Meer dan 5,4 miljoen beoordelingen en recensies Organiseer de boeken die je wilt lezen of gelezen hebt Het laatste boekennieuws Word gratis lid
×
Lezersrecensie

Leef!!

Jan Stoel 24 april 2023
Tien gedichten omvat de nieuwe bundel Zo stil mogelijk iets frituren van Rinske Kegel (1973). Thema’s uit haar bundel Als het maar een vacht heeft (2018) – lezen deze bundel!- komen terug: geborgenheid, het ontdekken van de wereld, twijfel, terugblikken het leven, de liefde en relaties. In de bundel gaat het over herinneren, het tijdelijke en de keuzes die je gemaakt hebt of had moeten maken. Soms gaat het om persoonlijke herinneringen (in de gedichten waar Rinske een ik-figuur ten tonele voert), soms om observaties waarin gemis getoond wordt.

Het eerste en het laatste gedicht zorgen ervoor dat de bundel mooi ‘rond’ is. Nergens gebruikt Rinske Kegel leestekens of hoofdletters. Ze gebruikt alleen witregels om ‘strofen’ te markeren, maar ook als momentjes om te overdenken, om over jezelf na te denken. Geen leestekens gebruiken creëert rust en zorgt ervoor dat je de ruimte krijgt om het gedicht op je eigen manier te interpreteren. In deze bundel is dat een krachtig instrument: constant wordt je verbeeldingskracht aan het werk gezet.

Het openingsgedicht heet ‘fantoompijn’ en laat mooi de relatie van de ik-figuur met haar vader zien en haar ontwikkeling van kind tot puber. De hand van de vader die troost, helpt en leidt komen naar voren. Maar ook een hand die loslaat, maar die ze nog altijd voelt. In de eerste strofe weet ze zich niet te herinneren of haar vader “weleens zijn grote ruwe handen / op mijn voorhoofd legde / als ik koorts had”. Dan volgt een strofe waarin vader met zijn handen stuurt, als ze bijvoorbeeld naar school fietst. Kegel verwoordt dat met een prachtig beeld: “als we naar school fietsten / als een duwboot, door alle seizoenen.” Om te besluiten met twee prachtige regels: “op een dag fietste ik onder die hand uit / maar nog altijd voel ik hem”. De ik-figuur gaat de wereld verkennen, op eigen kracht.

De wereld ontdekken

Een van de mooiste gedichten in de bundel is ‘de industriegebieden groeiden achter ons’ waarin het uitgaansleven een rol speelt. Terugkerend van een avondje uit “pedaalden” we naar huis, uit de stad eerst over asfalt / dan over zanderige tegelpaden / stroken licht met ons meedeinend.” Je ziet het voor je. Dan volgt een regel vol alliteratie: “het boemboemboem van de bassen nog / in onze benen het zadel vals een jongens hand / tegen ons kruis. Mooi dan enjambement. En dan de laatste drie regels : “sleutel in het slot / zo stil mogelijk / iets frituren.” Het leven van een puber die uitgaat en thuiskomt in een notendop. Vooral zorgen dat je ouders niet wakker worden. Kegel verbindt hier buiten (het uitgaan) met binnen (thuiskomen), maar ook wat er aan de buitenkant van het hoofdpersonage plaatsvindt en wat ze binnenin zich voelt. Je ziet het, je voelt het, je herinnert het.

De ik-figuur komt van alles tegen. In een gedicht dat zomaar een sprookje had kunnen zijn komt ze een oud meisje tegen. In een paar regels in mooie taal weet Rinske Kegel een wereld op te roepen: “met stokdroge botjes en een vleermuisachtig vel / met grijze waterogen en rimpels waar je in kon wonen / en een verschrompeld hard als een gedroogd appeltje / en ergens in haar oude buikje zat een parel zo wit als de jeugd”. Ze kijkt terug op het verleden en komt tot de conclusie dat ze niet zo braaf had moeten zijn. (Had ze maar) “wat meer geknikkerd en stoeprandje gedaan.” Mooi die tegenstelling tussen oud en jong. Nog zo’n observatie in het gedicht ‘het verdriet’ waarin ze concludeert: “niemand ziet het verdriet / maar iedereen merkt het / en niemand wil gaan slapen.” Rinske Kegel koppelt hier poëtisch de natuur aan wat de mensen innerlijk beleven: “hoe het licht huilt als het verdwijnt / achter de haven / het bloed trekt uit de lucht de nacht in / het is een broeierige avond / de mensen zitten aan het water / en doen of ze tevreden zijn.” Heldere taal, mooie metaforen en een diepe betekenis. Dat is wat Kegel in al haar gedichten zo goed doet.

Wat liefde is en wat de dood met je kan doen weet Rinske Kegel in vier regels neer te zetten in het gedicht ‘buikje’: sinds zijn vrouw is overleden / heeft de oude man een buikje gekregen / ik denk dat zijn vrouw / daar in zit”
Het laatste gedicht heet ‘komeet’ en levert wederom een prachtig beeld op. Kometen spreken tot de verbeelding, maar boezemen ook angst in. Zo’n komeet zal de aarde maar raken. Dan is het voorbij. Heb je je in je leven dan geërgerd? “Zie je een geliefde veranderen in een meubelstuk / krijg je nieuwe buren die te veel barbecueën” Dan geeft Kegel inzicht: een inslag van een komeet kun je niet voorkomen, maar je leven wel. Leef dus.

Tien gedichten die een wereld voor je openen. Een kleinood van een bundel om te koesteren.

Recensie is eerder verschenen op Bazarow.com

Reageer op deze recensie

Meer recensies van Jan Stoel