Lezersrecensie
Een ring, zeven vuurtorens en een zee vol verhalen
Het begin van Viti en het vuurtorenpad is poëtisch, ritmisch, betoverend. Viti en zijn moeder doen boodschappen voor de week die komt. Die week spoelt aan als een golf, rolt zich uit en verdwijnt — en meteen staat de volgende alweer klaar. Voor Viti gaat de tijd te snel: hoe meer weken voorbijgaan, hoe verder die ene week wegdrijft waarin alles veranderde. In dat ene beeld vangt Lore Mutsaers de kern van haar verhaal: rouw als een ervaring van tijd die niet meer klopt.
Vader Emilio was visser en is op zee omgekomen. Sindsdien is mama, Lucia Silva, dun geworden van het gemis. Ze draagt altijd de ring die ze van papa kreeg, alsof die cirkel haar nog met hem verbindt. Wanneer die ring op een onbewaakt moment verloren raakt — gepikt door een brutale meeuw — zet dat een keten van gebeurtenissen in gang. Viti wil zijn moeder een nieuwe ring geven. Wat begint als een ongelukje, groeit uit tot een queeste vol liefde, moed en verbeelding.
Vasthouden wat dreigt te verdwijnen
Viti schrijft alles op wat met zijn vader te maken heeft. Het is zijn manier om grip te krijgen op wat verdwenen is. Opa verwoordt dat prachtig: “Ons geheugen is een zeef, maar alleen het zand valt erdoor, de mooiste schelpen blijven liggen.” Die schelpen zijn herinneringen, woorden, kleine weetjes — zoals het feit dat het hart van een vinvis zo groot is als een golfkarretje. Zulke details geven het verhaal lucht en humor. Mutsaers laat ze achteloos klinken, terwijl ze een hele levensfilosofie bevatten: wat waardevol is, blijft.
Mutsaers weeft humor door het verhaal als een tegenstroom. De kaasboerin die “Mèèh” mekkert, Viti’s worsteling met de ij en de ei, de speelse alliteraties — wankele wandelaars — laten zien dat verdriet en lachen probleemloos naast elkaar kunnen bestaan. Ook de taal zelf speelt mee. Fantasierijke namen voor vuurtorens (de Pilaar van de Potvissen, de Sigaar van de Sardientjes) en het speelse uitnodigen van de lezer om zelf een vuurtoren te benoemen: het boek knipoogt voortdurend.
Het vuurtorenpad als innerlijke reis
Centraal in het verhaal staat het Vuurtorenpad, dat langs zeven oude vuurtorens loopt en de weg wijst naar het einde van de wereld. Daar, zo vertelt opa, ligt het Strand van de Kristallen. Het is een verhaal dat Viti niet meer loslaat. Hij weet: daar moet hij zijn, daar kan hij iets vinden wat verloren is gegaan.
De tocht langs de vuurtorens is spannend zonder angstaanjagend te worden. Onderweg ontmoet Viti figuren die balanceren tussen realiteit en mythe: meigas — goedaardige heksen of wijze vrouwen uit de Galicische folklore — zwijgzame vissers en reizigers die al weken onderweg zijn. Elk gesprek, elke ontmoeting leert hem iets — niet alleen over de wereld, maar ook over zichzelf. Thema’s als herinnering, angst, moed, schuld en hoop krijgen vorm in kleine, betekenisvolle scènes. De Vuurtorenvrouw wijst Viti uiteindelijk de plek waar het Strand van de Kristallen zich bevindt. Hij moet er over de zee heen.
De walvis en de hartslag van de zee
Een van de meest ontroerende momenten is de ontmoeting met Golfje, de golf die spreekt, en later met de walvis. De zee fungeert als een tweede geheugen. Ze bewaart verhalen over vinvissen, vissers, verdronkenen en golven met een geweten. Golfje vertelt waarom hij geen golf meer wil/kan zijn. Het is een vondst die moeiteloos past binnen de poëtische logica van het verhaal: schuld, toeval en spijt krijgen vorm in natuurbeelden. De walvis, met zijn trage bewegingen en immense hart, belichaamt de ritmische rust waar Viti naar verlangt.
Schoonheid uit scherven
Het mythische doel van Viti’s reis, het Strand van de Kristallen, blijkt gebaseerd op een werkelijk bestaande plek: Praia dos Cristais in Galicië. Glasafval, ooit scherp en gevaarlijk, is door tijd en beweging veranderd in iets zachts en moois. Mutsaers heeft hiermee een krachtige metafoor voor rouw gecreëerd: het glas verdwijnt niet, maar verandert van vorm. Verdriet wordt niet weggehaald, maar getransformeerd.
Een klein kunstwerk in woord en beeld
De taal van Mutsaers is rijk, poëtisch en precies; ieder detail telt. De illustraties van Charlotte Severeyns tillen het verhaal naar een hoger niveau. Haar beelden zijn gevoelig, met harmonieuze kleuren en fijne lijnen. Ze vullen de tekst niet in, maar openen haar. Vuurtorens rijzen op als symbolen van houvast, figuren lijken te zweven tussen droom en werkelijkheid, en de zee is nooit alleen achtergrond, maar een aanwezigheid. De door Viti zelf geschreven passages maken het verhaal speelser en persoonlijker.
Viti en het vuurtorenpad is een boek dat ruimte laat voor vragen en stiltes, en laat zien hoe poëzie, humor en verbeelding samen een weg kunnen wijzen. Zoals een vuurtoren geen stormen tegenhoudt maar wel richting geeft, zo biedt dit boek geen makkelijke antwoorden — wel licht.
—
Voor het eerste verschenen op Boekenkrant
Vader Emilio was visser en is op zee omgekomen. Sindsdien is mama, Lucia Silva, dun geworden van het gemis. Ze draagt altijd de ring die ze van papa kreeg, alsof die cirkel haar nog met hem verbindt. Wanneer die ring op een onbewaakt moment verloren raakt — gepikt door een brutale meeuw — zet dat een keten van gebeurtenissen in gang. Viti wil zijn moeder een nieuwe ring geven. Wat begint als een ongelukje, groeit uit tot een queeste vol liefde, moed en verbeelding.
Vasthouden wat dreigt te verdwijnen
Viti schrijft alles op wat met zijn vader te maken heeft. Het is zijn manier om grip te krijgen op wat verdwenen is. Opa verwoordt dat prachtig: “Ons geheugen is een zeef, maar alleen het zand valt erdoor, de mooiste schelpen blijven liggen.” Die schelpen zijn herinneringen, woorden, kleine weetjes — zoals het feit dat het hart van een vinvis zo groot is als een golfkarretje. Zulke details geven het verhaal lucht en humor. Mutsaers laat ze achteloos klinken, terwijl ze een hele levensfilosofie bevatten: wat waardevol is, blijft.
Mutsaers weeft humor door het verhaal als een tegenstroom. De kaasboerin die “Mèèh” mekkert, Viti’s worsteling met de ij en de ei, de speelse alliteraties — wankele wandelaars — laten zien dat verdriet en lachen probleemloos naast elkaar kunnen bestaan. Ook de taal zelf speelt mee. Fantasierijke namen voor vuurtorens (de Pilaar van de Potvissen, de Sigaar van de Sardientjes) en het speelse uitnodigen van de lezer om zelf een vuurtoren te benoemen: het boek knipoogt voortdurend.
Het vuurtorenpad als innerlijke reis
Centraal in het verhaal staat het Vuurtorenpad, dat langs zeven oude vuurtorens loopt en de weg wijst naar het einde van de wereld. Daar, zo vertelt opa, ligt het Strand van de Kristallen. Het is een verhaal dat Viti niet meer loslaat. Hij weet: daar moet hij zijn, daar kan hij iets vinden wat verloren is gegaan.
De tocht langs de vuurtorens is spannend zonder angstaanjagend te worden. Onderweg ontmoet Viti figuren die balanceren tussen realiteit en mythe: meigas — goedaardige heksen of wijze vrouwen uit de Galicische folklore — zwijgzame vissers en reizigers die al weken onderweg zijn. Elk gesprek, elke ontmoeting leert hem iets — niet alleen over de wereld, maar ook over zichzelf. Thema’s als herinnering, angst, moed, schuld en hoop krijgen vorm in kleine, betekenisvolle scènes. De Vuurtorenvrouw wijst Viti uiteindelijk de plek waar het Strand van de Kristallen zich bevindt. Hij moet er over de zee heen.
De walvis en de hartslag van de zee
Een van de meest ontroerende momenten is de ontmoeting met Golfje, de golf die spreekt, en later met de walvis. De zee fungeert als een tweede geheugen. Ze bewaart verhalen over vinvissen, vissers, verdronkenen en golven met een geweten. Golfje vertelt waarom hij geen golf meer wil/kan zijn. Het is een vondst die moeiteloos past binnen de poëtische logica van het verhaal: schuld, toeval en spijt krijgen vorm in natuurbeelden. De walvis, met zijn trage bewegingen en immense hart, belichaamt de ritmische rust waar Viti naar verlangt.
Schoonheid uit scherven
Het mythische doel van Viti’s reis, het Strand van de Kristallen, blijkt gebaseerd op een werkelijk bestaande plek: Praia dos Cristais in Galicië. Glasafval, ooit scherp en gevaarlijk, is door tijd en beweging veranderd in iets zachts en moois. Mutsaers heeft hiermee een krachtige metafoor voor rouw gecreëerd: het glas verdwijnt niet, maar verandert van vorm. Verdriet wordt niet weggehaald, maar getransformeerd.
Een klein kunstwerk in woord en beeld
De taal van Mutsaers is rijk, poëtisch en precies; ieder detail telt. De illustraties van Charlotte Severeyns tillen het verhaal naar een hoger niveau. Haar beelden zijn gevoelig, met harmonieuze kleuren en fijne lijnen. Ze vullen de tekst niet in, maar openen haar. Vuurtorens rijzen op als symbolen van houvast, figuren lijken te zweven tussen droom en werkelijkheid, en de zee is nooit alleen achtergrond, maar een aanwezigheid. De door Viti zelf geschreven passages maken het verhaal speelser en persoonlijker.
Viti en het vuurtorenpad is een boek dat ruimte laat voor vragen en stiltes, en laat zien hoe poëzie, humor en verbeelding samen een weg kunnen wijzen. Zoals een vuurtoren geen stormen tegenhoudt maar wel richting geeft, zo biedt dit boek geen makkelijke antwoorden — wel licht.
—
Voor het eerste verschenen op Boekenkrant
1
Reageer op deze recensie
