Advertentie

Meteen na "Kinderjaren" las ik "Jongensjaren", de tweede roman van de nog jonge Tolstoj en het tweede deel van zijn semi-autobiografische trilogie. Ik vond "Kinderjaren" nog net wat ontroerender, omdat daarin zo mooi de zuivere ontvankelijkheid van de kinderjaren wordt beschreven en de treurnis over het afscheid ervan. Maar ook met "Jongensjaren" vermaakte ik mij goed.

Ik las dit boek met twee redenen: om in dit vroege werk al de sporen te zien van de geniale auteur van de prachtboeken "Oorlog en Vrede" en "Anna Karenina", maar ook om gewoon geroerd of geamuseerd te worden door wat ik zag zonder daarbij aan de latere Tolstoj te hoeven denken. In hoofdstuk twee, de beschrijving van een onweer, kwam ik meteen al aan mijn trekken. Want de beschrijving van het onweer, als het nadert en nadat het losbarst, ademt al fiks het levensgevoel uit dat Tolstoj twintig jaar later in "Oorlog en vrede" zo mooi uitwerkt: het overweldigd worden door de bovenmenselijke kracht van de natuur, door de onbevattelijke dreigingen ervan en door de al even onbevattelijke schoonheid De jonge Tolstoj schrijft daarover: "Op datzelfde ogenblik klinkt er vlak boven ons hoofd een majestueuze donderslag die steeds hoger, steeds wijder lijkt op te stijgen volgens een reusachtige spiraal, langzaam sterker wordt en overgaat in een oorverdovend gekraak dat je onwillekeurig doet sidderen en je de adem beneemt. De toorn Gods! Wat zit er veel poëzie in deze simpele volksopvatting!". Geen wonder dat hij ook zegt dat het bloed sneller door zijn adem stroomt: datzelfde bereikt hij bij de lezer door een paar heftige visuele effecten die ik hier niet zal verklappen.

Maar minstens zo aanstekelijk beschrijft hij hoe hij zelf opklaart zodra het onweer ophoudt, en helemaal doordesemd wordt van de opklarende natuur om hem heen: "Aan de ene kant van de weg glanzen de natte aarde en het groen van een onafzienbare, hier en daar door ondiepe dalletjes doorsneden akker wintergraan, die zich tot aan de horizon uitstrekt; aan de andere kant kan een espenbos, doorschoten met hazelaar- en vogelkersstruiken, als het ware zijn geluk niet op, roerloos en langzaam laat het van zijn schoongewassen takken lichte regendruppels op de droge bladeren van verleden jaar vallen. Aan alle kanten cirkelen kuifleeuweriken onder vrolijk gezang omhoog om dan weer een duikvlucht omlaag te nemen; in de natte struiken hoor je het drukke bewegen van kleine vogeltjes en uit het midden van het bos klinkt helder het geluid van een koekoek. Zo betoverend is de geur van een bos na een voorjaarsonweer, de geur van berken, viooltjes, rotte bladeren, morieljes, vogelkers, dat ik niet in de brik kan blijven zitten, van de treeplank afspring, naar de struiken ren en, ondanks de regen van druppels die op me neerdaalt, natte takken van de net ontbotte vogelkers afruk, mij ermee op mijn gezicht sla en hun wonderbaarlijke geur indrink. Zonder acht te slaan op de de reusachtige modderkluiten die aan mijn laarzen kleven en op mijn kletsnatte kousen bagger ik door de modder en ren naar het raampje van de koets. 'Ljoebotsjka! Katjenka!", schreeuw ik, mijn woorden kracht bijzettend met een paar takken vogelkers, 'Kijk eens wat mooi!'".

Vooral die laatste passage vind ik aanstekelijk geschreven. De zo aantrekkelijke en pure vreugde ervan contrasteert bovendien mooi met het vele somber gekwelde gepieker en het bokkige gepeins in de latere hoofdstukken. Wat mooi laat zien dat de zo kinderlijke en onbedorven vreugde, en de "natuurlijkheid" die in de "kinderjaren" voorop stond, in de "jongensjaren" er nog wel zijn maar meer naar de achtergrond zijn verdwenen. Want de "jongensjaren" zijn vooral puberjaren, en de jonge Tolstoj pubert flink. Meer nog dan normale pubers, want: "Tijdens het jaar waarin ik een afgezonderd, in mijzelf gekeerd, moreel leven leidde, rezen in mijn hoofd al alle abstracte vragen over de bestemming van de mens, over het leven na de dood, over de onsterfelijkheid van de ziel, en trachtte mijn zwakke kinderverstand met al het vuur van de onervarenheid een antwoord op deze vragen te vinden, welker formulering het hoogste is dat de menselijke geest kan bereiken, maar waarop het antwoord hem niet gegeven is". Dit charmeert mij zeer, omdat ik dan direct denk aan het imponerende personage Ljovin uit "Anna Karenina": in "Jongensjaren" zien we eigenlijke deze eeuwig vragende en zeer gekwelde zoeker als nog jonge man. En dat vind ik heerlijk, want ik vind Ljovin een geweldig personage. Maar ook los daarvan vind ik het treffend hoe "Jongensjaren" inderdaad in het teken staat van het onervaren, en vergeefs, maar uiterst intens zoeken naar antwoorden op existentiële vragen. En hoe dus dat vergeefse zoeken, dat in de geciteerde passage wordt benoemd, in andere passages meer tussen de regels voelbaar wordt gemaakt. Want Tolstoj neemt ons op vele bladzijden mooi mee in de puberale aanvechtingen van iemand die van nature twijfelende vragen stelt aan alles. Tot op het bot.

Bovendien, de subtiele beschrijvingen van de diverse familieleden en hun bedienden en huisleraren zijn zo vernuftig dat je alleen daarom al dit boek alsmaar doorleest. Zoals de even lange als tragi-komische beschrijving van de Oostenrijkse huisleraar Karl Ivanytsji, die na een lang leven vol omwentelingen en onfortuin op straat wordt gezet. Of de beschrijving van diens wat fattige Franse opvolger, en van de bijna redeloze agressie die hij bij de puberale Tolstoj oproept. Ook intrigerend is de beschrijving van Tolstojs geleidelijk aan zich ontwikkelende "andere kijk": de voor hem verbijsterende ontdekking dat er buiten zijn vertrouwde huishouden ook andere mensen bestaan, die totaal voorbijgaan aan zijn leven en aan de dingen en gevoelens die HEM zo intens bezig houden. Even onderhoudend als vermakelijk zijn de eerste verlokkingen van het andere geslacht, wat zich uit in een bijna clandestiene belangstelling voor 'de meidenkamer" met zijn dienstbodes.

En prachtig is de beschrijving van een beginnende vriendschap, met iemand die over dezelfde vraagstukken denkt als hij en met hetzelfde puberale vuur. Dat heeft iets lachwekkends, net als het gepieker van de jonge Tolstoj in zijn eentje, maar tegelijk ook iets bewonderenswaardigs. Want konden wij als pubers wel ZO intens piekeren over zulke existentiële vraagstukken? En zo ja, is het dan niet jammer dat we dat als volwassenen veel minder doen? Vooral dat laatste leidt bij Tolstoj, als volwassene terugkijkend op zijn puberjaren, duidelijk tot weemoed: "Destijds leek het verbeteren van de gehele mensheid, het vernietigen van alle ondeugden en al het ongeluk van de menselijke soort iets dat volkomen uitvoerbaar was, en het verbeteren van jezelf, je alle deugden eigen maken en gelukkig te zijn, dat leek al heel eenvoudig en gemakkelijk..... Trouwens, God alleen weet of die nobele dromen van de jeugd echt zo belachelijk waren en wiens schuld het is dat ze nooit werkelijkheid zijn geworden? ...".

Hoe gaat het verder met deze even naïeve als aanstekelijke dromer? Hoe gaat het verder met de ontwikkeling van Tolstoj als schrijver? Dat moet en zal ik nu weten, dus moet en zal ik nu door met deel 3 van de trilogie. Kortom: op naar "Studentenjaren"!

Reacties op: De jongensjaren -of puberjaren- van Tolstoj

8
Jongensjaren - Lev Nikolajevitsj Tolstoj
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners