Lezersrecensie
Waar water regeert en een vrouw zichzelf wordt
De dijkgravin van Marie Gevers, verschenen in 1931 in het Frans, lees je met je zintuigen. Vanaf de eerste pagina heb je het gevoel dat je niet alleen een verhaal binnengaat, maar een landschap: een wereld waarin water, wind en aarde evenveel zeggingskracht hebben als mensen.
“In ons vlakke land is de Schelde koning. […] de stroom regeert over het land en gaat waarheen hij wil.”Die zin zet niet alleen de toon, hij bepaalt alles wat volgt. Wie deze roman leest, begrijpt al snel dat de ware hoofdpersoon niet Suzanna Briat is, maar de Schelde zelf — grillig, verleidelijk, bedreigend en levensnoodzakelijk tegelijk. Het verhaal speelt zich af langs de Schelde, in een gebied dat generaties lang met hard werken op het water is veroverd. Dijken, sluizen, kapelletjes en kerken zijn hier geen decorstukken, maar dragers van geschiedenis en betekenis. Wie dit boek leest, voelt hoe nauw mens en land met elkaar zijn verweven — en hoe broos die verhouding is.
Een stervende vader, een groeiende verantwoordelijkheid
Wanneer het verhaal begint, is Jules Briat, dijkgraaf in het Scheldedorp Weert, ziek. Zijn jonge dochter Suzanna voert al jaren zijn taken uit. Ze inspecteert dijken, kent de schorren, leest het getij. Ze kent het gebied, de gebruiken, de mensen. Haar handelen is praktisch, vanzelfsprekend, bijna geruisloos. Iedereen vindt het prima. Gevers beschrijft dit alles met vanzelfsprekendheid: zo is het nu eenmaal gegroeid.
Na de dood van de vader blijven werk en verantwoordelijkheid liggen. Er moet een nieuwe dijkgraaf komen — en langzaam, bijna terloops, schuift de kernvraag naar voren: mag dat ook een vrouw zijn?
Wat volgt is een langzaam escalerende spanning tussen traditie en verandering, tussen sociale conventie en individuele geschiktheid. Suzanna wordt niet alleen beoordeeld op haar capaciteiten, maar op haar sekse, haar afkomst en haar bereidheid zich te voegen.
Een Bildungsroman in een landschapstaal
De dijkgravin is een Bildungsroman: het verhaal van een jonge vrouw die leert onderscheiden wat van haar wordt verwacht en wat zij zelf verlangt. Die ontwikkeling voltrekt zich via drie mannen, elk verbonden met een andere levenshouding.
Trifon, de knecht en weesjongen, is lichamelijk sterk, eenvoudig en diep verbonden met het landschap. Zijn naam verwijst niet toevallig naar Triton: hij is bijna de Schelde: “Machtig en sterk als de opgehoopte aarde van de Scheldeoevers.” Hun aantrekkingskracht is intens, maar sociaal onaanvaardbaar.
Max Larix, (de achternaam verwijst naar de lariks, een boom die voorkomt in het Scheldegebied) met zijn zangopleiding, zijn plannen om naar Congo te gaan, de man die graag wandelt door de schorren en die er een stukje land heeft geërfd. Met zijn ideeën over rendement, vertegenwoordigt hij een wereld van cultuur en kapitaal. Waar Trifon samenvalt met de natuur, wil Larix haar organiseren en benutten.
Mon, de brouwer, staat voor het verstandshuwelijk: een strategische verbintenis om grond en invloed te verwerven.
Suzanna wordt met name aangetrokken tot Trifon en Max, maar haar groei bestaat niet uit het kiezen van de ‘juiste’ man, maar uit het leren herkennen van haar eigen grenzen. Dat maakt haar ontwikkeling overtuigend en modern.
Land winnen, water lezen
Gevers verankert haar roman diep in de historische realiteit van het Scheldeland. Dijken, schorren, grienden en sluizen vormen het ritme van het verhaal. Het onderhoud is zwaar, eindeloos en noodzakelijk. Bij springtij, dijkverzakkingen en molsgangen is er geen tijd voor twijfel.
Oude gebruiken krijgen een betekenisvolle plaats: de luiken die open blijven zolang de vader nog niet begraven is, de strikte rouwperiode van “een jaar en zes weken” vóór een huwelijk mogelijk is, het kapelletje van Onze-Lieve-Vrouw van Luipegem waar men de hand kan dopen in het “water-dat-nooit-bevriest” om een spoedig huwelijk af te smeken. Het zijn sociale regels die het leven — en vooral dat van vrouwen — strak omlijnen.
Ritme van het water
Het landschap weerspiegelt wat de personages bezighoudt. Gevers’ stijl is lyrisch, meanderend, zintuiglijk. Haar zinnen volgen het ritme van het water. Wanneer twijfel en dreiging toenemen, wordt het water zwaar en onrustig; wanneer er rust is, ademt het land mee.
Wanneer Suzanna wordt overspoeld door emoties, gebeurt dat letterlijk: “Het dijkland met zijn miljoenen madeliefjes begon om haar heen te wervelen; al haar blijdschap om die mooie, lentelijke Schelde smolt tot een hete tranenbui.” Hoogtij en eb worden innerlijke bewegingen. Wanneer Suzanna met Max langs de dijk staat, merkt zij het keren van het water nog vóór het zichtbaar is: “Ze riep uit dat het tij bedaarde; dat kon ze zien aan de neren van de rivier.”
Liefde, twijfel en verlangen volgen hetzelfde getij als de Schelde.
Dorpsgeest, roddel en verzet
Wanneer Trifon vertrekt – geruchten circuleren over een buitenechtelijk kind – toont Gevers hoe snel een gemeenschap een vrouw veroordeelt. Mannen houden afstand, roddels zwellen aan, reputaties worden ondermijnd. Tegenover dat collectieve oordeel staat Suzanna’s stille volharding: “Alleen haar diepe gehechtheid aan de streek en haar liefde voor de natuur vrijwaarden haar nog voor een te enge dorpsgeest.” . Suzanna moet zich staande houden in een mannenwereld waarin gezag samenvalt met gender.
Tussen het lyrische natuurproza klinken ook aardse, menselijke stemmen, zoals die van haar dienstmeid Joke. Zij durft te zeggen wat Suzanna zelf nauwelijks toelaat. Wanneer Suzanna dreigt Max Larix te laten lopen, vanwege sociale conventies, klinkt het ontwapenend eenvoudig: “Stom kind, gode den dien ook ak loten vertrekken.”
Suzanna wordt dijkgravin, maar de Schelde blijft bewegen. En precies daarin ligt de kracht van deze roman — in het besef dat volwassenwording geen eindpunt is, maar een leren leven met getij, twijfel en verantwoordelijkheid. Zoals het water zelf: altijd in beweging, nooit volledig te temmen.
De uitgave wordt afgesloten met twee nawoorden. Stefaan van den Bremt tekent voor een herziene vertaling uit het Frans, met veel aandacht voor ritme en zintuiglijkheid. Het is een vertaling die je niet als zodanig voelt, maar als levende taal.
Annelies Verbeke plaatst de roman in zijn historische en literaire context. Ze belicht onder meer Jeanne Thielemans, de echte dijkgravin die Gevers inspireerde, en gaat in op de band met Emile Verhaeren, die haar werk ondersteunde en wiens grafmonument aan de Oude Schelde in de roman opduikt.
—
Voor het eerst gepubliceerd op Boekenkrant.com
Leesadvies voor jongeren
Stel je voor: je groeit op langs de machtige Schelde, waar water alles bepaalt. Suzanna moet kiezen wie ze wil zijn, wie ze liefheeft en hoe ze haar vrijheid bewaart. De dijkgravin is een avontuurlijke, zintuiglijke roman over liefde, moed en zelf kiezen, met de natuur als bondgenoot.
“In ons vlakke land is de Schelde koning. […] de stroom regeert over het land en gaat waarheen hij wil.”Die zin zet niet alleen de toon, hij bepaalt alles wat volgt. Wie deze roman leest, begrijpt al snel dat de ware hoofdpersoon niet Suzanna Briat is, maar de Schelde zelf — grillig, verleidelijk, bedreigend en levensnoodzakelijk tegelijk. Het verhaal speelt zich af langs de Schelde, in een gebied dat generaties lang met hard werken op het water is veroverd. Dijken, sluizen, kapelletjes en kerken zijn hier geen decorstukken, maar dragers van geschiedenis en betekenis. Wie dit boek leest, voelt hoe nauw mens en land met elkaar zijn verweven — en hoe broos die verhouding is.
Een stervende vader, een groeiende verantwoordelijkheid
Wanneer het verhaal begint, is Jules Briat, dijkgraaf in het Scheldedorp Weert, ziek. Zijn jonge dochter Suzanna voert al jaren zijn taken uit. Ze inspecteert dijken, kent de schorren, leest het getij. Ze kent het gebied, de gebruiken, de mensen. Haar handelen is praktisch, vanzelfsprekend, bijna geruisloos. Iedereen vindt het prima. Gevers beschrijft dit alles met vanzelfsprekendheid: zo is het nu eenmaal gegroeid.
Na de dood van de vader blijven werk en verantwoordelijkheid liggen. Er moet een nieuwe dijkgraaf komen — en langzaam, bijna terloops, schuift de kernvraag naar voren: mag dat ook een vrouw zijn?
Wat volgt is een langzaam escalerende spanning tussen traditie en verandering, tussen sociale conventie en individuele geschiktheid. Suzanna wordt niet alleen beoordeeld op haar capaciteiten, maar op haar sekse, haar afkomst en haar bereidheid zich te voegen.
Een Bildungsroman in een landschapstaal
De dijkgravin is een Bildungsroman: het verhaal van een jonge vrouw die leert onderscheiden wat van haar wordt verwacht en wat zij zelf verlangt. Die ontwikkeling voltrekt zich via drie mannen, elk verbonden met een andere levenshouding.
Trifon, de knecht en weesjongen, is lichamelijk sterk, eenvoudig en diep verbonden met het landschap. Zijn naam verwijst niet toevallig naar Triton: hij is bijna de Schelde: “Machtig en sterk als de opgehoopte aarde van de Scheldeoevers.” Hun aantrekkingskracht is intens, maar sociaal onaanvaardbaar.
Max Larix, (de achternaam verwijst naar de lariks, een boom die voorkomt in het Scheldegebied) met zijn zangopleiding, zijn plannen om naar Congo te gaan, de man die graag wandelt door de schorren en die er een stukje land heeft geërfd. Met zijn ideeën over rendement, vertegenwoordigt hij een wereld van cultuur en kapitaal. Waar Trifon samenvalt met de natuur, wil Larix haar organiseren en benutten.
Mon, de brouwer, staat voor het verstandshuwelijk: een strategische verbintenis om grond en invloed te verwerven.
Suzanna wordt met name aangetrokken tot Trifon en Max, maar haar groei bestaat niet uit het kiezen van de ‘juiste’ man, maar uit het leren herkennen van haar eigen grenzen. Dat maakt haar ontwikkeling overtuigend en modern.
Land winnen, water lezen
Gevers verankert haar roman diep in de historische realiteit van het Scheldeland. Dijken, schorren, grienden en sluizen vormen het ritme van het verhaal. Het onderhoud is zwaar, eindeloos en noodzakelijk. Bij springtij, dijkverzakkingen en molsgangen is er geen tijd voor twijfel.
Oude gebruiken krijgen een betekenisvolle plaats: de luiken die open blijven zolang de vader nog niet begraven is, de strikte rouwperiode van “een jaar en zes weken” vóór een huwelijk mogelijk is, het kapelletje van Onze-Lieve-Vrouw van Luipegem waar men de hand kan dopen in het “water-dat-nooit-bevriest” om een spoedig huwelijk af te smeken. Het zijn sociale regels die het leven — en vooral dat van vrouwen — strak omlijnen.
Ritme van het water
Het landschap weerspiegelt wat de personages bezighoudt. Gevers’ stijl is lyrisch, meanderend, zintuiglijk. Haar zinnen volgen het ritme van het water. Wanneer twijfel en dreiging toenemen, wordt het water zwaar en onrustig; wanneer er rust is, ademt het land mee.
Wanneer Suzanna wordt overspoeld door emoties, gebeurt dat letterlijk: “Het dijkland met zijn miljoenen madeliefjes begon om haar heen te wervelen; al haar blijdschap om die mooie, lentelijke Schelde smolt tot een hete tranenbui.” Hoogtij en eb worden innerlijke bewegingen. Wanneer Suzanna met Max langs de dijk staat, merkt zij het keren van het water nog vóór het zichtbaar is: “Ze riep uit dat het tij bedaarde; dat kon ze zien aan de neren van de rivier.”
Liefde, twijfel en verlangen volgen hetzelfde getij als de Schelde.
Dorpsgeest, roddel en verzet
Wanneer Trifon vertrekt – geruchten circuleren over een buitenechtelijk kind – toont Gevers hoe snel een gemeenschap een vrouw veroordeelt. Mannen houden afstand, roddels zwellen aan, reputaties worden ondermijnd. Tegenover dat collectieve oordeel staat Suzanna’s stille volharding: “Alleen haar diepe gehechtheid aan de streek en haar liefde voor de natuur vrijwaarden haar nog voor een te enge dorpsgeest.” . Suzanna moet zich staande houden in een mannenwereld waarin gezag samenvalt met gender.
Tussen het lyrische natuurproza klinken ook aardse, menselijke stemmen, zoals die van haar dienstmeid Joke. Zij durft te zeggen wat Suzanna zelf nauwelijks toelaat. Wanneer Suzanna dreigt Max Larix te laten lopen, vanwege sociale conventies, klinkt het ontwapenend eenvoudig: “Stom kind, gode den dien ook ak loten vertrekken.”
Suzanna wordt dijkgravin, maar de Schelde blijft bewegen. En precies daarin ligt de kracht van deze roman — in het besef dat volwassenwording geen eindpunt is, maar een leren leven met getij, twijfel en verantwoordelijkheid. Zoals het water zelf: altijd in beweging, nooit volledig te temmen.
De uitgave wordt afgesloten met twee nawoorden. Stefaan van den Bremt tekent voor een herziene vertaling uit het Frans, met veel aandacht voor ritme en zintuiglijkheid. Het is een vertaling die je niet als zodanig voelt, maar als levende taal.
Annelies Verbeke plaatst de roman in zijn historische en literaire context. Ze belicht onder meer Jeanne Thielemans, de echte dijkgravin die Gevers inspireerde, en gaat in op de band met Emile Verhaeren, die haar werk ondersteunde en wiens grafmonument aan de Oude Schelde in de roman opduikt.
—
Voor het eerst gepubliceerd op Boekenkrant.com
Leesadvies voor jongeren
Stel je voor: je groeit op langs de machtige Schelde, waar water alles bepaalt. Suzanna moet kiezen wie ze wil zijn, wie ze liefheeft en hoe ze haar vrijheid bewaart. De dijkgravin is een avontuurlijke, zintuiglijke roman over liefde, moed en zelf kiezen, met de natuur als bondgenoot.
1
Reageer op deze recensie
