Advertentie

Lead us, Evolution, lead us
Up the future's endless stair;
Chop us, change us, prod us, weed us.
For stagnation is despair:
Groping, guessing, yet progressing,
Lead us nobody knows where.

To whatever variation
Our posterity may turn
Hairy, squashy, or crustacean,
Bulbous-eyed or square of stern,
Tusked of toothless, mild or ruthless,
Et&...

(Clive Staples Lewis - Evolutionary Hymn)

Het is 2049 en het voortbestaan van het menselijk ras staat op het spel. Iedereen op aarde moet zich opmaken voor ‘The Final Battle’ : een plan om genetisch aangepaste kinderen in een daarvoor ontwikkelde incubator te plaatsen. Deze kinderen zullen achtereenvolgens gedragen worden, om later geboren en opgevoed te worden door deze machines. Gelukkig is er nog wel iets van hoop, een intelligente zogenaamde moedercode, welke in de machines is geprogrammeerd, waarmee iedere machine zo elk hun eigen karakter zal hebben.

De jongen K-Ai wordt in een woestijn in het zuidwesten van de VS geboren, en zijn enige metgezel vanaf zijn geboorte is Roh-Z, welke geprogrammeerd is met alle kennis en motivatie van de menselijke moeder, Rosie McBride. Roh-Z leert K-Ai overleven. Maar als de kinderen ouder worden, veranderen de bots ook.

Een handjevol overlevers van de pandemie eist dat K-Ai een keuze maakt en sommeren hem om zijn moederbot te vernietigen. Zal hij de band met de machine die hem opvoedde, beëindigen, en zal hij kiezen voor zijn soortgenoten en terugkeren naar een klein groepje mensen die de wereldwijde ramp heeft overleeft?

Op deze thematiek poogt Carole Stivers nader in te gaan in haar schrijversdebuut ‘De Moedercode.’
Beoogt, inderdaad, want ik vind dat er nogal wat schort aan deze sci-fi achtige thriller. Ondanks een fascinerend en actueel thema over transhumanisme, miste ik toch behoorlijk wat in de uitwerking ervan. In haar eigen vakgebied zal Stivers ongetwijfeld een autoriteit zijn, - zij behaalde eerder een doctoraat in de biochemie -, maar een goed verhaal schrijven is geen sinecure en behoeft naast gedegen onderzoek en liefde voor het vak, toch ook enig talent in die richting.

Het concept van transhumanistische samenlevingen die floreren na een sociale-, ecologische -, of humanitaire ramp is natuurlijk niet nieuw, deze worden dan meestal geportretteerd als eindresultaat van een wereld waarin dynamische, agressieve, en meer patriarchale culturen ontspoorden, terwijl succesvolle samenlevingen - veelal matriachaal georiënteerd van aard, die in nauwe verbinding met hun natuurlijke omgeving leven, niet competitief en bovenal vredelievend van aard zijn, dan als overlevende cultuur herrijzen.

Zo introduceert Stivers een linguïstisch matrilineaire samenleving als de Hopi, maar gaat zij jammer genoeg niet nader in op de enorme, fundamentele verschillen in samenlevingsvorm, leefomgeving en hun uitzonderlijke taalstructuur. (de meeste Indianentalen, en dus ook Hopi kennen geen recursie, een belangrijk kenmerk van de menselijke taal.) De kritische lezer zal zich afvragen waarom het in de eerste plaats te berde werd gebracht, terwijl een evenredig groot deel van haar publiek het naar alle waarschijnlijk als niet ter zake doende aan de kant zal schuiven of er achteloos overheen zal lezen. MIjns inziens heeft Stivers hier een kans laten liggen en had ze dit concept beter kunnen uitwerken.

Zij gaat veelal te laconiek met taal (-gebruik) , mythologie, symboliek en met thema’s als directe en indirecte kennisoverdracht om. Zo haalt zij heel terloops verscheidene keren in het boek Nāgas aan. Als wat? Als een etnisch, animistisch ingesteld volk, of als een semi-menselijk mythologisch wezen? Het blijven terloopse bommetjes, waarvan de impact in het verhaal als geheel helaas al snel ten onder gaan. Stivers had beter onderzoek moeten doen om het hier te benoemen, dan wel het beter weg te laten.

Het lijkt erop alsof zij de mens in al haar complexiteit slechts in haar fysieke verschijningsvorm heeft willen vergelijken, zij gaat niet nader in op onze gemeenschappelijke taal, onze cultuur, onze oorsprong, onze mythen, onze verhalen en onze legenden. De manier waarop wij als soort namelijk tegen de wereld aankijken, deze benoemen en vereeuwigen in onze religies, mythen en verhalen bepalen grotendeels hoe en wat wij belangrijk achten in deze observaties. Deze verhalen zijn daarmee vooral sterk moraliserend en educatief van aard, die elementen van een specifieke samenleving rechtvaardigen. Dat wil niet zeggen dat het beeld dat zij oproepen waar hoeft te zijn, het geeft slechts aan dat ze nuttig moeten zijn. Stivers kaart een aantal taalkundige, sociaal, - en culturele concepten slechts heel ad random aan, waardoor het gissen blijft naar zowel het nut als naar de betekenis in het verhaal. Naast de minimale karakterontwikkeling en deze ‘broodkruimels’ die ze her en der rondstrooit, is juist dit de reden, waarom de roman oppervlakkig en rommelig leest en slecht is uitgewerkt.

Het eerste deel van het verhaal begint hoopvol, al was er voor sommigen ook kritiek op het wetenschappelijk taalgebruik. Ik heb mij daar persoonlijk niet aan gestoord, wat bij betreft had zij deze lijn in de hele roman moeten doorzetten. Halverwege het boek verandert zij van koers, en komt de lezer in een soort YA roman terecht, waarin kinderen en robots een rol spelen. Geen vergelijkingen met menselijke taal en cultuuraspecten meer, maar de focus op de genetische omgebouwde kinderen, die plots moeten kiezen waar zij thuishoren. De karakters zijn erg stereotype en nauwelijks uitgewerkt. De kern van opvoeding, - namelijk het breken van gestelde regels -, wordt amper uitgewerkt, behalve door als voorbeeld een kind te laten sterven door passief gedrag.

De genetische technologie in haar roman in natuurlijk niet nieuw, - Wyndham maakte al gebruik van telepathie in zijn meesterlijke roman The Chrysalids in 1955 en ook is het fenomeen dat een robot als moeder van een mensenkind dient niet helemaal nieuw; in The Machine Stops van E.M. Forster (1909) zien we ook dat de (restanten) van de mensheid moet vertrouwen op gigantische machines, die hen in alles voorzien.

Goede SF of Fantasy valt of staat bij worldbuilding en de complexiteit als ook de uitwerking van een dergelijke wereld heeft Stivers mijns inziens schromelijk overschat.
Zo zijn vreemde, verre werelden als Arrakis, en Le Guin’s woestijn - en ijsplaneten voor mij volstrekt geloofwaardig gebleken, omdat zij als geen ander erin slaagden deze werelden volstrekt geloofwaardig uit te werken.

In het tweede deel van De Moeder Code stapt de lezer een Narnia 2.0 binnen, waarin alle magie en alle symboliek, - die weliswaar als losse flodders in het eerste deel van het verhaal zijn gestopt, als sneeuw voor de zon is verdwenen. Wat volgt is een triviaal gevecht tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ en de keuzes die de verschillende karakter achtereenvolgens maken om deze keuzes voor zichzelf te rechtvaardigen.

Indirect verwijst Stivers naar een pilgrimage door Narnia en de overstap van het magisch denken van een kind naar een volwassen wereld waarin het lijden begint en de realiteit soms aardig kan tegenvallen. Ik begrijp waar ze naar toe heeft willen gaan, en van mij mag je van alles vinden van het werk van C.S. Lewis, maar deze man was een autoriteit op het gebied van middeleeuwse en keltische symboliek, en kende hij als geen ander de (klassieke) mythologie, waar Stivers wel héél erg losjes mythologische wezens als de Naga hoepla tevoorschijn tovert. -- Erg, erg slordig.

Ik ben van mening dat Stivers veel meer uit dit verhaal heeft kunnen halen. Het tweede deel sluit niet bij aan bij het eerste deel, de karakters blijven onderontwikkeld, er is te weinig oog voor detail en opbouw van het verhaal.

Tot op de dag van vandaag is er nog steeds geen machine, die is geslaagd is voor de Turing test. Verre van dat zelfs. Een computer mag dan ‘s werelds beste schaker hebben verslagen, het winnende programma Deep Blue kan nog steeds geen zinnig gesprek voeren met een volwassenen.
Toch wil dat niet zeggen dat computers nooit in staat zullen zijn om te denken. Maar als ze dat doen, dan moeten ze ook zo kunnen functioneren, dat de symbolen die ze verwerken ook betekenis voor ze krijgen. Dat is niet alleen een kwestie van het programmeren van taalregels, maar de computer zou ook kennis van de wereld moeten verwerven, ongeveer zoals mensen dat doen. Dat zie ik robots voorlopig nog lang niet doen. Daarnaast, de hoop op onsterfelijkheid door het creëren van machines is een uniek fenomeen van onze tijd. Het is een mythe. Het idee dat er geen bovengrens bestaat voor wat een mens kan creëren is slechts een teken van menselijke arrogantie en waanzin.

Met de beste wil van de wereld kan ik dit boek niet naar een hoger niveau tillen, en is het helaas voor Stivers dat Hebban niet over halve sterren beschikt, afgrond naar beneden en twee sterren dus. En meer oefenen.


** sterren

Reacties op: The Last Battle...

24
De moedercode - Carole Stivers
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners