Advertentie

Dit is een van die zeldzame klassieke en beroemde meesterwerken waar superlatieven tekort schieten en waar je eigenlijk zes sterren voor zou moeten geven. Ik had deze enorme pil (ruim 900 blz.) twintig jaar geleden al eens vol bewondering gelezen, in het Duits, en hij stond vanaf toen onwrikbaar in mijn top tien. In 2011 herlas ik het in de vertaling van Pé Hawinkels, en mijn bewondering nam nog toe. Nu, in maart 2018, las ik het ademloos voor de derde keer, in vertaling Hans Driessen, naar aanleiding van de Hebban-leesclub over "De Toverberg". En weer is die bewondering alleen maar toegenomen. Nee, het boek leest zeker niet lekker weg: het is enorm dik, en alle bladzijden zijn erg rijk en complex van stijl en inhoud. Je moet dus de nodige moeite doen voor dit boek. Maar donders, wat een leesgenot en wat een overdaad aan gedachten en ervaringen krijg je voor al die moeite terug. Ik had in 2011 al een recensie geschreven: hieronder staan mijn jubelkreten uit 2011 (2e Toverberglezing), aangevuld met jubelkreten en nieuwe indrukken uit 2018 (3e Toverberglezing).

Het boek speelt aan het begin van de vorige eeuw, in een sanatorium in Davos. Hoofdpersoon is de simpele, maar beminnelijke jongeling Hans Castorp, geen hoogvlieger maar geen stomkop (iemand dus zoals u en ik), die aanvankelijk alleen maar op bezoek is maar uiteindelijk zeven jaar in dat sanatorium blijft als patient. Dat sanatorium is een wereld op ijle berghoogten, waarin jaargetijden totaal in de war raken en waarin de tijd heel anders beleefd wordt dan hier. Of liever: een wereld waarin elk besef van tijd meer en meer verdwijnt, waarin elk houvast en elk zingevend verband verdwijnt, waarin elk idee van een zinvolle chronologische levensloop meer en meer door eenvormige onverschilligheid en oneindigheid wordt opgeslokt, en waarin veel personages -Hans Castorp incluis- helemaal onthecht raken van alles. Een wereld ook waarin ziekte, dood en verval het bestaan doordesemen, waarin veel personages een merkwaardige vrijheid voelen omdat ze immers toch verloren zijn gegaan voor het normale leven, en waarin alle normale begrippen tussen haakjes zijn gezet. "Orgiastische vrijheid", noemt de verteller van "De Toverberg" dat: de bijna bedwelmende sensatie dat je net zo goed levend zou kunnen zijn als dood, de hallucinatoire gewaarwording dat alles kan omdat helemaal niets enige zin heeft. Een opmerkelijk soort tegenwereld dus, dat sanatorium op "De Toverberg", die ijl en onwerkelijk boven de normale wereld zweeft. Mann beschrijft dat prachtig. Overigens ook geweldig ironisch, zoals ik vooral bij mijn derde lectuur sterk voelde: we volgen de hele tijd de gedachten van de simpele Hans Castorp, in de zeer ironische parafrase van de verteller, en door die ironie wordt de onwerkelijke toverberg-wereld nog onwerkelijker. Alles wordt immers extra dubbelzinnig door die ironie, alles wat serieus lijkt en soms ook is wordt tegelijk ook lachwekkend door het ironisch spottend oog van de verteller. Alle tragiek van de vaak dodelijk zieken wordt tegelijk lachwekkend, elke tragische figuur wordt tegelijk een komische figuur, elke passage vol serieuze hooggestemdheid krijgt tegelijk een spottende ondertoon die deze hooggestemdheid volkomen ondermijnt. Tot op het carnavaleske af, soms. Wat we zien is dus niet een objectieve beschrijving van een onwerkelijke wereld van zieken: we zien die wereld door het oog van de simpele Hans Castorp, en het ironische oog van een verteller die Hans' innerlijke ontwikkeling met milde spot volgt. Zeker in zijn commentaar op Hans' overdenkingen over ziekte versus gezondheid, waarin Hans meer en meer neigt te kiezen voor de wereld van zieken omdat die de "gezonde" wereld van het "laagland" (de wereld beneden de toverberg) ontstijgt. En de ultieme tragische ironie is dat zowel de onwerkelijke toverberg-wereld als de "gezonde" wereld van het laagland beiden op hun laatste benen lopen, zonder dat iemand dit vermoedt: "De Toverberg" speelt zich immers af in de laatste zeven jaren voor de eerste wereldoorlog, "vroeger, eertijds, in de oude tijd, in de wereld van voor de grote oorlog, met het begin waarvan al zoveel begon dat waarschijnlijk nog lang niet opgehouden is te beginnen". Dit boek beschrijft dus een onwerkelijke en onthechte wereld, die ook nog eens helemaal is verdwenen na het "wereldfeest van de dood" van WO I: alleen dat besef al maakt de voortdurende ironische toon van het boek wel extra ironisch.

Het is wel een krachttoer die Mann hier uithaalt: de soms wel zeer geïroniseerde overdenkingen van Hans gaan namelijk over dilemma's en worstelingen waar Mann zelf zijn leven lang niet uitkwam. Met name de worsteling tussen het wereldbeeld van "de conventionele burger" en dat van de anti-conventionele kunstenaar, die - zeker in de ogen van die burger- abnormaal is en ziek. Mann heeft prachtige en geïnspireerde essays geschreven over Nietzsche en Dostojewski, twee rusteloze zoekers en mentale ontdekkingsreizigers die gefascineerd waren door de extatische kanten van ons driftleven, door de chaos van onze affecten, door de grillige rijkdom van ons onbewuste, en door de vermogens van anti-maatschappelijke, "zieke" of "waanzinnige" kunstenaars om al deze grilligheid in te kunnen zetten bij het scheppen van nieuwe en verontrustende kunst. Mann was kortom erg geïntrigeerd door het vermogen van "zieke" of "waanzinnige" kunstenaars om werkelijkheidservaringen voort te brengen die veel rijker waren dan die van conventionele burgers. Tegelijk echter gaf Mann het perspectief van de aan conventies hechtende "burger" nooit helemaal op: feitelijk zoekt hij steeds opnieuw naar een nooit te vinden wankel evenwicht tussen de gezonde, maar al te eendimensionale burger en de geniale, maar soms al te abnormale verbeelding van de anti-conventionele en anti-burgerlijke kunstenaar. Zo ook in "De Toverberg". In zijn eigen inleiding tot "De Toverberg" (een lezing voor de studenten van Princeton University, in de vertaling van Hans Driessen opgenomen als nawoord) zegt Mann niet voor niets dat juist dood en ziekte zorgen voor "een geweldige potentiering en stimulering van de eenvoudige held boven zijn oorspronkelijke karakter". Tevens zegt Mann dat Hans komt "tot een begrip van menselijkheid die de idee van de dood en al het duistere, geheimzinnige van het leven weliswaar niet rationalistisch miskent en versmaadt, maar haar incalculeert, zonder zich erdoor te laten beheersen". Mann vergelijkt dat met de mythe van de "quester hero", van de "guileless fool" die zoekt naar de heilige graal. Die graal, zegt Mann, "is de idee van de mens, de conceptie van een toekomstige, door ziekte en dood gepasseerde humaniteit" Maar ook: "De graal is een geheim, maar de humaniteit is dat ook. Want de mens is zelf een geheim, en alle humaniteit berust op eerbied voor het geheim van de mens". Die conceptie van een door ziekte en dood gepasseerde humaniteit is kortom geen kant en klaar inzicht, geen afgerond eindbeeld, geen conclusie, geen opgelost probleem: het is een GEHEIM. En EERBIED voor dat geheim is voor Mann het belangrijkst: dat betekent dus dat dit geheim ook in "De Toverberg" ALS geheim wordt gepresenteerd. Precies daarom houdt die ijle, onwerkelijke wereld van ziekte en dood in "De Toverberg" voortdurend een dubbelzinnig karakter. Precies daarom zien we die wereld niet door het oog van een wijze die alles weet, maar door het oog van een simpele jongeling die niet alles begrijpt. En precies daarom wordt die jongeling niet gevolgd door een verteller die streng beoordeelt en die het geheim met filosofische en alwetende blik fileert en ontraadselt, maar door een verteller die het geheim met zijn alles dubbelzinnig makende ironie nog verder vergroot.

Bijzonder fascinerend is dan hoe Hans Castorp in deze ijle, tragikomische en voortdurend geïroniseerde tegenwereld de tijd en ruimte neemt voor zijn innerlijke ontwikkeling, door te experimenteren met ervaringen, gedachten en gevoelens. Hij bestudeert o.a. werken over geneeskunde en biologie, en komt daardoor op even dilettantistische als prachtig verwoorde conclusies over de raadsels van het leven: het verbijsterende feit dat materie oneindig deelbaar is, het fenomeen dat elk organisme uit deelorganismen bestaat, het raadselachtige onderscheid tussen anorganisch en organisch leven, de rol van ziekte plus dood en verval. Ook komt hij tot prachtige gedachten over het raadsel van de tijd en de tijdbeleving, over verschillen tussen beleefde tijd en de tijd van onze klokken: gedachten die door een alwetende verteller nog weer verder worden verrijkt. Schitterend zijn ook de passages over Hans' fascinatie voor muziek, en voor de hartstocht die opstijgt uit die muziek. Behalve schitterend zijn die gedachten echter tegelijk vaak behoorlijk komisch, niet omdat Hans ze komisch bedoelt maar omdat hij, door zijn dilettantisme en zijn simpelheid, van alles door de war haalt. En de ironische wijze waarop de verteller Hans' denkbeelden parafraseert maakt duidelijk dat al Hans' vaak uiterst complexe wetenschappelijke conclusies, die in elk geval mij nogal imponeren door hun ingewikkeldheid en diepzinnigheid, bepaald niet helemaal serieus genomen kunnen worden. De redeneringen waar Hans in zijn "speurwerk" toe komt zijn werkelijk onnavolgbaar: de oerverwekking van de materie is volgens hem bijvoorbeeld alleen te verklaren als "ziekte, prikkelwoekering van het immateriële" en "de geboorte van het organische uit het anorganische was dan alleen nog maar een kwalijke intensivering van de lichamelijkheid tot bewustzijn". En hij komt tot die redeneringen door ellenlange onnavolgbare parafrases van hele bakken aan wetenschappelijke literatuur. De eerste twee keren dat ik "De Toverberg" las was ik vooral geïmponeerd door de enorme geleerdheid van Thomas Mann, want die moet zich toch fors verdiept hebben in wetenschappelijke inzichten van die tijd. En ik was ook geïmponeerd door de wijze waarop al die wetenschappelijke kennis vooral onze verbijstering voedt over de raadselachtige veelvormigheid van de werkelijkheid. Mooi vond (en vind) ik bovendien hoe ook deze wetenschappelijke speurwerkzaamheden weer leiden tot verwondering over de onoplosbare scheidslijnen tussen ziekte en normaliteit, leven en dood. Maar bij mijn derde Toverberg- lectuur valt mij op hoe al die wetenschappelijkheid ook nog eens ontaardt in totale carnavaleske kolder, ten eerste door de nogal dilettantistische wijze waarop Hans tot zijn inzichten komt, maar ook door de ironische blik die de verteller op die inzichten werpt. En dat past allemaal volgens mij prima bij de "eerbied voor het geheim" waar ik het over had. In een meer conventioneel "Bildungsverhaal" of initiatieverhaal zou de hoofdpersoon de geheimen doorgrond hebben, en tot serieuze inzichten zijn gekomen door zijn onderzoek. Maar in "De Toverberg" wordt het geheim door het wetenschappelijke speurwerk alleen maar groter. En komischer.

Geweldig zijn ook de vele discussies tussen Naphta en Settembrini, twee intellectuelen die beiden een soort mentor willen zijn voor Hans Castorp, maar ook twee intellectuelen met een totaal verschillend wereldbeeld. Mann zet die twee wereldbeelden werkelijk geniaal neer, met een enorme rijkdom aan argumenten: Settembrini als de humanist die helemaal gaat voor de vrijheid van de mens en de Rede, alhoewel hij paradoxaal genoeg ook vrijmetselaar is en een tragi-komisch personage omdat hij geen antwoord of rationeel verweer heeft tegen zijn eigen ziekte; Naphta als obscuur katholiek-communist, die helemaal gaat voor omverwerping van alles wat menselijk is (dus ook de menselijke Rede) en voor een wereld waarin alle materie is onderworpen aan de Goddelijke Geest. Prachtig is ook hoe beide heren elkaars wereldbeeld geregeld aan flarden schieten, soms ook zelf in allerlei contradicties verzeild raken: hun discussies demonstreren ruimschoots de glorie en rijkdom van het filosofisch denken, maar toch ook de tekortkomingen daarvan. En heel mooi is hoe Hans Castorp naar een soort eigen middenweg zoekt in al dit intellectuele geweld. Maar die middenweg vindt hij niet, onder meer omdat de discussie tussen beide heren verhitter en verhitter en verhitter wordt, en uiteindelijk eindigt in gewelddadige confrontatie. Mann bouwt dat alles schitterend op: door ellenlange dialogen op te schrijven van werkelijk ongehoorde intellectuele kracht die tegelijk bol staan van innerlijke tegenspraak en verwarring, door de tragi-komische statuur van beide personages, en door de wijze waarop het irrationele gehalte van de dialogen steeds meer toeneemt zodat zij wel MOETEN eindigen in fysiek geweld. Wat op een griezelige wijze symbool staat voor de groeiende agressieve irrationaliteit die leidde tot WO I. Naphta en (vooral) Settembrini zijn zonder meer belangrijk als mentoren voor de "quester hero" Hans Castorp, en voor zijn zoektocht naar diepere en hogere kennis. Maar uiteindelijk leidt ook die zoektocht niet tot eenduidig inzicht, vanwege alle tegenspraak, tegenstrijdigheid en verwarring. Het enige inzicht is, misschien, de onvermijdelijkheid van verwarring, de onmogelijkheid om via rationele dialoog te komen tot een alles verklarend inzicht. En dat dus elk weten gepaard gaat met niet-weten. Oftewel, zoals ik Mann eerder citeerde: "Want de mens is zelf een geheim, en alle humaniteit berust op eerbied voor het geheim van de mens".

Ook de krachtmeting tussen Naphta en Settembrini lees ik nu, bij derde lezing, toch anders dan de eerste twee keer. Nog steeds sta ik paf van de rijkdom van de denkbeelden, en van de ongelofelijke intellectuele kracht van Thomas Mann: het is ongehoord hoeveel denkkracht hij samenbalt in deze twee intellectuele giganten, het is verbijsterend hoe scherp hij hun dispuut inhoudelijk neerzet. Bij derde lezing vind ik beide intellectuele giganten ook erg intrigerend als personages. Naphta heeft een wel zeer barok intellectueel wereldbeeld: eigenzinnig en scherpzinnig Jezuïtisch christelijk gedachtegoed wordt verknoopt met een wel heel particulier soort Marxisme, en die cocktail van vreemde gedachtegoeden mondt uit in een negatie van alle waarden en een revolte tegen elke conventie. Intellectueel zeer uitdagend, vind ik, en in zijn griezelige radicaliteit soms verontrustend raak: het lijkt alsof Naphta, juist door zijn volstrekt uitzinnige radicaliteit, de komende oorlogsgruwelen en de menselijke irrationaliteit beter duidt dan Settembrini. Tegelijk is Naphta echter ook een verscheurd mens, die door progroms zijn hele familie verloren heeft: die persoonlijke achtergrond geeft in mijn beleving extra contouren aan zijn radicale wereldbeeld, en maakt hem als personage extra ontroerend. En zijn hele voorkomen geeft hem bovendien iets grotesks, iets door en door tragi-komisch. Iets soortgelijks is aan de hand met Settembrini, de man van het bijzonder scherpzinnige humanistische gedachtegoed en de ongehoord eloquente vertolker van de stem van helderheid en rede. Niet alleen zijn gedachten zijn imponerend, minstens zo imponerend is hoe hij soms letterlijk "het licht aandoet" in de duistere kamer van de al te veel dromende Hans Castorp. Maar hij staat machteloos tegenover zijn eigen, steeds voortwoekerende ziekte. Hij staat soms met zijn mond vol tanden bij de argumenten van Naphta. Zijn uiterlijke verschijning is zo armoedig dat Hans hem steeds met een orgeldraaier vergelijkt. En hij raakt in verwarring door de irrationaliteit van het wereldgebeuren en van alle ziekte en waanzin om hem heen. Kortom, ook Settembrini is een tragische figuur, bijna een soort vergeefs strijdende Don Quichotte. Maar dat maakt hem als personage extra ontroerend. Bovendien heeft hij op sommige momenten ook een bepaalde tragi-komische grootsheid: omdat hij BLIJFT vechten voor de rede, en omdat hij in de gewelddadige confrontatie met Naphta weigert ten volle te kiezen voor geweld. Prachtig kortom vind ik hoe dit enorm rijke intellectuele debat vorm krijgt via twee zulke ontroerende, veelkantige en verscheurde personages. En die veelkantige verscheurdheid rijmt weer fraai met Manns ironie: de ironische wijze waarop hij de debatten laat uitmonden in totale verwarring, de ironische wijze waarop hij laat zien hoe in Hans Castorps naïeve hoofd de grootse denkbeelden van beide heren nog verder wordt vervormd. En door dat alles komt de innerlijke zoektocht van Hans Castorp, die sterk beïnvloed wordt door het dispuut van Naphta en Settembrini, wel heel sterk in het teken te staan van verwarring en tragi-komische ironie.

Fascinerend is ook de emotionele ontwikkeling van Hans Castorp. Ten eerste is er natuurlijk zijn steeds groeiende onthechting, door de ijle sferen van de wereld waarin hij zeven jaren leeft. Daarnaast is hij getuige van veel verval en dood, ook van mensen die hem dierbaar zijn. En vooral belangrijk is zijn tragi-komische passie voor Clawdia Chauchat, een passie vol van voor hemzelf duistere en zelfs dubieuze kanten, een passie vol onverantwoordelijkheid die niet tot iets concreets leidt, maar wel een passie die hem een en ander leert over de rol van irrationaliteit en ziekte (ook in de zin van waanzin en koorts). Castorps gesprekken met Clawdia Chauchat vind ik hoogtepunten van het boek. Vooral ook door hun bijna carnavaleske en onwerkelijke karakter: veel dingen kan Hans alleen maar zeggen in het Frans, in een hem vreemde taal, en tijdens een carnavalesk feest op een schrikkeldag, dus in een situatie die zodanig onwerkelijk is dat hij voor even zijn remmingen en conventies kan vergeten. Zodat zijn verhouding met Clawdia ook duidelijk het karakter krijgt van een liefde die alleen maar tijdelijk en alleen buiten de wereld van de conventies kan bestaan. En ook dit wordt door de verteller uiteraard weer met ironisch oog bezien. Maar ook met mild spottende bewondering, want die zeer onwetende, zeer voorlopige en zeer tijdelijke liefde leert Hans wel "iets" over zijn eigen aandriften. Hoe onduidelijk en geheimzinnig dat "iets" ook blijft. Dat geldt naar mijn smaak nog wat sterker voor Castorps kennismaking met Mijnheer Peeperkorn, een personage dat lijkt te staan voor een soort ontembare en onverwoordbare levenskracht: steeds pratend in halve, maar niettemin imponerende zinnen, drinkend als een tempelier en feestend als een beest, onverstaanbaar maar indrukwekkend orerend en gebarend bij het immense lawaai van een klossale waterval. Waarbij eigenlijk de natuurkracht van die waterval, die elk geluid van elke mens totaal overstemt, de kern is van wat Peeperkorn 'betoogt'. Ook die onverwoordbare oerkracht (gepersonifieerd in Peeperkorn) is door Mann weer prachtig beschreven. Evenals de overweldigende indruk die deze oerkracht op Hans Castorp maakt. Maar ook hier is dubbelzinnigheid weer troef, want wat te denken van de verscheurdheid en angst die Peeperkorn ook kenmerken, en wat te denken van het feit dat Peeperkorn er meestal niet in slaagt om zijn levenskracht te articuleren in begrijpelijke zinnen?

Wat Hans Castorp uiteindelijk leert, volgens mij, is om het leven te proeven in alle facetten, zowel de rationele als de irrationele. In tegenstelling tot veel mede-sanatoriumgasten volstaat hij niet met zwelgen in irrationaliteit, ziekte, dood, verval en waanzin: er is ook nog zoiets als rationaliteit, vorm, rede, harmonie, helderheid. Dat laatste heeft hij vooral van Settembrini wel geleerd. Maar anders dan Settembrini verabsoluteert hij de redelijkheid niet: dood, verval en waanzin horen ook bij het leven, evenals irrationele passie en onverwoordbare oerkracht. Mann zelf spreekt, zoals ik eerder al citeerde, van "de idee van de mens, de conceptie van een toekomstige, door ziekte en dood gepasseerde humaniteit": DAT staat voor mij centraal in "De Toverberg". Dit leerproces van Hans Castorp is niet gemakkelijk, en in het (ook weer briljant geschreven) slot wordt duidelijk dat hij zelf er misschien niets aan heeft omdat WO I de wereld verzwelgt. Ook doorgrondt Castorp zijn eigen gedachten soms niet: ergens in de roman heeft hij een werkelijk geweldig beschreven visioen waarin hij als het ware 'ziet' hoe harmonie en schoonheid een spanningsvolle eenheid vormen met ziekte en dood, maar later vergeet hij dit visioen helaas. Bovendien is het leerproces -en dus ook de roman als geheel- vol met onduidelijkheden, paradoxen, ongerijmdheden, openstaande vragen. Het leven is (zo lijkt Mann ons te willen zeggen) niet simpel en kenbaar, maar een oneindig complex en verknoopt 'geheel' dat geen eenduidige conclusies toelaat. Mann ziet de humaniteit als raadsel, en acht eerbied voor dat raadsel van essentieel belang: daarom is elke pagina van "De Toverberg" van raadselachtige dubbelzinnigheid doordesemend. En daarmee zegt hij volgens mij dat we de raadselachtige complexiteit van het bestaan niet moeten pogen ontraadselen, maar moeten doorleven. Dat is volgens mij de complexe les van Mann, maar wel een waardevolle les die nog indrukwekkend en meeslepend is opgeschreven ook. En misschien kunnen wij meer met deze les doen dan Hans Castorp. Wij, lezers, kunnen immers dankzij dit boek extra geïnspireerd zoeken naar nieuwe manieren om de "zieke" en "waanzinnige" kunstenaar in ons te ontdekken, naar boven te halen, en in wankel evenwicht brengen met de conventionele burger in ons. En wij kunnen met dit boek in de hand ons vele uren lang verwonderen over de paradoxale rijkdom van het bestaan. We kunnen met dit boek in de hand dus "speurwerk' doen, net zoals Hans Castorp dat doet met allerlei wetenschappelijke boeken. Dat gaat ons geen antwoorden opleveren, net zomin als Hans Castorp. Maar wel langdurig plezier en inspirerende verwondering over de vragen die "De Toverberg" ons stelt.

Zelf heb ik in elk geval weer zeer van deze roman genoten, vooral door de geniale stijl waarin hij is opgeschreven. Want naast een waardevolle les, en waardevol inzicht in het geheim van het bestaan, geeft dit boek door zijn stijl en zijn geniale ironie vooral ook veel esthetisch genot. En wie weet een onuitputtelijk genot. Ook al omdat het boek nog veel meer is dan de erratische ontwikkelingsgang van Hans Castorp: het is ook een grandioos tragi-komisch adieu aan een voorbij tijdperk van voor de eerste wereldoorlog, een fabuleus tragi-komisch monument voor de wereld van de geest en het scherpzinnig filosofisch dispuut, een ongelofelijk rijke ideeënman, een prachtige reflectie op de door de naderende eerste wereldoorlog instortende waarden en werelden, een onnavolgbaar rijke filosofische verhandeling over het raadsel van de tijd en onze beleving van tijd, en meer. Ik heb "De Toverberg" nu voor de derde keer gelezen, maar ik ben vast van plan hem ooit nog een vierde keer te beklimmen. Wat een boek, mensen, wat een boek!

Reacties op: Een zeldzaam meesterwerk, ook bij derde lezing

253
De Toverberg - Thomas Mann
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners