Lezersrecensie

Een boek met kloten


Ezra de Haan Ezra de Haan
26 mrt 2016

‘Zoveele boeken ik beoordeeld heb, zoveele vijanden heb ik gemaakt.’ (Conrad Busken Huet)

Slechts zelden dekt de wervende tekst achterop een boek de lading en ook bij het laatste boek van Arie Storm is dit het geval. Helaas voor Storm gaat ‘Arie Storm ontdekte tot zijn eigen verbazing dat de grond waarop hij is opgegroeid onmiskenbaar van invloed is op de romans die hij schrijft.’ zelfs geheel voorbij aan de werkelijke inhoud van het boek. Maar dat is iets dat we de auteur niet kunnen verwijten. Hoogstens dat hij tekort wordt gedaan. Het onontkoombaar eigene van de Nederlandse literatuur gaat namelijk veel verder dan het effect van de grond waarop Storm opgroeide op zijn schrijverschap. Hij schreef een boek over zichzelf, iets wat hij al vaker deed, en in het bijzonder over de schrijvers die hem beïnvloed hebben.

Arie Storm schrijft, naast zijn romans, recensies voor Het Parool en essays voor onder meer De Groene Amsterdammer, Bunker Hill en De Gids. Veel van deze zeer goed geschreven stukken vinden we in dit boek terug. De structuur maakt het tot een wandeling door de boekenkast van Storm. Maar nog meer geeft het een kijkje in de keuken van deze doorgaans zeer strenge recensent.

Storm zou Storm niet zijn als hij het boek niet autobiografisch opende. Wie zijn werk kent weet het: Storm is vorm. En ook een boek over de Nederlandse literatuur moet meer dan een verzameling boekbesprekingen en een eindconclusie zijn. De lezer wordt meteen deelgenoot van de lotgevallen van de ikfiguur die verdraaid veel van Arie Storm wegheeft. De man is redactielid van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam en heeft daar genoeg van. Zijn voorstellen worden genegeerd en vooral schrijvers die hij haat worden uitgenodigd. Dat hij daarnaast ook schrijver, vertaler en criticus is, wordt hem in de literaire wereld niet in dank afgenomen.

‘Het was nu eenmaal zo dat de literatuur in Nederland een bijzonder laag niveau had, maar vrijwel niemand scheen dat te kunnen of te willen zien, en de boodschapper van dit slechte nieuws had het dan ook gedaan. Eigenlijk was er in Nederland, op het werk van twee of drie schrijvers na, helemaal geen sprake van literaire activiteit van enige betekenis.’

Het eerste hoofdstuk van Het onontkoombaar eigene komt als een ware stormaanval op de Nederlandse letteren over. Als een dolleman schopt Storm, in de traditie van Jeroen Brouwers, om zich heen.

‘Nederland – of meer in het bijzonder Amsterdam – en literatuur vormden kortom een ongelukkige combinatie; allerlei rancuneuze, nepotistische en zich voor van alles en nog wat behalve dan voor literatuur interesserende lieden konden zich onderscheiden, kregen beurzen, verdeelden anderszins onderling subsidiegelden en schreven de literaire bijlagen van de kranten vol. Het werd tijd dat ik mij van deze wereld losmaakte.’

Wie het wereldje kent, herkent het wel en kan niet ontkomen aan het gevoel er een zekere genoegdoening in te zien. Het tweede hoofdstuk, ‘Het roesachtige, extreme schrijven’, schept alleen al door de titel verwachtingen. En weer belanden we in de wereld van Arie Storm, de schrijver die een gelukgevoel koppelt aan het schrijven van een roman of recensie. Hij is op zoek naar het radicale schrijven, het extreme schrijven. Of zoals Brakman het noemde ‘de afwezige aanwezige’. Storm noemt het: ‘Het schrijven waardoor je jezelf naar voren dringt en waardoor je tegelijkertijd verdwijnt. ’

Precies op het moment dat de lezer denkt: wanneer gaat die Storm eens over het eigene van de Nederlandse literatuur schrijven, blijkt hij er middenin te zitten. W.F. Hermans’ Nooit meer slapen blijkt een uitzondering op Storms regel dat het schrijven van een roman in de onvoltooid tegenwoordige tijd kinderachtige boeken op kan leveren. Arnon Grunberg is, volgens de criticus, in vergelijking met Hermans ‘toch meer een grapje’. Met kennis van zaken lezen we over plotdwang en dat wat Simon Vestdijk daarvan vond. Het boek blijkt een leerschool der letteren te zijn…tot Arie Storm weer terugschakelt naar de belevenissen van zijn ikfiguur. Hij vergelijkt zijn werkwijze met die van W.F. Hermans en concludeert: ‘Maar verder ben ik soms helemaal Willem Frederik Hermans.’ Het is een opmerking die je de wenkbrauwen doet fronsen.

In ‘Gevecht tegen ijdeltuiten’ schrijft hij over Conrad Busken Huet. De biografie, geschreven door Olf Praamstra, maakt van alles in hem los. Logisch, Busken Huet kon het zijn vaderland maar niet vergeven dat het internationaal zo’n bescheiden plaats innam. Het zijn woorden naar Storms hart. En in die geest maakt hij gehakt van schrijvers als Abdelkader Benali (‘een auteur die er niet direct om bekend staat dat hij echt Nederlands schrijft’), Marcel Möring (‘uitsluitend de kitsch blijft over’) en Elsbeth Etty (‘geen benul van zelfs maar de eenvoudigste romantechniek’).

Het blijft tobben in het schrijversleven van Arie Storm. Liefst hield hij zich bezig met ‘echte’ schrijvers als J.D. Salinger en Vladimir Nabokov. Beide auteurs hebben dan ook een grote invloed op zijn werk gehad. En Storm wil ons die informatie niet onthouden. De vraag aan zijn zus of ze voor The Catcher in the Rye of voor Hémans duik zou kiezen als ze naar een onbewoond eiland zou gaan, is de aanloop tot een uitleg van zijn romans De bruid en de kogel en Hémans duik. Langzaam maar zeker bekruipt mij de gedachte dat het boek eerder over de rol van Arie Storm in de Nederlandse literatuur gaat dan over dat wat de titel van het boek suggereerde.

Het hoofdstuk ‘Dwalen in Brakmanland’ bevestigt dat idee. Dit essay over het werk van Willem Brakman gaat net zo goed over Storm. Ik citeer wat regels: ‘Voor mij is Brakman een minder vreemde schrijver dan hij voor anderen is.’
‘Dat opgroeien in Den Haag heeft een beslissende invloed gehad op onze manier van kijken. Ik wil niet zeggen dat ik dezelfde blik heb als hij, maar ik meen die van hem in elk geval wel te herkennen.’
‘Als ik even stop met schrijven en mij omdraai, zie ik zijn boeken achter mij.’

De regels roepen een herinnering op, ik blader terug en lees in ‘Mijn Salingeriaanse leven’ de woorden: ‘Ik las The Catcher en was Holden, en Den Haag, waar ik aan het opgroeien was, werd naar ergens in Amerika verplaatst.’

Storm blijkt een kameleon, hij is Hermans, Brakman, Salinger en Nabokov. Althans… met een twist, zoals de Engelsen zeggen. Want ook in ‘De dubbele blik’ ontkent hij die invloed van andere schrijvers niet. Het hoofdstuk behandelt zijn roman Afgunst die deels schatplichtig is aan het Nabokovs Transparant Things en aan The War of the Worlds, de door Storm vertaalde roman van H.G. Wells. Arie Storm blijkt, beter dan welke recensent vóór hem, zeer goed zijn eigen boeken te kunnen bespreken. Hij trekt lijntjes naar het werk van Paul Auster en haalt K. Schippers erbij, om uiteindelijk bij een andere roman van eigen hand, De ongeborene, uit te komen.

Het onontkoombaar eigene van de Nederlandse literatuur is een bijzonder boek, een merkwaardig boek wellicht, maar overduidelijk met passie geschreven. Het is een boek met kloten. Dat Arie Storm over zichzelf schrijft kan ik mij nu voorstellen. Het boek spreekt voor zich. Toch vraag ik mij af waarom hij zijn talent in boekbesprekingen blijft stoppen, gif spuit waar hij schrijven kan. In zijn essay over Brakman hekelt hij Kluun, Grunberg en Pascal Mercier op listige wijze, maar zou het niet beter zijn die roman te schrijven die iedereen het nakijken geeft? Hopelijk heeft Storm met Het onontkoombaar eigene van de Nederlandse literatuur zijn gram gehaald en kan hij nu weer met verder met zijn oeuvre.

Reacties

Meer recensies van Ezra de Haan

Boeken van dezelfde auteur