling is van de mythe over Orpheus en Eurydice maakt het historische plaatje compleet. Toch zit er ook een keerzijde aan al die kennis: sommige passages lijken alleen toegevoegd om informatie over het leven in Senegal kwijt te kunnen, zonder dat dit iets bijdraagt aan het verhaal. Bijvoorbeeld een hoofdstuk over een feest in een dorp waar de expeditie van Adanson ‘bij toeval’ langskomt.
Die paar uitwijdingen teveel en de misschien wat onwaarschijnlijke plotwendingen zijn de schrijver vergeven, want ze dragen bij aan de sfeer. Je ziet het 18e eeuwse Senegal echt voor je. Wat wel bezwaarlijk of misschien eerder frustrerend is, is dat je dit ziet door de ogen van Michel Adanson, een 18e eeuwse Fransman. Daardoor krijg je als lezer nooit helemaal grip op de andere personages: de Senegalezen en specifiek Maram, de vrouw waar Adanson naar zoekt. Adanson projecteert zijn fantasieën op haar, maar wie is zij écht, wat motiveert haar? Dat blijft verborgen, want zij komt nooit zelf aan het woord, alleen via Adanson. Die heeft zich haar verhaal als het ware toegeëigend. Pas in het allerlaatste twee bladzijdes van het boek draait het perspectief en krijgt een ‘ander’ zelf een krachtige stem.
Waarschijnlijk is dit de boodschap van de literatuurwetenschapper Diop: dat 18e eeuwse Europeanen zichzelf veel te centraal stelden in de wereld, dat ze zich naast de grondstoffen ook de verhalen en zelfs het leed van anderen toeëigenden, Maar het lijkt alsof de literatuurwetenschapper de schrijver Diop een beetje in de weg zit: is deze versie ook de beste versie van het boek die de schrijver Diop had kunnen schrijven? En draagt hij met dit boek niet juist bij aan het exotiseren van de Afrikaanse vrouw? Dat zijn de vragen die door blijven malen na het lezen.