Lezersrecensie
Een lach en traan bij: Het zal je moeder maar wezen
‘’Hoe triest voor mijn moeder dat op haar begrafenis niet ik, maar die trol met haar klotsende vetheupen het podium had genomen met een één of ander zeikgedicht dat ze van internet geplukt had.’’
Heerlijk (of triest)? De toon is in ‘Het zal je moeder maar wezen’ direct in het begin van de proloog gezet en trekt daarmee alle aandacht van de lezer. Ik betrap mezelf erop dat ik de titel regelmatig omdraai: Het zullen je kinderen maar wezen!
Toen dit boek uitkwam, wilde ik het boek direct lezen. Mijn pleegmoeder zat de laatste jaren van haar leven, met dementie, in een verzorgingshuis. Daar heb je als kind gemengde gevoelens bij, al was het niet alleen maar kommer en kwel. Er viel ook regelmatig wat te lachen. Mede daardoor was ik heel nieuwsgierig waar dit verhaal naar toe ging.
Het verhaal
De ik-persoon in het nieuwe boek van Karin Bruers heet Karin. Veelzeggend, want dat zet je meteen aan het denken. Hé, het is echt! Je voelt meteen herkenning. *Het zal je moeder maar wezen, is dan ook veel meer dan een tragikomedie, het is tevens een analyse hoe verschillend mensen uit een familie, om kunnen gaan met meningsverschillen en gevoelens (van de ander).
De familie in het boek draait om vijf volwassen kinderen, en hun aanhang. Het personage Karin heeft twee broers en twee zussen: Otto, Corné, Els en Francien Ze hebben noodgedwongen met elkaar te maken als hun moeder naar een verzorgingshuis moet. Ze is vierentachtig en dementerend.
Gelukkig is er al snel een geschikt onderkomen gevonden. Geregeld door de oudste kinderen. De onderlinge relaties komen echter op scherp te staan als blijkt dat moeder doelbewust op een gesloten afdeling terecht is gekomen.
‘Mevrouw Bruers, kijk eens wie er is?’
Daar zat mama in haar eentje in elkaar gedoken op de rand van een ziekenhuisbed aan een papieren zakdoekje te frommelen. Een steek in mijn hart. God weet hoelang ze daar al zo zat….
Als Karin vol vertrouwen op bezoek komt, in het nieuwe onderkomen, treft ze haar moeder daar helemaal in paniek aan. De wanhoop, en verdriet waarmee haar moeder haar vastklampt, laat Karin (en de lezer) niet meer los en samen met Francien (de jongste zus van Karin) beraamt ze een plan om haar moeder te ontvoeren uit het tehuis en op te nemen in haar eigen gezin.
Maar dan breekt de hel los. Voor ieder lid van de familie start een eigen acceptatieproces, maar hiervoor moeten ze de confrontatie met elkaar én met zichzelf aangaan, want ook familiebanden hebben hun grenzen. De grauwe realiteit breekt al snel op.
De roman is lekker leesbaar, maar onverbloemd geschreven. Het verhaal boeit van af het begin. Het is een hilarisch, maar tegelijkertijd ook een pijnlijk besef van deze tijd. Een verslag met herkenbare dialogen over wat dementie met mensen doet en een samenleving waarin oudere mensen worden opgeborgen en als last worden ervaren.
Ik weet dat fictie en feiten door elkaar heenlopen, maar tegelijkertijd roept het ook vragen op, want ik vraag me af hoe komt het dat broer Otto, in zijn jeugd toch beschermend en liefdevol naar zijn moeder, zo’n eikel is geworden?
Vijf sterren
van Uitgever Lebowski