Lezersrecensie
Het psychopatenasiel
Wie tegenwoordig een kermisbokser in actie wil zien, moet naar Marokko afreizen. Daar op de Djemaa el Fna te Marrakesj gaan boksers en mensen uit het publiek elkaar nog te lijf. In het nachtelijk duister dansen bezwete lichamen terwijl de vuisten spreken.
Here weg is de tweede roman van Jan Veenstra die debuteerde met De zomer van ’59. Zijn romanpersonage Tjepko Dogge was zo’n kermisbokser. Jarenlang vermaakte hij als Redhead Paddy Malone het publiek van jaarmarkten en kermissen. Tot hij in de fout ging en iemand doodsloeg. Een fout die hij jaren later nog een tweede keer maakte. Hij krijgt TBS, de gevreesde straf van menig crimineel, al heette dat in de jaren zeventig nog TBR.
TBS en de duistere wereld van criminelen inspireert menig literair schrijver op dit moment. Harry Vaandrager schreef met Aan barrels een inktzwarte roman waarin vooral de taal en het denken van zware jongens een grote rol speelt. Michiel Stroink verplaatste zich ook in de denkwereld van de TBS-er met Of ik gek ben en deed dat met verve doordat hij die wereld goed kent. Al is het van de kant van de mensen die elke dag naar huis kunnen gaan. Jan Veenstra schreef met Here weg een roman die niet alleen de gedachtegang van de psychopaat toont maar ook de effecten laat zien van het verblijf in ‘de hel van Groningen’ zoals de Mesdagkliniek aan de Hereweg te Groningen wordt genoemd. Tegelijkertijd geeft hij een prachtig tijdsbeeld. Door de ogen van Tjepko zie je Nederland langzaam veranderen. Het is haast vanzelfsprekend dat hij vooral de daden en successen van moordenaars en boksers volgt.
Jan Veenstra beschrijft de wereld van de kermisbokser alsof hij er zelf een is geweest. In een vlotte stijl en met woorden die volks aandoen schetst hij de broeierige sfeer van weleer.
‘Meestal werkten wij met een jenner. Die stond tussen de toeschouwers de boel op te fokken. Zuigen, schelden, uitdagen. Bij een goeie liet het publiek zich meeslepen. Dacht dat hij een van hen was. Soms huurden we er een ter plaatste in. Een lokale kleerkast die bij de opbouw al een intimiderend kijkje kwam nemen.’
‘Natuurlijk ging het soms mis. Even niet opletten en je had een hijs te pakken of kwakte op je rug. Maar Rosita poetste alle pijntjes weg.Met een zak ijs, haar handen en haar make-up. Echte kwetsuren waren er zelden. Behalve die gebroken neus kan ik mij niets herinneren. Wij stonden er ook niet lang bij stil. Over een uur was immers de volgende voorstelling.’
Ook de geraffineerde wijze waarop Veenstra het denken van Tjepko duidelijk maakt, roept bewondering op. Zijn herinneringen aan zijn jeugd, zelfs aan zijn geboorte, spreken boekdelen. Die geboorte viel niet mee. Zijn moeder was er niet op gebouwd. Het resultaat was een kind met een veel te groot hoofd waarop een dikke bos peentjeshaar groeide. Later kwam er nog een zusje bij. En aan Wiesje moesten ze niet komen. ‘Als ze erom vroegen, sloeg ik erop.’
Die losse handen komen hem later van pas. Tjepko weet het zelfs tot sparring partner van Sonny Liston te schoppen. Maar die slaat het laatste restje verstand bij hem weg. Thuis gaat het niet veel beter. Moeder is te zwak voor het huishouden. Wiesje neemt die taak over en kruipt ’s nachts bij Tjekpo in bed.
‘Dan legt ze haar hoofd op mijn borst, haar been over mijn been. Mijn eerste stijve in het bijzijn van een vrouw. Maar ze weet het niet. Ze slaapt al.’
Tot nu toe voldoet de roman aan het pleidooi van een advocaat ter verdediging van een delinquent. Met zo’n begin, zo’n jeugd, kun je iemand toch niet straffen voor een daad die logisch voorkomt uit de loop der gebeurtenissen. We kennen deze loze praatjes vol gemeenplaatsen waarin een zwakke agressiehuishouding vaak een grote rol speelt. Toch moet je als lezer erkennen dat de daden van Tjepko begrijpelijk zijn, ondanks zijn afkeurenswaardige gedrag. Zijn eerste misstap kun je immers als de verdediging van een dienstmaat zien. De tweede keer, ook al was moord met voorbedachten rade, was ter verdediging van zijn eigen zus. Haar man sloeg haar en hij was nog een hoerenloper ook… Wie blijft daar bij toekijken…
Interessant is dat Tjepko wel degelijk een psychopaat is. Hij weet wat hij doet en deed en heeft daarbij een ijzingwekkend geduld. Daar waar hij in zijn jeugd er meteen impulsief op los sloeg, kan hij nu wachten. En weer zou je kunnen zeggen dat hij gelijk heeft. Maar dan blijkt pas hoe slim Jan Veenstra het boek in elkaar heeft gezet.
De hele roman volg je het leven van Tjepko en lees je wat hij leest. Hij volgt de opkomst van Rudi Koopmans, een onze beste boksers ooit. Daarnaast heeft hij een grote interesse voor moordenaars. Collegae die vaak heel wat meer moorden op hun naam hebben staan, komen stukken beter weg dan Tjepko. We lezen over Menten, de leden van de Rote Armee Fraktion, Gerrit Achterberg, Jim Jones en vele anderen. Ondertussen verlopen de jaren van zijn TBR en is er steeds weer de hoop op vrijkomen. Niet alleen Wiesje wacht op hem, er moet nog een rekening worden vereffend. Een losse opmerking van zijn zus heeft zijn suf geslagen hersens op het idee gebracht dat ze als klein meisje door ouderling Bruintjes is misbruikt. Tjepko kan niet verkroppen dat hij in datzelfde huis met Meccano speelde terwijl het gebeurde.
De grote vraag is natuurlijk of het werkelijk heeft plaatsgevonden. En daarmee gaat alle informatie die we via zijn gedachten en herinneringen hebben ontvangen, aan het wankelen. Is Tjepko niet gewoon een jaloerse idioot die dingen doet zonder na te denken? Is er geen sprake van een incestueuze verhouding? Dat zou het letterlijk doodslaan van de echtgenoot van Wiesje verklaren. Of is zelfs dat nog te rationeel? Sommige gedachten van Tjepko maken de lezer akelig duidelijk dat we hier met een ongeleid projectiel te maken hebben. Iemand voor wie zelfs zijn eigen zus niet veilig is…
‘De bloem op haar jurk die mee wiegt met iedere ademtocht. Een knie met een schram.
Ze is nietig, fragiel. Rank als geen één, lief als de hemel, begeerlijk als de hel.
Als ik nu haar keel dichtknijp is ze van alle ellende af.
Heregod!
De gedachte trekt een ijskoud, staalhard spoor door mijn lichaam. Als een mes dat van onderaf wordt opgehaald door mijn ingewanden.
Ik bevries. Waarom denk ik zoiets?
Zie je wel, ik ben gek. Ik ben de psychopaat die ze nooit weer vrij moeten laten.
Wiesje kapotmaken, Godver Wiesje!
Waarom? Schaamte voor mijn falen? Onmacht?
Stiekeme haat? Omdat ik alleen maar in dit gekkenhuis zit omdat zij bestaat?’
Jan Veenstra bespeelt de lezer op meesterlijke wijze. Slim als Tjepko Dogge manipuleert hij je tot een zienswijze, om die later in de roman onderuit te halen. De liefde van de oude kermisbokser voor Rudi Koopmans die elf partijen ongeslagen blijft, vormt een rode draad in het verhaal. Net als Tjepko’s passie voor Elvis. Flarden uit de liedjes van the King vormen een soundtrack maar ook een commentaar op dat wat er in zijn leven gebeurt. Veenstra schrijft zuinig in een taal die glashelder is. Hij is bijzonder sterk in dat wat men het ‘het schrijven tussen de regels’ noemt. Een mooi voorbeeld vormt de passage waarin Tjepko zijn vriendin Alice vertelt over zijn ouders en hoe hij is ontstaan:
‘Dat hij de mooiste vrouw van het dorp had getrouwd, zag hij als een bezoeking.’
‘Waarom trouwde hij dan?’
‘Een moetje. Ik was in één schot raak. Geen idee waarom ze met elkaar in het hooi waren gedoken.’
Alice lacht. ‘Wie weet was het lust. Dat komt voor.’ Het vlammetje van haar aansteker flakkert op.
‘Dat was dan snel voorbij.’
Here weg is een literaire roman die menig literaire thriller tot een lachertje maakt. Maar ik zou het boek te kort doen door het met lectuur te vergelijken. Here weg is een boek dat je als statement kunt lezen, maar liever nog als een knap in elkaar gezet verhaal waarvan ieder woord is doordacht. Here weg zet zich als een roman noir vast in je hoofd, als een film die je niet meer loslaat. Ook omdat er meer mensen als Tjepko in deze wereld rondlopen die wellicht denken dat jij als argeloze lezer hun iets hebt misdaan...