Advertentie

Eva en Carry, hand in hand of Let’s talk about sex, baby...
En waarom dit zo’n moeilijke roman is...



Een vriendelijk verzoek van de dames van het literaire blog metdeneusindeboeken kwam mijn kant op gerold: voelde ik ervoor een essaytje te schrijven over Carry van Bruggens Eva, dat als extra boek in het klassiekers-genootschap zou worden gelezen en besproken? Omdat deze keuze ook een beetje van mij was gekomen, wilde ik aan dit verzoek voldoen, enigszins aarzelend. Sinds een aantal weken teisteren Carry en Eva mijn gedachten en mijn dromen. Nou ja, dat laatste is een soort van dichterlijke overdrijving. Ik bedoel natuurlijk: de taak valt mij zwaar.

Ik zal daarom direct bekennen dat Eva voor mij, en ook voor anderen, zo vernam ik, een moeilijk te duiden boek is. Er zijn meer moeilijke boeken geweest, ik noem maar Absalom, Absalom! van William Faulkner, misschien de lastigste roman die ik ooit las? Toch wilde ik dit boek niet zomaar terzijde leggen omdat ik voor Carry van Bruggen als vrouw, auteur en feministe een soft spot heb.

Wat doe je als je weinig vat krijgt op een boek? Wat doe ik? Ik ga het vergelijken met andere romans die ik gelezen heb. Ik ga op zoek naar secundaire literatuur. Dan staat de studiebol in mij ineens weer op de stoep. Gelukkig zijn er de onvolprezen dbnl.org en de evenzo onmisbare openbare bibliotheek. Ik wist al van het bestaan van het boekje van Jan Fontijn* en Diny Schouten, Carry van Bruggen (1881-1932), in de reeks De Engelbewaarder, 1978. Dit boekje is samengesteld uit teksten en uitspraken van Carry van Bruggen zelf en van anderen over haar; keurig aan elkaar gesmeed. In dat boekje en op de dbnl vond ik een artikel van Hannemieke Postma, Een verkenning van ‘Eva’, in: De Nieuwe Taalgids, jrg 69 (1976), nr. 6: 518-533. Beide publicaties stammen uit een tijd dat de belangstelling voor Van Bruggen opleefde, natuurlijk onder invloed van de vrouwenbeweging in de jaren 60 en 70.

Bij romans die ik lastig vind bedenk ik me: hoe lees ik eigenlijk? Ik ben me er inmiddels van bewust dat ik zo snel mogelijk een kader probeer te scheppen waarbinnen ik het verhaal en de personages kan ‘opsluiten’. Kadreren, structureren, zo werkt denk ik het menselijk brein. Snel in kaart brengen, risico’s en kansen inschatten. Daarvan werd ik me ook bij het lezen van Otmars zonen van Peter Buwalda bewust: de eerste 200 pagina’s dacht ik alsmaar: waar gaat dit over, waar is het verhaal, waar is het ‘nu’? Buwalda stelt je op de proef want pas na 200 bladzijdes begin je een beetje door te krijgen waar het overgaat. Ik ben misschien een ongeduldige lezer: schiet nou op met het maken van je punt, denk ik. Maar dat is niet altijd de bedoeling van het verhaal en van de auteur. Er zijn mensen die een boek een bepaald aantal pagina’s de kans geven; ik heb geen vast aantal pagina’s. Het komt zelfs voor dat ik een boek herlees en dat pas bij tweede lezing mij de schellen van de ogen vallen. Ik durf niet te bekennen bij welk boek dat was.

Hoe begon Eva? De roman begint prachtig: een nieuwe eeuw, een nieuw begin, de wereld is onbezoedeld onder een mantel van witte sneeuw. Wie is de hoofdpersoon die dit meemaakt, die een maagdelijke en hoopvolle wereld aan haar voeten ziet liggen? Hoe oud is zij? Hoe heet zij? Weet je eigenlijk wel dat het een meisje / vrouw is?

‘Gisteravond laat al hing hij (d.i. de nieuwe eeuw, zo heet dit eerste hoofdstuk, rdv) boven de daken klaar, de rosse lantaarns sloegen er hun gloed tegen aan en vannacht heeft hij zich laten zakken-, de sneeuw. Het is de eerste sneeuw van het nieuwe jaar, het is de eerste sneeuw van de nieuwe eeuw-, sneeuw die de wereld vernieuwt. Het is vandaag de Nieuwe Eeuw-, gister liep de Oude Eeuw ten einde.’ (1980: 817).

Een variatie op Een nieuwe lente, een nieuw geluid (Gorter), denk je. In de derde alinea lees je dat het gaat om een ‘zij’. En er is sprake van een ‘hij’ die op reis is. Wie is die ‘hij’? Je bent snel geneigd te denken: een minnaar, een echtgenoot, een vader misschien? Ik bedoel te zeggen, je probeert zo snel mogelijk een structuur en een betekenislaag aan te leggen in hetgeen je leest. Al snel heb je door dat Eva zo’n boek is waar dat maar moeilijk lukt. Ik concludeerde: dit is een roman waarin een stream of consciousness gebruikt wordt, zoals in veel roman van Virginia Woolf, bijvoorbeeld: Mrs Dalloway, To the lighthouse; en van Henry James, zoals in What Maisy knew, en in James Joyce, Ulysses. Dat vereist een vorm van zeer aandachtig en onbevooroordeeld lezen. En dát is nu net de moeilijkheid. Ik heb geprobeerd een vergelijking te maken met de romans van de bovengenoemde auteurs, die ik gelezen heb. Waren deze romans makkelijker te interpreteren, makkelijker te lezen, makkelijker om het gebeurde te reconstrueren? Soms denk ik van wel, maar ik denk eigenlijk dat de romans van Woolf c.s. net zo lastig zijn als Eva.
De stijl van Van Bruggen lijkt nog enigszins impressionistisch als die van Couperus; maar het blijkt dat zij weliswaar begonnen is als een soort Nieuwe-Gidser maar later het estheticisme van van de Beweging van Tachtig resoluut van de hand wees.

Ook is er de neiging de gedachten van Eva - want dat de hoofdpersoon zo heet, vermoed je al voordat haar naam ongeveer op de helft van het boek eindelijk valt - te interpreteren als depressief omdat Van Bruggen zelf leed aan depressies. De vereenzelviging van Eva en Carry ligt meer voor de hand omdat deze roman, meen ik, een van haar meest autobiografische is. Maar een autobiografische roman kun je niet gelijkstellen aan een autobiografie!

Omdat we nauwgezet op de hoogte gehouden worden van Eva’s gedachten en overdenkingen, twijfel, frustraties, etc, lijkt het alsof ze depressief is. Ik vermoed dat we gewend zijn aan moderne romans waarin hoofdpersonen ‘struggelen’ met het leven en met zichzelf; we interpreteren dat als ‘depressief’. Eva’s aarzelingen worden door Van Bruggen gevisualiseerd met puntjes (...), die natuurlijk meteen een associatie oproepen aan Couperus, en daardoor impressionistisch maar die door Van Bruggen niet zo bedoeld zijn.
Dit kunnen redenen zijn dat een aantal lezers de hoofdpersoon Eva als ‘depressief’ kenschetsen. En eigenlijk moet ik toegeven dat dat mijn neiging ook wel een beetje was, in eerste aanleg.

We moeten ons verplaatsen in een meisje van rond 1900 (of 1927, het jaar waarin de roman gepubliceerd werd, maar 1900 is ‘realistischer’), een jong meisje, want veel later blijkt dat ze in het begin van het boek net 18 jaar geworden is. We lezen haar gedachten en gevoelens, niet haar handelen, of veel minder haar handelingen. Wat een mens denkt kan anders zijn, is waarschijnlijk anders, dan zijn/haar handelingen. Dit meisje staat op de rand van de volwassenheid en seksualiteit houdt haar bezig, maar zij noemt het niet zo; het is een verborgen terrein, zeker voor een jonge vrouw aan het begin van de 20e eeuw. In dit licht moeten we ook de vermelding van Colette’s Claudine zien, een Franse erotische roman. Ik dacht in het begin dat ze misschien zwanger was; daar deden mij haar voorzichtige en duistere gedachtes aan denken, misschien van die lerar. Maar in het begin lopen de personages van de leraar en de broer, David, van wie je dan nog niet weet dat hij haar tweelingbroer is, compleet door elkaar heen.

Deze roman leest moeilijk omdat je iedere keer je voorstelling moet bijstellen, steeds krijg je meer info en moet je je beeld anders inkleuren. In het begin weet je niets en je probeert zicht te krijgen op het plaatje. Dat is exact wat Eva in de roman ook doet: ze probeert zicht te krijgen op háár plaatje. Dat is dus precies waar de roman over gaat: een vrouw probeert zicht te krijgen op haar leven en probeert dat ook zelf vorm te geven. Eva formuleert het zelf ook zo: ze moet de legpuzzel van haar leven zelf te maken; de stukjes moeten in elkaar gaan passen. Ze probeert een zo compleet mogelijk mens te worden: intellectueel, seksueel, ethisch, bovendien wil ze een goede moeder en een goede echtgenote zijn. Ze wil ook een ethisch goed mens zijn, de juiste waarden voorstaan en uitdragen. Is dat het socialisme? Het moederschap? Het docentschap? Echtgenote zijn? Ze weet het niet. En dan die strijd tussen gevoel en verstand, wat moet je daarmee?
Postma noemt dat ‘tijdrekkend vertellen’. Je verwacht als lezer dat alles wat Eva denkt direct aan jou kenbaar gemaakt wordt. Maar dat is niet zo, zo werkt literatuur niet, zo werkt deze roman niet. Postma geeft als voorbeeld: in hoofdstuk 1 maakt Eva een wandeling van een half uur; dat neemt 10 pp’s in beslag; hierover gaan 3 over seksualiteit; 5 over een herinnering aan haar geliefde leraar (van wie bijles heeft, niet omdat ze dom is maar juist omdat ze zo slim is), en de gesprekken die zij gevoerd hebben.

Hiermee zijn we er nog nog niet. Behalve een coming of age-roman of een bildungsroman is dit boek m.i. ook een tendensroman, een ideeënroman. Het thema is: een vrouw is een mens en kan zich net als een man ontwikkelen tot een zelfstandig en zelfbewust wezen. Een uiterst feministisch thema dus. Dit hoofdthema wordt geconcretiseerd in Eva’s seksuele ontwikkeling; Eva wordt ten lange leste een vrouw met een zelfbewust en gezond erotisch gevoel. Een zeer feministisch en gewaagd thema. Overigens noemt Postma de seksualiteit een motief, maar het is altijd een beetje een gesteggel wat nu een thema is en wat een motief. De twee liggen een beetje in elkaars verlengde.
Deze mix van tendensroman en bildungsroman vergemakkelijkt het lezen niet.

Postma probeert te verduidelijken dat de stijl van de roman ook verandert in de loop van het boek en dat dat samenhangt met de ontwikkeling van het personage Eva. Stijl en menselijk ontwikkelingsniveau en hoe Eva over zichzelf en het leven denkt veranderen; Postma laat dat onder andere zien aan het gebruik van het ik- je- en zij-perspectief. Maar ik geloof dat ik haar uitleg niet helemaal overtuigend vind.
Dat gebruik van ik, je en zij van Eva over zichzelf is ingewikkeld, maar we denken immers ook ingewikkeld over onszelf. We denken soms ik, we denken soms je over onszelf als we bijvoorbeeld in - interne - dialoog zijn met onszelf of met anderen, of wanneer we onszelf iets proberen op te leggen: “Eva, je moet nu eens wat assertiever worden” (mijn voorbeeld, rdv, CvB zou het woord assertief niet gebruiken). Maar het gebruik van zij, het personale-perspectief noemt Postma dat (wellicht in engere zin? nou ja, vergeet maar), vind ik zelf moeilijk te duiden. Mijn gedachten hierover zijn zo troebel dat ik maar geen poging doe ze te formuleren.

Alle informatie die we als lezer krijgen, komt uit Eva zelf. Soms herinnert Eva zich wat andere mensen over haar zeiden, bijvoorbeeld dat ze een ‘allumeuse’ zou zijn, een echte flirt, een verleidster, maar zelf overdenkt ze of ze dat ook zo vindt, nee, dat vindt ze eigenlijk niet.
Dat alle info alleen maar van de hoofdpersoon komt is het volstrekte tegendeel van hoe de info uit een auctoriële roman tot jou als lezer komt. In de laatste vorm is er een vertelinstantie van buiten die ons van alles meedeelt; die instantie kan in alle hoofden kijken, weet het verloop van het verhaal; zij moet het verhaal en de personages alleen maar gestructureerd en spannend tot ons brengen.
De personale roman, zoals dat heet, is het volstrekte tegenovergestelde. We kunnen alleen maar weten wat het personage zelf denkt en aan ons meedeelt. Dat kan betekenen dat we niet een ‘werkelijk’ beeld van de realiteit krijgen. Kortom: modernisme (Joyce, Woolf, wellicht ook Henry James, die wat eerder schreef). Ik ga daar nu verder niet op in; hierboven staan prachtige links.

Aanvankelijk meende ik ook dat de hoofdpersoon wat aan de zwaarmoedige kant was, maar dat is, denk, ik een vertekening die optreedt wanneer je alleen maar te maken krijgt met de gedachten, twijfels, overdenkingen, afwegingen, leermomenten van één personage. Je krijgt dan ook de indruk dat zij zich wat afzijdig houdt van anderen, dat is soms ook wel zo, maar die eenzijdige gerichtheid suggereert, niet altijd terecht, dat zij moeilijk connectie kan maken met anderen. Je zit als lezer voortdurend alleen maar in Eva’s hoofd. Ga maar eens na wat je zelf de hele dag door denkt, waaraan allemaal, welke afwegingen je maakt, waar je over twijfelt, waar je geen zin in hebt; dat alles betekent niet perse dat je depressief bent. In deze zin is deze roman van Van Bruggen misschien zelf wel een ultieme psychologische roman. Ik hou niet zo van de term psychologische roman, want wat aangeduid wordt met dat genre vind ik over het algemeen te cliché.

Van Bruggen zelf had de bedoeling met Eva een ethisch-levensbeschouwelijke roman te schrijven. Van het estheticisme van de Beweging van Tachtig moest ze niet veel hebben noch van het naturalisme van Emants en Van Deyssel. Over het gedachtegoed van Frederik van Eeden was ze wel te spreken; kijk maar eens hoe vaak ze het heeft over Johannes Viator van Van Eeden en ook van zijn De kleine Johannes. Veel heb ik gelezen van Van Eeden maar Johannes Viator staat nog in de kast. Ik weet heel goed hoe het boek eruitziet, aan de buitenkant. Het is een boek over de liefde. Van Eeden was socialistisch maar vooral spiritueel en esoterisch geïnteresseerd. Dat esoterische lees ik tussen de regels in Eva ook. De exaltatie die de natuur in Eva oproept raakt aan het numineuze, het goddelijke (zonder van God te zijn); de roman eindigt ook met de vermelding van de Unio Mystica, Alles is Een. Daarbij moest ik zelf ook denken aan Etty Hillesum, een joodse schrijfster en filosoof ten tijde van WOII. Daar ga ik hier niet op in.
Ook had ze niet veel op met de vrouwenbeweging uit haar tijd; zij was daar eenvoudig te eenzelvig en te individualistisch voor, en te intelligent, denk ik.

De ontwikkeling van Eva en de eenheid van de roman: die beide moet je echt zien als onlosmakelijk met elkaar verbonden (dat toont Postma redelijk overtuigend aan). Die eenheid wordt gedragen door het gebruik van motieven en terugkomende herinneringen. Iedere keer lezen we herinneringen aan thuis, aan David, aan de natuur, aan vrienden en vriendinnen, school, de leraar aan het begin die haar opstel leest en op ze een enorme crush heeft,; iedere keer krijgt die herinnering een diepre kleur en betekenis. David staat natuurlijk voorop, ook als hij dood is, maar ook iets simpels als de Bengaalse lucifers (een keer of drie, denk ik); het moederschap ook, haar leven op school, het socialisme, de boeken die ze leest (Colette, Frederik van Eden, en nog veel meer).
Eva denkt in golfbewegingen; van elke golfbeweging blijft wat over, een woord, een flard herinnering, en de resten worden samengevoegd tot één inzicht; wat voorheen irrelevant leek, warrig, onverklaarbaar, onduidelijk, blijkt bij te dragen aan Eva’s inzicht. Wat Eva denkt en waarop ze het denkt, daardoor wordt ze als personage gekarakteriseerd (met oa dank aan Postma).

Eerder heb ik al gezegd dat seksualiteit een thema is in dit boek, een betekenisdrager misschien wel, vrouwelijke seksualiteit moet ik zeggen, want Eva tobt ook over het verschil tussen de ervaringen van mannen en van vrouwen. Ze merkt dat mannen een ander idee hebben over liefde en seks dan vrouwen, dan zijzelf. Bij haar man Ben vindt ze bovendien niet die lichamelijke sensatie die haar gelukkig maakt. Ze houdt van hem maar haar eigen schaamte en zijn gebrek aan seksuele hartstocht doen haar naar andere mannen kijken, en niet alleen kijken, ook zoenen (oa André, dokter Jaap). Mannen en vrouwen vinden dat Eva een flirt is. Zelf vindt ze dat uiteindelijk niet of ze onderzoekt in zichzelf wat dat nou betekent zo’n woord.
Postma stelt met grote zekerheid dat David homoseksueel is; ik zie het eerder als intense suggestie, net als de suggestie van de onzedelijke - lesbische - kus van Addy op Eva’s mond. Absoluut komt homoseksualiteit aan de orde in deze roman, maar wel door de ogen van Eva. Ze heeft tolerante opvattingen daarover; ze is namelijk een heel ruimdenkende vrouw, in principe, qua denkbeelden en qua gevoel.
Het socialisme speelt een belangrijke rol in haar leven maar ook hiertoe stelt zij zich afstandelijk op, net als Van Bruggen zelf: wel is er de overtuiging maar de zin zich aan te sluiten bij de grote groep ontbreekt.

In zekere zin voelt Eva zich meer op haar gemak met mannen, vermoedelijk vanwege het intellectuele gehalte van de relaties maar ook door het erotische aspect bestaat. Met het vrouwengedoetje voelt Eva zich minder op haar gemak, maar ze heeft ook vriendinnen.

De roman wordt verteld in acht hoofdstukken, die alle een periode uit Eva’s vertellen, over school, David, kinderen. Het laatste hoofdstuk speelt zich behoorlijk veel later af; dit is het meest geëxalteerde hoofdstuk. Van Bruggen gaat helemaal los in beschrijvingen van gelukzaligheid. Eva lijkt haar bestemming bereikt te hebben. Ze heeft nu een erotische ervaring gehad die haar helemaal gelukkig maakt. Lichaam en geest zijn één geworden. En het gelukkigst van alles is dat er no strings attached zijn. Haar minnaar, een man die ze heel vroeger ooit in het voorbijgaan zag tijdens een concert (muziek is belangrijk; ik moest denken aan Hermann Hesse, De steppenwolf), is getrouwd met een invalide vrouw. Eva en hij kunnen niet samenzijn. Dat verdriet haar niet, in tegendeel. Ze is vrij, ze heeft haar bestemming bereikt, ze is een gelukkige en vervulde vrouw. Mocht ik eerder denken dat Eva een koele, getraumatiseerde, zwaarmoedige vrouw was, het laatste hoofdstuk bewijst absoluut het tegendeel.

‘...en het einddoel van alle vrijheid is het rustig tegemoetzien van de dood.’ (ib: 973) (vrij naar Montaigne; de laatste zin van de roman)



Nog niet heb ik het gehad over de naam Eva. Die is niet toevallig; die van David natuurlijk ook niet; beide namen zijn Oudtestamentair, of voor joden uit de Thora. Eva staat voor de Vrouw der vrouwen; het is Eva die in het Paradijs het voortouw neemt tot de menselijke ontwikkeling; zij plukt de appel van de Boom van Goed en Kwaad; door Eva worden wij waarlijk mens, in plaats van als een soort dier te blijven rondkuieren in de Hof van Eden. Van Adam moeten wij het niet hebben. Eva is de waarlijke en volkomen vrouw, de waarlijke en volkomen mens zelfs. Zo feministisch als het maar zijn kan!

Een laatste opmerking wil ik nog maken. Die gaat over het belang dat de natuur speelt in deze roman: het water (dat vaak staat voor bewustwording, zeker bij meer esoterisch geïnteresseerden; zie bijvoorbeeld ook Kate Chopin, The Awakening), het kanaal, de sloten, de zee, de Waddenzee, de Waddeneilanden, de weides, de molens, het groen, de sneeuw (de onbezoedeldheid), enfin... In alle natuurbeschrijvingen is zij gelukkig. De natuurbeschrijvingen raken aan het numineuze. Ik zie daar een soort Natureingang in. De Natureingang is een begrip uit de Middeleeuwse lyriek. Gedichten over de liefde en de onmogelijkheid van de liefde worden voorafgegaan door een bepaalde lyrische natuurbeschrijving, die over het algemeen de geestestoestand en het gevoelsleven van de dichter, de troubadour, onthullen. Een krachtige topos, die nog steeds gebruikt wordt, meer dan over het algemeen onderkend wordt. In Eva wordt deze toop veelvuldig gebruikt. En ik denk dat de natuurbeschouwing in ieders gevoel en grote rol speelt. Als je gelukkig bent ziet het er buiten mooi uit, de vogeltjes fluiten, de bloemen kleuren dieper dan gewend bent, de bomen staan fier in het blad. Als je droevig bent, zie je juist de kale takken van de bomen, het uitgedroogde gras, het dode vogeltje.


Eva van Cary van Bruggen, Eva en Carry, twee loten aan eenzelfde stam; een moeilijk boek, maar een belangwekkend boek: modernistisch, feministisch, zelfbewust en intellectueel. Daarom geef ik toch vijf sterren.
Ik hoop dat Carry van Bruggen gelezen blijft worden. Zij is de Nederlandse Virginia Woolf.













*Fontijn was lange tijd werkzaam als universitair docent bij de vakgroep Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast was hij literatuurcriticus van Het Parool en Vrij Nederland.

In het bijzonder heeft Fontijn zich beziggehouden met de biografie als literair genre, waarover hij diverse studies schreef. Zijn hoofdwerk is de tweedelige biografie van Frederik van Eeden, verschenen in 1990 en 1996. Het eerste deel Tweespalt was tevens zijn dissertatie bij zijn wetenschappelijke promotie aan de Katholieke Universiteit. Nijmegen. Daarnaast wijdde hij studies aan Herman Heijermans, Frans Coenen, Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan (rdv Carry’s broer).

Hij heeft vele publicaties op zijn naam staan. Hiertoe behoren opstellen over Populaire literatuur, een schoolboek Ik heb al een boek over romananalyse en essays over mystiek, muziek, decadentie en literatuur. Daarnaast publiceerde hij over literaire stromingen als futurisme, dadaïsme, constructivisme en surrealisme. Ook een enigszins autobiografische roman Biefstuk en benzine, verschenen in 2003, waarvoor hij werd genomineerd voor de Gerard Walschapprijs. (Wikipedia)




Over de auteur:

Carry van Bruggen, schrijversnaam van Carolina Lea de Haan (Smilde, 1 januari 1881 – Laren, 16 november 1932) was een Nederlandse schrijfster. Ze schreef ook onder de pseudoniemen Justine Abbing en May. Ze was de bijna een jaar oudere zus van de Nederlandse schrijver, jurist, significus en politicus Jacob Israël de Haan, die geboren werd op 31 december van hetzelfde jaar.
(rdv: dus in werkelijkheid niet haar tweelingbroer)

Van Bruggen bracht haar jeugd door in Zaandam en was een van de zestien kinderen van een streng joods-orthodoxe voorzanger (chazan). In 1900 werd ze onderwijzeres in Amsterdam en in 1904 trouwde ze met de journalist en schrijver Kees van Bruggen. Met hem ging ze in Nederlands-Indië wonen.

Boeken

In 1907 kwamen Carry en Kees van Bruggen terug naar Nederland, toen ook haar eerste boek werd gepubliceerd, In de schaduw. In 1914 (in dat jaar schreef zij Het Joodje) verhuisde het echtpaar van Amsterdam naar het Noord-Hollandse Laren, maar het was geen goed huwelijk en ze scheidden in 1917. In haar boek Een coquette vrouw (1915) verwerkt zij haar ervaringen van haar mislukte huwelijk. Ze hertrouwde in 1920 met kunsthistoricus Adriaan Pit en nam de naam Carry Pit-de Haan aan, maar bleef schrijven onder de naam Carry van Bruggen. In deze periode schreef ze onder andere Prometheus (1919), Eva (1927) en haar bekendste werk Het huisje aan de sloot (1921). Het laatste is een verhalenbundel met 25 korte episodes uit het leven van "een meisje en haar tweelingbroertje", ofwel herinneringen uit haar jeugd in Zaandam. Haar 'taalboek' Hedendaagsch Fetischisme (1925) bevat een kritische beschouwing over taal en taalkunde.


Depressiviteit

Van Bruggen leed aan klinische depressie en vanaf 1928 werd ze regelmatig in verpleeghuizen opgenomen. In 1932 overleed ze in haar woonplaats Laren aan een longontsteking, opgelopen nadat ze door een overdosis slaapmiddelen in coma was geraakt. Gezien haar regelmatig gebruik van een groot aantal slaapmiddelen (barbituraten) is het niet zeker of het om zelfdoding gaat. Ze ligt –onder haar schrijversnaam Carry van Bruggen– begraven op het algemene gedeelte van het Sint Janskerkhof in Laren.


Canon van de Nederlandse letterkunde

Carry van Bruggen is opgenomen in de Canon van de Nederlandse letterkunde, die in 2002 door de leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde werd omschreven. Als auteur staat zij op plaats 46. In de lijst van Literaire werken staan haar studie Prometheus- een bijdrage tot het begrip der ontwikkeling van het individualisme in de literatuur (op 83) en haar roman Eva (op 107).



Standbeeld

Sinds 1997 staat er ter herinnering aan Carry van Bruggen in de Zaandamse spoorbuurt een bronzen beeld door Helen Frik van een boekenkast met haar werken. Naast het Carry van Bruggenhof in Laren zijn er ook in andere plaatsen (waaronder Assen, Den Haag, Utrecht, Apeldoorn, Zwolle, Castricum, Hoofddorp, Wormerveer en Smilde) straten naar haar vernoemd.



Bibliografie:

Titel: Eva; in: Vijf romans
Auteur: Carry van Bruggen
Uitgever: Querido
Jaar: 1980
Aantal pagina’s (totaal): 980
(Het is mijn eigen boek; Eva is ook apart uitgegeven, oa als Salamandertje)

Reacties op: Eva en Carry, hand in hand of Let’s talk about sex, baby... En waarom dit zo’n moeilijke roman is...

20
Eva - Carry van Bruggen
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Bestel dit boek bij Libris.nl Bestel het boek vanaf € 15,99 Bestel het e-book € 4,99
E-book prijsvergelijker