Lezersrecensie
Rambo Colter
Misschien spoilers… aan het eind heb ik de begin- en eindzinnen geciteerd.
Wie storm zaait heb ik tegelijk gelezen met Zuiverheid van Jonathan Franzen (zie voor mijn recensie aldaar). Beide worden ze geafficheerd als Great American Novels, en dat klopt ook. Waar Franzen zijn roman breed opzet, daar blijft Boyle dichter bij huis en laat zijn roman spelen rond een vader en een zoon. Vader Sten Stensen heeft in Vietnam gevochten en is nog steeds een opgewonden standje, maar kan zijn driftbuien redelijk in de hand houden. Zoon Adam (nomen est omen), die zich Colter noemt, naar de beruchte woudloper en ontdekker uit Amerika's eind 18e en begin 19e eeuw, ontspoort totaal.
Het begin en het einde van deze roman zijn ijzersterk; het tussenstuk is oké en prima. Daarom had ik een beetje moeite met mijn waardering maar geef ik toch vier sterren, vanwege dat fenomenale begin en einde.
De actie zit er in het begin al goed in wanneer vader Stensen op een reis met zijn vrouw in Costa Rica de berover van zijn groep Amerikaanse toeristen in een vlaag van woede en rechtvaardigheidsgevoel onschadelijk maakt. Even weet je als lezer niet of het met Stensen wel goed zal aflopen, of hij wel heelhuids naar huis (Calfornië, noord-westelijk deel) terug kan keren.
Een groot deel van het boek gaat over de toenemende paranoia, die gepaard gaat met excessief geweld, van zoon Adam. Deze heeft in de oudere Sara (ook al zo'n oud-testamentaire naam) zijn liefde voor het leven gevonden. Beiden geloven in hun recht als staatsburger van de Verenigde Staten maar niet in de overheid en in haar wetshandhavers. Waar Sara nog wel over enige realiteitszin beschikt - al betaalt ze haar boetes niet, en ook draagt ze geen belasting af - daar vereenzelvigt Adam zich steeds meer met de ruige woudloper John Colter (die echt bestaan heeft; dat is voor een Amerikaan waarschijnlijk de normaalste zaak van de wereld is, maar als Europeaan moet ik dat toch even opzoeken).
Je voelt op je klompen aan dat het niet goed gaat komen met die jongen. En je vreest dat de vader misschien wel dezelfde kant opgaat.
Beginzinnen: 'De zon stond loodrecht aan de hemel, er was geen ontkomen aan de hitte. Hij zweette als een otter, zijn ondergoed schuurde en zijn overhemd plakte alsof het op zijn rug was gelijmd.' (p. 9). Eindzinnen: 'Hier was de vlakke kant van de club en daar was de bal, hij zag het zo scherp alsof het beeld was bevroren in de tijd. En hij raakte de bal. Het was een voltreffer, hard, geen geweldig schot en zelfs geen goed schot, maar het balletje vloog weg, het beschreef een weidse boog in de richting van de enorme kom van de oceaan, en het bleef eindeloos doorrollen.' (p. 367)