Lezersrecensie
Op schoot bij Schippers
Natuur is voor tevredenen en legen. Maar voor wie wordt poëzie geschreven? Wie de laatste bundel van K. Schippers leest zal al snel de ene na de andere impuls krijgen als hij hierop een antwoord wil geven. Hij schrijft voor de lezers, de kijkers, de denkers, zijn kinderen, maar nog het meest voor zichzelf. Het genot druipt van de gedichten af. Gedachten krijgen vorm en worden vast. Schippers deelt zijn glimlach met ons, leert ons kijken of misschien is het beter om te zeggen, leert ons kijken zoals een K. Schippers dat doet. Zijn eeuwige spel met de ‘gewone dingen’ maakt dat je geniet waar je anders aan voorbij was gegaan. K. Schippers is voor de poëzie wat Tati voor de film was.
Schippers liet ons lang wachten. Zijn vorige bundel Een leeuwerik boven een weiland dateert alweer van 1996. De pauze tussen de dichtbundels werd gevuld met een meesterwerk, De bruid van Marcel Duchamp. Het eerste gedicht in Tellen en wegen, ‘Gewicht’, is gebaseerd op een oud gedicht van de dichter. De gedachtegang dat een vel papier meer weegt als je er een streep op zet, is benut voor een volgende stap. Begrippen als zwaar, licht en waarheid worden van stal gehaald om wederom te laten zien dat ook die relatief zijn. Het gaat om de context, het gaat om het kijken. Dat laatste is waar het vooral om draait. Kijken. Twee rode draadjes wol en het cijfer twee dat daaraan is vastgehecht kan genoeg zijn om er een gedicht over te schrijven. Een haast provocerend gedicht. Juist door zijn schijnbare eenvoud. Wie kijkt als Schippers leert ook lezen als Schippers. In ‘Gescheiden rust’ gebruikt hij de taal als speelgoed. Een been dat slaapt vormt het begin van een idee. Want als een been kan slapen, kan een elleboog dat dan ook? En een wenkbrauw, of een enkel? Een wang? Langzaam zie je de machinerie bij Schippers gaan lopen. Je ziet een gedicht ontstaan terwijl je het leest. Juist door de taal te ontregelen schrijft hij zijn regels, stap voor stap. En juist in die chaos waarin alles kan en mag, eindigt de meester in vorm. Alsof hij even op de rem moest trappen.
Gescheiden rust (fragment)
de enkel bij
geronnen bloed
en woelt het hart
bedekt door wat
in delen
slapen moet
Amper bekomen van deze les lees je ‘Wat je maar kort hoeft te onthouden’, een gedicht waaruit blijkt dat Barbarber nog steeds leeft. Schippers somt bijzondere momenten op die het onthouden niet waard zijn. Juist door ze op te schrijven worden ze onthouden en zie je hun waarde. Plotseling denk je na over het gewicht van een tas, bewegingen van een kapster of de klank van verkeer. Je glimlacht voor de zoveelste keer door deze bundel en leest verder.
‘Rekenen en taal’ is een gedicht dat we als rekensom al op de omslag van de bundel hebben gelezen. In de bundel gebruikt Schippers taal om zich te uiten. Terwijl je het gedicht leest word je even kind, zit je op schoot bij K. Schippers en luister je naar zijn rustige stem die het uitlegt. Lief is misschien het beste woord als je deze tekst wil beschrijven. Of liefde, liefde voor het woord, voor de taal, voor de mens. Schipper legt uit hoe hij cijfers ziet, maakt er sommen mee en wist het gedicht tenslotte uit. 1X0= immers 0. Er heeft geen woord gestaan. Hij gebruikt hier een logica die ook doorklinkt als hij de cijfers aan je verklaart. Neem de drie
Ga door. De 3 zit al in her woord zelf:
drieluik, driekleur, drieklank. Mooi
stevig. Driepoot, je ziet het voor je.
Je kunt je niet vergissen.
Nu dit: tel 't eens op,1,2,3. Voor
het overzicht. Samen al 6. Leg het anders
op tafel. Nee, niet de schoenen achter
de vlag. Alles moet wel zichtbaar blijven.
Je snapt het meteen de schoenen waren twee, de vlag drie en met die werkelijkheid moet je het nu gaan doen. Als je de ene denkstap maakt, volgt de volgende er als vanzelfsprekend uit voort. Dus kom je uit op nul. Dus heeft er geen woord gestaan. (wel een hond, twee lepels, een drieluik, vier beuken, vijf eenden, zes liefdes!, zeven kapotte fietsen, acht piano's, een armband, met 9 bedeltjes en tien rijksdaalders).
Nog intiemer dan op schoot zitten bij Schippers is met hem meedenken. Heel even mag je in zijn hoofd. Hij laat je zien hoe hij tot zijn gedachten komt en de kenner van zijn werk weet: zo komt hij op de boeken die hij schrijft. Het gedicht ‘De tas’ kun je ook een kort verhaal noemen. Of een essay. Toch is het een gedicht. De taal is precies. Er staat geen woord teveel. Het gaat om de vraag of je verantwoordelijk bent voor het bezit van een ander. Vooral wanneer je je er wel mee bezig houdt. En dat is constant het geval bij Schippers. Niets ontgaat zijn oog. Alles roept een gedachte op. Een vergeten tas, een vluchtig gesprek, het sluiten van gordijnen, een huisnummer dat nog uit de oorlog stamt, even horen ze bij Schippers, even bezit hij ze zelfs. Dat even wordt eeuwig door er poëzie van te maken. Of proza. Of poëtisch proza. Het kan allemaal.
In ‘Een zwerver in de Ritz’ staat een belangrijke regel die erg K.Schippers is: Alles bedelt om betekenis. Alles is veel. Bij Schippers is alles veel meer dan bij anderen. Hij vraagt zich af of je de winkelruiten kunt zien drogen. Hoeveel soorten licht de opticien in zijn lades en kasten heeft. Hij ziet in iedere spiegel een station voor je gezicht. Hij is verloofd met het licht en ‘kan het niet eens zo gauw uitmaken’. Het gedicht is een ode aan het leven waarin je alles en iedereen tot een deel van jezelf kunt maken.
Een zwerver in de Ritz (fragment)
Vlug dan, unforced errors, een turnster
wentelt zich, vlak voor ze neerkomt, nog om
haar as en dat wordt tot werelderfgoed benoemd.
't Mag niet verloren gaan. Waar wacht ze op?
Een ander pakt haar van mij af. Hij weet niet
dat ze met duizenden beelden in mij leeft en
die zal hij nooit meer in kunnen halen.
In ‘Vierde etage, kamer vijf’ en ‘Vulpen groen gevlamd’ stuiten we weer op Barbarbers. Gewone dingen, de lege woorden, de gemeenplaatsen die door eindeloze herhaling op mantra's lijken. Je ziet hoe
Hoe gaat het?
Gaat het?
Hoe voel je je?
Iets beter?
verslijt tot
Heb je?
Zal ik?
Kan?
Straks?
Is er?
Niet?
Zal ik gaan?
Dit spel gaat nog een stap verder in het gedicht ‘Met van’, inmiddels een klassieker van Schippers. Op een afstand klinkt het ongetwijfeld als een monoloog. Het is taal zonder inhoud die bij correct voorlezen wel degelijk effecten veroorzaakt.
Met van (fragment)
in maar ooit nu
dan ook van op na
niet om en door
naar voor over te
bij met ter uit
toch zo vast er
tot wat toe meer
wel aan niet om
nog al tussen of
Dit gedicht, dat vijf bladzijden bestrijkt, past in de traditie van Dada, doet aan de klanksonates van Kurt Schwitters denken en is toch overduidelijk een K. Schippers’ gedicht. De taal teruggebracht tot minder dan de essentie en juist daardoor des te duidelijker. Je hoort er het gedraai van politici in door, de nooit eindigende en zelden enig nieuws vertellende monologen van de machthebbers.
Opvallend in de bundel zijn de gedichten waarvan de vorm die ze op papier oproepen deel van het gedicht is. De vormgever van deze gedichten in de bundel, Marten Jongema, begreep Schippers’ werk als geen ander. Woorden dartelen over de pagina, vormen een zon of een cirkel, een lint of een rekensom. De mooiste vond ik het gedicht in de vorm van een kopje (zonder schotel) waar de titel ‘Gloeiend heet kopje’ als een lepeltje in de tekst staat. Ik zie dit gedicht als een monument voor het talent van de inmiddels overleden Marten Jongema.
Daarmee komt de dood in de bundel. Het verschil tussen mens en dier en een doos of een vaas. Even is het spelen verdwenen. Staat er wat er staat.
Huid
Een doos of een vaas kan zich
geen beeld van iets anders vormen.
Zij zijn alleen een deel van een
omgeving voor een mens of dier.
Zelf vallen zij samen met hun huid
van steen, karton of een ander
materiaal. Zij kunnen nooit een
uitbreiding ervaren. Voorwerpen
zijn gedompeld in een afzondering
die nooit kan worden opgeheven.
Er is niets dan zij.
Een schitterend gedicht waarin levend of dood zijn, bewust of onbewust, haarfijn wordt uitgelegd. Al kan het korter. Al is er deze keer meer sprake van humor.
Een kamer
waarin je
voor het laatst
slaapt.
Het is te hopen dat die laatste kamer van Schippers nog lang op zich laat wachten. Zelden las ik een dichtbundel die zoveel bij mij teweeg bracht. In Tellen en wegen gaan humor en wijsheid hand in hand. Schippers geeft de lezer de ruimte om na te denken en tot een glimlach te komen. Het is de humor van een Duchamp en dus van de bovenste plank. K.Schippers poëzie is een universum op zichzelf.