Lezersrecensie
De wereld, een raadsel
Cees Nooteboom komt al 50 jaar op het eiland Menorca. Hij heeft er een huis, gaat erheen op reis en komt toch thuis. Hij woont er in een wereld die hij min of meer zelf gecreëerd heeft. Een oude, witte boerderij met een terras en een tuin. Zoals hij zich in zijn reisverhalen verwondert over de wereld, lezen we in ‘533. Een dagenboek’ over zijn eigen wereld.
Hij ziet de cactussen die hij langgeleden geplant heeft. Ze zijn raadselachtig. Nooteboom probeert er met botanische boeken achter te komen hoe ze heten, maar dit lukt zelden. Voor zijn tuinman zijn alle cactussen gelijk en hebben geen aparte namen. ‘Zelf weten ze hun namen niet, maar dat schijnt ze niets te kunnen schelen’.
Nooteboom probeert ze te beschrijven, maar ook dat valt niet mee. Ze zijn allemaal groen en laten toch heel verschillende kleuren zien. Heeft een cactus een stam en zijtakken? Zijn de bladeren niet eerder een hand zonder vingers? Het lukt hem maar niet om via de taal door te dringen tot de cactussen om hem heen, ze onttrekken zich aan zijn beschrijving. Nooteboom kan ze zich niet eigen maken, want een beschrijving geeft zin en betekenis. Tussen de cactussen lopen schildpadden, nog zo’n wonderlijk leven waarin Nooteboom maar moeilijk kan doordringen: ‘Tachtig jaar op de wereld en geen idee van cactussen, spinnen, schildpadden. Ik zal dom sterven’.
Toch krijgt zijn microwereld kosmische proporties, want alles heeft zijn verwonderde aandacht. Zijn liefde voor motten bekoelt als hij ontdekt dat ze zijn palmbomen bedreigen. Een spin verschijnt zomaar op het plafond en maakt een web. Nooteboom ziet later een zwart stipje in het web en vraagt zich af wat het is: een prooi, een andere spin, vriend of vijand? Zijn spinnen kannibalen? Bewaren ze hun prooi omdat die dan lekkerder wordt?
Overdag kijkt hij naar de hemel om het weer te zien veranderen. ’s Avonds speurt hij de hemel af naar sterrenbeelden die hij niet steeds kan herkennen. ’s Ochtends luistert hij naar de geluiden: ‘Over een uur het ochtendconcert dat mij meestal wekt, hanen, honden, duiven, ganzen, geiten, de ezel met zijn wereldleed of zijn extatische vreugde, wie zal het zeggen? Ik ken zijn taal niet, alles wat ik weet is dat hij op onbestemde ogenblikken de nacht aan stukken scheurt met zijn onbarmhartige pathos, waarna niets meer hetzelfde is’. Zo’n trefzekere en komische formulering is typerend voor de stijl van het boek.
Het aandachtige observeren van Nooteboom heeft soms succes. Zo ontraadselt hij de zang van krekels die ‘[…] hun metafysische twijfel obsessief herhalen: het is niet dit / het is niet dat / ik weet niet wat - als je ze eenmaal gehoord hebt, raak je die zinnen nooit meer kwijt’. En ja, zo nu en dan denk ik aan die zinnen en ik knap er altijd van op. Nooteboom hoort vooral zijn eigen metafysische twijfel en zijn machteloze pogingen cactussen te beschrijven.
Her en der schrijft Nooteboom korte beschouwingen over schrijvers als Borges, Canetti, Dante, Joyce, Kafka en Nabokov. Ze zijn hem vertrouwd en hij is vaak met hen in gesprek. Nooteboom stelt vast dat de schrijvers waar hij van houdt, meestal niet van elkaar houden.
Nooteboom laat zien dat zijn microwereld op Menorca even rijk is en evenveel gedachten oproept als de macrowereld daarbuiten. De ene wereld is niet kleiner dan de andere, want Nooteboom is in beide werelden dezelfde. Hij verwondert zich over de wereld, laat sommige raadsels ervan zien en brengt zijn verwondering op ons over in een even trefzekere als poëtische stijl.