Advertentie

Dit met de Nobelprijs bekroonde boek van Albert Camus handelt over het alledaagse handelsstadje Oran, aan de Algierse kust. Hoofdpersoon Bernard Rieux verlaat op een ochtend zijn dokterskamer en struikelt over een dode rat. In de dagen en weken die volgen, vallen er steeds meer ratten dood neer. In portieken en trappenhuizen, in winkels, op straat. Overal wemelt het ervan. Met bloedende snuiten en met half open hanglippen komen de beesten uit hun schuilplaatsen tevoorschijn. Stervend.

Als steeds meer mensen ziekteverschijnselen vertonen (koorts, uitslag, bulten in oksels en liezen) en daar ook aan overlijden, begint de ernst door te dringen en legt men verbanden met de ratten, wier vlooien de mensen zouden kunnen besmetten.

Voor dokter Rieux is het duidelijk: dit is een epidemie. Het is de pest.

Aanvankelijk kunnen de mensen het maar moeilijk geloven, beschrijft Camus: ‘Het is een feit dat de mensheid door gesels wordt bezocht en toch valt het moeilijk eraan te geloven als een daarvan ons zelf treft. Er zijn in de wereld evenveel pestepidemieën als oorlogen voorgekomen. Toch zijn de mensen nog altijd even weinig voorbereid op pest als op oorlog (...) Als er een oorlog uitbreekt, zeggen de mensen: “Die zal niet lang duren, het is te dwaas.” En stellig is een oorlog al te dwaas, maar dat verhindert niet dat hij wél blijft voortduren. De dwaasheid handhaaft zich altijd, als men niet altijd te veel aan zichzelf dacht.”

Het stadsbestuur sluit de stad af. Niemand mag erin, niemand mag eruit.

In het begin draait het gewone leven nog redelijk door. Zo blijven cafés open (‘goede wijn is voor de microbe venijn’) en veel mensen weigeren voorzorgsmaatregelen te treffen en het virus serieus genoeg te nemen. Het is misschien een van de parallellen die te ontdekken zijn met hoe er soms met het coronavirus wordt omgesprongen. Dat maakt het boek zo actueel en boeiend om te lezen.

Mensen blijven denken aan de vooruitgang, schrijft Camus, ‘denken niet na over zulke dingen als gesels’, en weigeren voorzorgs- en hygiënemaatregelen te treffen.

“Deze stadgenoten waren niet schuldiger dan anderen. Zij vergaten bescheiden te zijn, dat is alles. En zij meenden dat voor hen nog alle mogelijkheden bestonden hetgeen inhield dat gesels niet bestonden. Zij gingen verder met zaken doen, reizen voorbereiden en meningen verkondigen. Hoe hadden zij kunnen denken aan de pest, die een einde maakt aan de toekomst, aan alle reizen en discussies? Zij verbeeldden zich vrij te zijn en niemand zal ooit vrij zijn, zolang er gesels bestaan.”

De pest slaat steeds woester om zich heen, dooft alle kleuren, verjaagt alle vreugde en laat steeds meer mensen eenzaam de dood in glijden. Desondanks, en zie daar weer een gelijkenis met de coronatijd, laten sommigen de teugels vieren. Ook die mensen die zich aanmelden om de pest te bestrijden en om de zieken te helpen.

Camus: “Het gevaarlijkste gevolg van de uitputting lag in een nalatigheid tegenover zichzelf (...) Zodoende kon het gebeuren dat deze mannen steeds vaker ertoe kwamen te zondigen tegen de voorzorgsmaatregelen, dat zij vergaten een der vele desinfectiemiddelen op zichzelf toe te passen en zich soms haastten naar een patiënt met longpest, zonder zich beschermd te hebben tegen besmetting omdat zij op het laatste moment gewaarschuwd hadden gekregen dat zij nog naar een besmet huis moesten en er te veel tegen opzagen naar een of ander lokaal terug te keren voor de noodakelijke indruppelingen. Daarin school het wezenlijke gevaar, want juist hun strijd tegen de pest maakte hen dan vatbaar voor die pest. Op zulke ogenblikken vertrouwden zij op het lot, maar niemand kan over het lot beschikken.”

Dokter Rieux wordt in zijn missie om orde te scheppen in de chaos, geholpen door mensen van zeer uiteenlopende aard.

Er is zijn vriend Tarrou, de eenvoudige ambtenaar Grand die een groot meesterwerk wil schrijven, maar constant struikelt over de eerste zin, er is pater Paneloux die preekt dat de pest een straf van God is, maar daaraan begint te twijfelen aan het sterfbed van een kind, er is journalist Rambert die toevallig in de stad is voor een reeks reportages als de stad in lockdown gaat. Hij wil terug naar zijn geliefde, denkt aan illegaal ontsnappen, maar besluit te blijven omdat hij ‘zich zou schamen alléén gelukkig te zijn’. Er is dokter Castel, die een serum ontwikkelt en ten slotte is er de depressieve Cottard, die vóór de uitbraak een zelfmoordpoging doet, maar tijdens de noodtoestand opfleurt. Want zoals Camus schrijft: “Wat waar is van de kwalen van deze wereld, is ook waar van de pest. Zij kan enkelen innerlijk doen groeien.”

Rieux ziet als dokter honderden zieken voor zijn ogen sterven. Hij lijdt, zoals hij het zelf ervaart, een oneindige reeks van nederlagen en op het toppunt van de heerschappij van de pest wordt de gemeenschap der levenden in het normaal zo gelukkige stadje Oran, zoals Camus het schitterend schetst, van uur tot uur vervolgd door de vrees plaats te moeten maken voor de gemeenschap der doden.

Uiteindelijk begint het serum van Castel enigszins te werken en na maanden begint de pest zich terug te trekken. De stadspoorten gaan open, er wordt gefeest en gevierd, maar Rieux is er niet gerust op. Want waar we nu vrezen voor een tweede coronagolf, daar beseft Rieux maar al te goed: ook de bacil van de pest sterft nooit.

Rieux weet dat zij tientallen jaren kan blijven sluimeren in de meubels en het linnengoed, dat zij geduldig wacht in de kamers, de kelders, de koffers, de zakdoeken en paperassen en dat wellicht de dag komt waarop de pest haar ratten weer zou wekken en uitzenden om te sterven in een gelukkige stad.

De Pest staat door het coronavirus weer volop in de belangstelling. En er zijn genoeg raakvlakken te ontdekken. Bijvoorbeeld in hoe sommige mensen omgaan met een pandemie en isolement, wat hun gedragingen zijn als ze worden geconfronteerd met wezenlijke vragen over leven, dood, liefde en relaties. Camus vertelt dit allemaal in een prachtige chronologische pageturner die het midden houdt tussen filosofie en fictie. Hij blijft het hele boek heel dicht bij zijn personages en hoewel het in de veertiger jaren is geschreven, leest het vanwege corona bijzonder actueel.

Neem bijvoorbeeld deze zin over het nut van mondkapjes. Als Rambert van Tarrou een mondmasker krijgt aangereikt en vraagt of dat helpt, zegt Tarrou: “Nee, maar het boezemt de anderen vertrouwen in.”

Reacties op: De Gesel van De Pest

535
De pest - Albert Camus
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners