Lezersrecensie

Het leuke van lelijke vrouwen is dat ze er altijd voor te porren zijn


Ezra de Haan Ezra de Haan
26 mrt 2016

De carrière van P.F. Thomése had een vliegende start. Met zijn debuut Zuidland (1990) verdiende hij meteen de AKO Literatuurprijs. Vervolgens verschenen de romans Heldenjaren (1994) en Het zesde bedrijf (1999) en de verhalenbundel Haagse liefde & De vieze engel (1996). Met Schaduwkind (2003) plaatst Thomése zich tussen de echt grote schrijvers van Nederland. Het boek is sindsdien een noodzakelijk boek op de planken van de boekhandel gebleven. Onverdroten schrijft Thomése voort. In 2005 komt Izak uit, in 2007 Vladiwostok, in 2009 Nergensman, in 2010 De weldoener en in 2012 Grillroom Jeruzalem.

Los van deze, toch al vrij diverse, reeks publicaties schrijft Thomése over het personage J. Kessels. Voor het eerst komen we hem tegen in de verhalenbundel Greatest Hits (2000) en meteen blijkt hij op een schare fans te kunnen rekenen. Zijn schepper begreep dat hij de lezer en zichzelf het genot van een roman over J. Kessels moest gunnen. In 2009 is het zover als J. Kessels: The Novel verschijnt. Het is een hilarische roadnovel die tot lachen en doorlezen dwingt. Met Het bamischandaal (2012) schrijft Thomése verder aan de perikelen van J. Kessels. Deze keer is niet Hamburg maar Shanghai het reisdoel en dat heeft zo zijn gevolgen…

Zoals het een goed schrijver betaamt, is P.F. Thomése visionair. Ruim voordat de boekhandel zich in wel honderdvijftig tinten grijs zou gaan dompelen, schreef hij al aan het vervolg op J. Kessels: The Novel. Hierdoor bestaat er nu een manlijke tegenhanger van de veel gelezen en soms gewraakte bestsellerreeks. Zichzelf in de maling nemend heeft Thomése op de achterkant van het boek ‘Niet beter, wel heter!’ laten drukken.

Doordat J. Kessels verliefd wordt op een beauty van de afhaalchinees in Tilburg-Noord en vervolgens met haar naar Shanghai afreist, voelt hij zich gedwongen zijn beste vriend terzijde te staan. Samen met Peerke Sonnemans uit de Sigaarstraat komt hij aan de zelfkant van de Chinese havenstad terecht. Eenmaal daar valt ook hij ten prooi aan de verlokkingen van een vrouw, nota bene een ‘geil wijf’ uit Aarle-Rixtel. Wie, zoals menig Nederlander, uitgaat van de avonturen van Kuifje in het album De blauwe lotus wanneer hij zich een beeld van China wil vormen, komt bedrogen uit. Alles blijkt anders. De bami smaakt nergens zo goed als in Holland en zelfs een voetbalwedstrijd tussen NAC en Willem II blijkt in China heel anders bekeken te worden…

Het bamischandaal is een heerlijk en vooral schaamteloos mannenboek. Neem de eerste regel van de proloog ‘Voorspel’ geheten: ‘Precies op dit moment ligt J.Kessels op zijn kamer in het Cockroach Hotel te Shangha i”zichzelf een hand te geven”, zoals de Chinese uitdrukking luidt: een sjekkie in de verkeerde hand en gaan met die banaan.’

Je zou bijna op het idee komen dat Thomése in de voetsporen van Jan Cremer loopt. Maar daar is hij een veel te goede schrijver voor. Op dezelfde eerste pagina laat hij de betere lezer zien dat het niet alleen om een ‘hete’ roman gaat maar ook om een uiterst literaire. Thomése spreekt zijn karakter bestraffend toe:

‘Wacht eens even vriend. Al sta je met je doorleefde kanis wederom op het omslag, het is nog altijd mijn roman. En dan ga je niet uitgebreid liggen onaneren alsof je thuis bent. Op de eerste pagina nog wel, gatverdamme. Dat doe je niet. Zo werkt literatuur niet. Daar zijn we het met zijn allen zo langzamerhand wel over eens.’

Hier zien we meteen het spel dat Thomése speelt. Wie gaat hem eigenlijk vertellen wat literatuur is? Dat maakt hij zelf wel uit. Hij mag zijn J.Kessels-verhalen dan wel een uit de hand gelopen grap noemen, het boek is meer dan dat. Althans voor degene die het wil zien.

Los van de handeling, die je op vrijwel iedere pagina doet schateren of glimlachen, is Het bamischandaal een boek over schrijven. Thomése laat zien hoe je dat nu eigenlijk doet en neemt zijn collegae daarbij soms stevig in de maling.

Neem het aantal karakters in het boek, wat is de gedachte daarachter? Thomése schrijft: ‘Ik kon hier in Shanghai best nog wel een extra halvegare gebruiken. Aan elke hand één. En ik in het midden. Voor het evenwicht. Zonder J. Kessels moest ik toch iets.’ Omdat iemand de schuld moet krijgen van het feit dat het boek geen bestseller gaat worden, ontstaan de personages Peer Sonnemans en de Schel. ‘Als schrijver kunnen ze je niet voor alles aansprakelijk stellen,’ noteert Thomése. Steeds weer jongleert hij met de vraag of het personage Thomése in het boek en Thomése de schrijver wel één en dezelfde persoon zijn.

Die vraag trekt hij door tot in het absurde. Wanneer het personage de Schel in het boek een iets te grote mond tegen P.F. Thomése krijgt, reageert P.F. Thomése, de schrijver, meteen. ‘Hoho makker, effe dimmen, dacht ik bij mijzelf. Het is nog altijd mijn roman en anders die van J. Kessels. Je mag blij zijn dat je erin staat, zou ik zeggen.’ Doordat het verhaal voortdurend lachwekkend is, vergeet je eigenlijk op dit spelen met de vorm te letten. Thomése stapelt de ene idioterie op de andere. Neem Peer Sonnemans’ opmerking over de restaurants: ‘Moet dit China voorstellen? Ik heb nog geen fatsoenlijke Chinees gezien.’ Of de ‘Chinese’ spreekwoorden waar de Thomése in de roman het over heeft. ‘De vleugelslag van een vlinder is sterker dan een leger olifanten. Wie eenmaal springt, zal tweemaal vallen.’ Nog mooier zijn de krankzinnige dialogen.

‘De bami is hier niet te vreten,’ beweerde de Schel met grote stelligheid.
‘Maar we zijn hier in China!’ riep ik.
‘Ja, in China,’ zei de Schel, de oosterse rust en wijsheid zelve. ‘En daar moet je niet voor de bami zijn. Dat is algemeen bekend.’
De rösti daarentegen.
‘Hoe? Wat? Welk?’vroeg Peer.
De Schel vertelde dat hij een tent kende die de beste rösti van heel Shanghai serveerde. Ik wist niet of dat een aanbeveling was, maar voor hemzelf in elk geval wel.
‘Met flink veel kaas erin! Laat dat maar aan de Chinezen over.’

Natuurlijk zullen er Thomése fans zijn die hun neus voor de avonturen van J. Kessels ophalen, om niet te spreken van de critici. Maar de schrijver is hen voor. Hij geeft de Thomése in het boek dezelfde gedachte.

‘Waar sloeg het allemaal op!? Een schrijver zoals ik, wie ik ook was, had toch heel wat belangrijker dingen om over te schrijven? Dingen die de literatuur waardig waren, om het voor de verandering een keer correct te formuleren. Die de mensheid een stapje verder gingen brengen. In een richting waar de geachte dames en heren van de mensheid op zaten te wachten. Nou, op dit lamlendige bamigelul zaten ze in elk geval niet te wachten.’

En om de boel helemaal op scherp te zetten gaat hij een stukje verder in de roman daar weer helemaal tegenin. Hij lacht alles en iedereen uit. Zijn roman is immers zijn speeltuin. En terwijl hij de zoveelste seksuele uitspatting met Det beleeft, lacht hij om de al te serieuze schrijvertjes in Nederland.

‘Dit was pas schrijven! Geen wonder dat ik zo werd benijd door mijn ploeterende collega’s thuis te lande, die het met een stuk minder moesten doen. Nee, het leven was geen lolletje voor de modale Nederlandse schrijver. Zuchtend onder schema’s, meerjarenplannen, subsidieproblemen, werklunches, honderdvierentwintigste versies en nooit iets lekkers tussendoor.’

Gelukkig lacht de auteur ook om zichzelf wanneer hij, P.F. Thomése, J. Kessels eindelijk in Shanghai weet te vinden doordat hij het hoestje van Kessels herkent.

‘Maar het leek mij té onwaarschijnlijk dat in deze stad van twintig à vijfentwintig miljoen zielen J. Kessels en ik, los van elkaar en met losse vrouwen, in hetzelfde hotel terecht waren gekomen. Dergelijke onwaarschijnlijkheden kwam je alleen in slechte films en slechte romans tegen, waar alles tegen het einde nog even snel aan elkaar gebreid moet worden.’

En zo hilarisch als Het bamischandaal ook blijft, eigenlijk is en blijft het een krankzinnig taalbouwsel dat je keer op keer op het feit wijst dat het maar een fantasietje van de schrijver is.

‘Wat doe je hier eigenlijk?’
Ik haalde mijn schouders op. Hoewel ik er begrip voor had dat hij nog geen tijd had kunnen vinden om deze nieuwe J. Kessels-roman te lezen, mede door zijn eigen verdwijning natuurlijk, betwijfelde ik of het zin had hem het hele verhaal alsnog op te dissen. Ik zou bij het eind moeten beginnen, bij zijn intrede, waardoor ik gedwongen werd het hele verhaal achterstevoren te vertellen. Ik kon er immers alleen nog van achteren in. Dat schijnen ze in China de normaalste zaak van de wereld te vinden, een boek van achteren naar voren lezen, maar ik begon er mooi niet aan.’

Het bamischandaal is het derde boek en de tweede roman waarin J. Kessels dankzij P.F. Thomése de literaire wereld op zijn kop zet. Ik hoop dan ook oprecht dat wat de auteur schrijft waarheid is en blijft. ‘Ik was immers P.F. Thomése, de bekende schrijver, die op grond van zijn literaire reputatie een hele roman lang allerlei loslopende wijven zo gek wist te krijgen dat ze botergeil van hem werden.’ Want zolang Thomése hierdoor zulke leuke, in feite postmoderne, boeken blijft schrijven zal er nog lang in de Nederlandse literatuur gelachen worden. Ik kan niet wachten tot de volgende J. Kessels verschijnt.

Reacties

Meer recensies van Ezra de Haan

Boeken van dezelfde auteur