Lezersrecensie
‘Anil is dood
Al enige tijd speelt de dood, en daardoor de rouw, een belangrijker rol in onze samenleving dan voorheen. Waarschijnlijk begon het met de (inter)nationale rouw na het sterven van Lady Di. In Nederland denk ik meteen aan de groteske taferelen rond het eerbetoon aan Pim Fortuyn of André Hazes. Dit jaar is er een nieuwe fenomeen bijgekomen, dat van de beste vriend die een eerbetoon schrijft. En ik begreep meteen dat het moed vereist. Want hoe blijf je zelf buiten schot? En hoe eerlijk kun en wil je zijn in je schrijven?
Dirk van Weelden was de eerste die de droevige taak op zich nam over een overleden vriend te schrijven en hij deed dat zoals we dat van hem gewend zijn. Het laatste jaar werd een boek over een vriendschap met randjes. Helaas koos de auteur voor een vorm die zo prominent was dat het verhaal eronder leed. En daarmee kwam, weer, het verschil tussen Martin Bril en Dirk van Weelden tevoorschijn. Het korte, heldere van de columns van Bril tegenover de zeer doorwrochte, elitaire romans van de ander. Het succes van de een en de zucht erna van de ander. Toch kun je Van Weelden van alles verwijten, maar niet dat hij niet bijzonder eerlijk is geweest.
Stephan Sanders koos voor een heel bijzondere vorm in zijn boekje over Anil Ramdas. Het woord boekje klinkt negatief maar is niet zo bedoeld. Het zijn weliswaar slechts 126 pagina’s en boekje zou dus op zijn plaats zijn, maar het gaat mij ook om de woorden: een boekje opendoen, denken. De titel van het boek doet aan die van Van Weelden denken: Iets meer dan een seizoen. Waar de een het in de titel over het laatste jaar heeft, het jaar waarin de vriendschap weer even werd als voorheen, durft Sanders aan te geven dat zijn vriendschap ‘iets meer dan een seizoen’ duurde. Tegelijkertijd refereert de titel aan Sanders’ kortstondige verblijf in Almere. Seizoenswerk noemt Sanders cynisch de periode van februari tot en met juni 2010 die hij als schrijver op verzoek van de Almeerse gemeenteraad in de polderstad doorbracht.
Toch is de periode in Almere cruciaal voor het boek over Ramdas geweest. Sanders wilde over zijn door eigen hand gestorven vriend schrijven, maar hoe? Overmand als hij was door woede en verdriet, diende zich niet direct een vorm aan. Frits Huis, een Almeers politicus, gaf hem een goede raad toen ze over het schrijven over Almere spraken. ‘Je moet helemaal niet over Almere schrijven. Hoe lang heeft Gerard Reve in Greonterp gewoond? Geen woord over dat gehucht, alleen zeer indirect. Je moet niet schrijven over de mensen waar je tussen leeft.’ Het zijn de woorden van Huis die doorklinken als Sanders over zijn beste vriend schrijft. De truc lukt, Ramdas wordt Almere en de tekst staat als een huis.
In het begin van Iets meer dan een seizoen merk je dat die omtrekkende beweging nog niet wordt gebruikt. Blijkbaar is die er later, al schrijvende, ingekomen. Het begint dus met voorspelbare nostalgie naar de mooie, ambitieuze jongens die ze ooit waren. Stephan Sanders, toen nog redacteur bij De Groene Amsterdammer, Anil Ramdas, de schrijver van De strijd van de dansers die Sanders met brieven en telefonades bestookte omdat hij door hem besproken wilde worden.
Kleur speelt in hun denken een rol. Sanders schrijft over het portret achter op Ramdas’ boek: ‘Een jonge, Surinaamse man. Geen neger - veel beter was ik toen niet ingevoerd in de Surinaamse verhoudingen.’ Over hun eerste ontmoeting schrijft hij: ‘Hij riep bijvoorbeeld meteen: “Maar jij bent ook bruin”, en dat was niet minder dan een hartenkreet, een constatering die alles verklaarde, maar die mij enkel deed blozen.’ Sanders wordt Ramdas’ Caribische broeder en Anil geeft hem meteen de houding die daarbij hoort. ‘Een bruine houding moest het zijn.’ Het is het begin van een intensieve samenwerking, veel gezamenlijke buitenlandse reizen en een eeuwige zielsverwantschap. Althans dat was de bedoeling en daar leek het in het begin ook op.
Maar al snel blijken ze totaal anders in het leven te staan. De negatieve kijk en houding van Ramdas staat haaks op die van Sanders die naar een verklaring voor dit gedrag begint te zoeken. ‘De wraak van een linkse Hindoestaanse jongeman op het Suriname uit zijn jeugd, de vernederende verhalen van zijn grootouders, de contractarbeiders?’ Het zelf de koloniaal uit willen hangen? Sanders probeerde vaak de situatie te redden, na onmogelijk gedrag van Ramdas. Iets wat niet in dank ontvangen werd. ‘Dat was behoorlijk bourgeois van mij, en typisch Eerste Wereld Gedrag.’ Sanders schetst voorbeeldig hoe deze houding bij Ramdas tot stand moet zijn gekomen. Gruwelijk is de scène waarin Ramdas iets te drinken wil bestellen en om zijn kleur wordt genegeerd. Omdat hij zwart is en dat, nota bene, op Curaçao. De situatie maakt de cowboy in Sanders los. Hij geeft een klap op de bar en beveelt: ‘Woman, give that man a beer!’ Jarenlang blijft het een anekdote die Ramdas keer op keer blijft vertellen. Het wordt de metafoor voor hun broederschap. ‘Nieltje’ mag altijd drinken van Sanders.
En dan krijgt het boek een draai. We belanden met Sanders in Almere, de gedroomde stad voor sommigen, de vermaledijde stad voor anderen. Zeker nadat de PVV daar een grote verkiezingsoverwinning heeft behaald. Sanders schrijft eerst met de nodige reserves over de stad, begint er dan aan te wennen en krijgt dan langzaam meer oog voor waar hij eerst aan voorbij ging. Tegelijkertijd lardeert hij zijn verhaal met flarden van momenten met Ramdas. Zijn politieke denken en zijn angst voor het ‘Bruine gevaar’. Zijn problemen met alcohol. Ook sluipt de verwatering van de vriendschap het boek binnen. Sanders gebruikt de woorden jaloezie, verraad, concurrentie, broedertwist en verwijst, heel terecht, naar de Griekse tragedie. ‘Vroeger konden we eroverheen drinken. Vroeger dronken we zoiets weg.’
Stephan was, en is, een te scherpe observator om aan de waarheid voorbij te gaan. Zijn woorden over Anil Ramdas mogen misschien niet vriendelijk zijn, ze zijn wel pijnlijk waar.
‘Anil was een achterblijver, de beheerder van een failliete boedel, die ziet dat zijn levenswerk toen hij even niet oplette een andere richting heeft genomen dan hem oorspronkelijk voor ogen stond. De man die zichzelf en zijn idealen “overleefd” heeft en dus “overbodig” dreigt te worden.’
‘Anil Ramdas werd niet meer serieus genomen, althans, niet zo serieus als behoorlijk zou zijn. Hij was zijn veelbelovendheid kwijtgeraakt – dat gebeurt met elk talent dat geen eendagsvlieg blijkt te zijn. Maar erger nog: hij was “verwaarloosbaar” geworden.’
Het is een situatie die niemand ambieert en zeker iemand als Ramdas niet. Die had zijn portie al gehad. Het verhaal dat Sanders over Ramdas’ jeugd ophaalt, liegt er niet om. Die tienerjaren waren niet makkelijk in Paramaribo. Samen met zijn moeder probeerde hij, voor de buitenwereld, een bepaalde klasse voor te stellen. Maar de middelen daartoe ontbraken. Het huis was ruim, maar leeg. Niemand kon op bezoek komen. Er werd bezuinigd op het eten en de jonge Anil kende ‘vlagen van honger’. Hij stal soms wat blikjes bij zijn vader. Belangrijk was: ‘Geen woord tegen niemand, we laten ons niet te schande maken.’ Zo ontstond Anil Ramdas, ‘een jongeman, met een bijzonder talent bovendien: voor verhalen, voor fabuleren, voor keeping face en grootspraak.’
Ondertussen schrijft Sanders door over Almere, de stad die zoveel verwachtingen waar moest maken en uiteindelijk een tochthol werd voor vluchtende Amsterdammers. Dat Almere wordt een metafoor voor Anil Ramdas. Veelbelovend en toch… Sanders gebruikt de metafoor met verve.
‘Kan een stad mislukken? Ik geloof het niet, een plan kan mislukken maar een stad niet.Net zomin als een leven - dat kan anders lopen dan verwacht, gehoopt, voorzien, gewild en nog zo wat. Het kan stranden in middelmaat, verworden tot sleur, uitlopen op een deceptie. Maar mislukken kan een leven niet.’
Moedig zijn Stephan Sanders’ woorden als hij naar zijn eigen rol in de teloorgang van Anil Ramdas kijkt. Hij weet waar en wanneer hij een nieuwe samenwerking uit de weg ging, geeft zichzelf mede de schuld als hij het over de drankproblemen van zijn vriend heeft. Was hij niet degene die Ramdas op een andere manier van leven wees, waarin alcohol hem wat losser kon maken? En ook dat de vriendschap op zo’n laag pitje stond dat hij Ramdas zuster vaker zag dan hemzelf. Zelfs zijn verjaardag, de dag van zijn zelfverkozen dood, had hem niet de impuls van een telefoontje of bezoek gegeven…
Iets meer dan een seizoen is een voorbeeldig boek. Ondanks dat op vrijwel iedere pagina het woord ‘maar’ voorkomt. Het gaat over afscheid nemen en vriendschap. Het is een pijnlijk boek, door zijn eerlijkheid en door zijn formaat. Want waar in hun jonge jaren Ramdas meerdere pagina’s nodig had voor zijn commentaar op Sanders’ stukjes, blijkt nu Iets meer dan een seizoen zoveel meer te bieden dan Ramdas’ laatste schrijven. Eigenlijk zet dit veel dunnere boekje Ramdas’ Badal in de schaduw. Soms is minder meer.