Lezersrecensie

De kus smeedt het afscheid


Ezra de Haan Ezra de Haan
8 mrt 2016

Wie Aart Broeks Het lichten van de jaren leest, denkt met weemoed terug aan de tijd toen politiek, geloof en cultuur nog samengingen. De betere politicus was welbespraakt, kende zijn klassiekers en schroomde niet die te gebruiken wanneer dat noodzakelijk was. En ook vrijmoedige, toen nog moderne auteurs als Jan Wolkers en Gerard Reve kwamen er zonder gêne voor uit dat de Bijbel, met name het Oude Testament, altijd en voortdurend een inspiratiebron voor hen was geweest.

Aart Broek schreef De terreur van schaamte (2007) en Het zilt van de passaten (2000), essays over de botsing van culturen waarbij filosofische vragen op het breukvlak van psychologie en moraal niet uit de weg worden gegaan. Broek is een kenner van de Caribische literatuur en bracht twintig jaar door op Curaçao. Zijn terugkeer naar Nederland in 2001 confronteerde hem met ‘weerbarstige ervaringen’. Hartstocht, liefde en vriendschap kwamen onder druk te staan. De neerslag daarvan vinden we terug in zijn dichtbundel Het lichten van de jaren.

De citaten uit de Statenvertaling en Tip Maruggs De biecht die aan Het onsterfelijke rif voorafgaan, maken duidelijk dat het inderdaad om een biecht gaat. De woorden ‘In zonde ontvangen, lust tot waarheid en ontzondig mij’ uit Psalm 51,7-9 spreken boekdelen en met die woorden in gedachte lees je de gedichten die volgen. De reeks, die uit vier gedichten bestaat, opent sterk met een natuurbeschrijving die stormachtig van toon is. Broek schetst het uitzicht waaraan hij zich twintig jaar heeft kunnen verlustigen, dat van de Caribische kust.

‘En de golven, woest van onmacht, vraten de stranden
uit de gekartelde kust en kotsten het zielloze zand
over het wiegende koraal, dat stikkende stierf, verschoot
tot vale schijn van diepten die slechts het verlangen
naar het tijdloos strelen van het zilte zonlicht
uit onbereikbare hoogten koesterden.’

Los van het veelvuldig gebruik van alliteratie valt meteen op dat dit fragment meer beschrijft dan een mooi, zonnig eiland bij storm. Het is duidelijk dat Aart Broek de natuur als metafoor gebruikt voor de beschrijving van gevoelens. Gezien vanuit die context maakt de dichter duidelijk dat hier een verhaal van passie gaat volgen, een van onmacht en verlangen en waarbij onbereikbaarheid een grote rol zal gaan spelen. Het tweede gedicht laat het natuurbeeld al meer los. De golven zijn niet langer die van zee maar zijn ‘woest van wellust’. De dichter geeft zich bloot in poëzie (hieronder iets verkort geciteerd) die erotisch te noemen is ondanks de vaak briljante verhulling ervan.

‘Nee, geen strelende vingers of tong, die - glijdend
door haartjes als jong wier - treiterend teder het willende lijf:
dat van haar en van mij, laten kronkelen; die de geil
beschonken, begerig geopende hartstocht, die van haar en
van mij, laten gloeien...’

Terwijl ik dit gedicht lees, herinner ik mij het citaat, Psalm 51,7-9. Gij hebt de lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij wijsheid bekend. De dichter wil iets vertellen maar hult zich nog in nevelen. Hij geeft aan en het is aan de lezer om het te zien.

‘Mijn eigen handen verstikken
het verlangen: verschoten tot vale schijn: de lust
in mannen, die nu in onbereikbare nabijheid
gaandeweg en gestaag stolt.’

De verstaander begrijpt het al. Hier is sprake van strijd. Aart Broek geeft die worsteling weer in de laatste regels van dit gedicht.

‘Door handen en verheven woorden die de begeerte nooit
hebben weten te weren, daar het is gegeven ver vóór
de feilbare bezwering van de toga onder de kansel.’

Het derde gedicht laat het natuurgeweld even los. Daarvoor komt iets in de plaats dat haast op een smeekbede lijkt. ‘G.- Leidt me niet, redeloos in vervaarlijk tij’. Het doet denken aan: En leidt mij niet in verzoeking. Een verzoeking die meteen in dit gedicht wordt verbeeld. Het vervaarlijk tij is hem liever dan ‘de klungelige loosheid van breedgeschouderde fierheid, het broze vaderschap en de lamme feminiene lust’. De dichter windt er niet langer doekjes om. Hij beschrijft zijn droomwens en laat ‘het tijdloos strelen door het zilte licht uit onbereikbaar gewaande hoogten’ uiteindelijk weer overgaan in een natuurbeschrijving. Het afbrokkelende rif is daarbij de metafoor voor zijn weerstand, zijn standvastigheid die onverbiddelijk verdwijnt.

Het vierde gedicht laat beide liefdes samenkomen, G. en M. Het lijken haast notities, kattenbelletjes rond de schuldvraag, gestoken in de vorm van een natuurbeschrijving. ‘Een eiland verzonken’ bestaat uit slechts een gedicht. Het beschrijft het eiland bij nacht en daarmee het heimelijke van de liefde.

‘Je gleed geruisloos langs de cactuszuilen de nacht in.
Naalden scheurden flarden uit ons leven, die terstond
verdroogden in de zilte wind.’

Het gedicht is een brug naar een lange reeks gedichten die ‘De kus’ heet en uit zeven gedichten bestaat. Ook nu zijn de door Aart Broek gekozen citaten uit de Statenvertaling en de Nieuwe Bijbelvertaling overduidelijk. ‘Uw liefde was mij wonderlijker dan de liefde der vrouwen’ of ‘Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen’. Wat volgt is poëzie in parlando. Of het gedachten zijn rond zijn geliefde of de woorden die hij tot hem spreekt blijft in het midden. Ze gaan terug tot de prille jeugd, zijn helder van taal en even lijkt de dichter zijn metaforen niet langer nodig te hebben. De gekozen woorden gaan verder dan de particuliere liefde, de taal is universeel en van alle tijden.

‘Ik heb duizenden woorden van je. Om je blijvend
te horen. Ik mis je. Liefde wonderlijker. Je bent
gebleven en verdween woordeloos.’

In het derde gedicht van deze reeks valt op hoe mooi Broek met zijn citaten speelt.

‘Jij zocht niet iets anders dan ik. Mannen als jochies
vrij van vrees. Jij door mij en ik door jou. Wonder-
lijker dan liefde van vrouwen.’

Toch is het eindig en dat einde beschrijft Aart Broek in het zevende gedicht. Ook nu zijn de woorden weer herkenbaar. Pijnlijk en herkenbaar.

‘En dan grijpen we mis. Zelfs de woorden
beklijven niet. Mijn vriend, alles komt om te verdwijnen
en, verdwenen, om nooit meer over leven te beschikken.
De kus smeedt het afscheid en snijdt de scheiding.’

Wie de liefde kent, kent ook de pijn van het afscheid. Hoe daarmee om te gaan beschrijft Aart Broek in ‘Istanbul of Het gemeenzaam helen’. Bij de citaten gaat hij nu zelfs bij de Koran te rade. In die tekst wordt toevlucht gezocht bij de Heer tegen het kwade van de boze influisteringen en van het kwade van de benijder wanneer deze benijdt. Slechts twee gedichten volgen de citaten. Een waarin de dichter een Turkse hamam, een badhuis, beschrijft en de taferelen die zich daar afspelen. Niet voor niets citeert hij ‘het kwade van de benijder wanneer deze benijdt’. En een tweede waarin het langzame vergeten beschreven wordt.

Pas bij de laatste reeks gedichten van deze bundel komen we de titel tegen, Het lichten van de jaren. Het is een verwijzing naar het lichten, het uit het water takelen, van scheepswrakken. Toch ontkom je er niet aan om ook het licht van de zon in de titel terug te zien. Wellicht als gevolg van de omslag waarop de zon, die net even achter de wolken schuilt, je een moment later zeker zal gaan verblinden. De laatste drie gedichten beginnen weer met de zee, net zoals het boek begon. Het zinnelijke, erotische van de natuur heeft plaatsgemaakt voor walging. De zee is misselijk makend geworden. ‘Tot je grauwgeel gal braakt’. De dichter maakt schoon schip. Hij laat de ervaring achter zich en schrijft tegelijkertijd geschiedenis. Die prachtige, geile zee van weleer blijkt vol van lijven en lijken. De deportatie van de caiquetios, een indianenstam, en hun teloorgang, de ondergang van het fregatschip Alphen, het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, alles komt ter sprake. Heel terecht schrijft Broek: geen zoet water om de geschiedenis afdoende te schonen. Mooi is het hoe hij deze opmerking in twee richtingen laat gaan.

Het lichten van de jaren is een zeer bijzondere dichtbundel geworden waarin de dichter zich ongelooflijk bloot durft te geven en zijn liefde en passie paart aan die voor het Caribisch gebied. Juist door de wereld die hij het beste kent als metafoor te gebruiken kon hij meer zeggen dan hij wellicht zelf wilde of durfde.

Reacties

Meer recensies van Ezra de Haan

Boeken van dezelfde auteur