Advertentie

Over opgroeien en omgaan met de realiteit als op één na jongste kind in een groot middenstandsgezin in Amsterdam tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Over opgroeien tot een individu dat uiteindelijk eigen keuzes maakt.

'Ik heb mijn eigen wereld waar niemand aan kan komen. Ik heb een geheim dat niemand kent.'

Dat denkt de hoofdpersoon in deze debuutroman van Jan Fontijn die al eerder de essaybundels 'De Nederlandse schrijversbiografie' (1992) en 'Broeders in bedrog' (1997) en van de geroemde tweedelige biografie over Frederik van Eeden: 'Tweespalt' (1990) en 'Trots verbrijzeld' (1996).

Een toegankelijk, vlot leesbaar boek waarbij de invloed van het geloof blijft doorklinken.

In deel I zitten we in het hoofd van de op één na jongste zoon van het grote katholieke gezin met twaalf kinderen. Met z'n vader en moeder erbij zijn ze met z'n veertienen. Allemaal in één huis!

Ze wonen in een hoekhuis met een deel dat op de dijk staat met zijn deftige bewoners en het andere deel in de straat met bewoners die minder deftig zijn. Elk deel heeft een aparte deur. Dijk- en straatbewoners kennen elkaar niet en willen elkaar ook niet kennen. In het eerste deel ging ik bijna verlangen naar leven in de tijd van de grote gezinnen.

Met begrip en mededogen beschrijft Jan Fontijn het opgroeien van de kleine Jan (autobiografisch?) door alle fasen heen van kind tot volwassene.

In het grote gezin is er voortdurend een strijd aan de gang tussen zijn broers onderling, tussen zijn broers en zijn vader, tussen zijn broers en zijn zusters, tussen zijn zusters onderling. Het duizelt hem. Toen hij heel klein was, leerde hij snel dat het beste is totaal onopgemerkt te blijven.

'Er zijn momenten in de dag dat hij zich veilig voelt. Dat is 's morgens van zeven tot acht. Dan is hij vaak alleen met zijn moeder in de kamer. Ze zet thee en smeert boterhammen. Het is doodstil. Er zijn geen stemmen en ook de radio is niet aan. Nooit is hij dichter bij haar dan in dat uur.'

Dan is hij even weg voor de problemen van alledag. Later snuift hij aan een in benzine gedrenkte doek in de kelder van het huis van zijn vader om te ontkomen aan de dagelijkse problemen.

In het begin van deel 2 is de oorlog nog altijd even saai als het pakken van distributiebonnen op zaterdagavond in de slagerswinkel van zijn vader. Maar het spook van de oorlog komt snel dichterbij en niemand zal eraan ontsnappen. De sirenes loeien nu bijna elke dag. Luchtgevechten, granaatscherven. Zijn collectie granaatscherven wordt groter met de dag, de porties vlees op hun bord steeds kleiner.

Zijn vader ziet zich genoodzaakt om de slagerij te sluiten nadat hij dertig of veertig jaar heeft rondgelopen in een witte slagersjas. Zijn vader begint te drinken, zijn moeder wordt wanhopig en kan het niet meer aan. Hij wordt geconfronteerd met de dood wanneer zijn jongste broertje Henk, die ziekelijk was, sterft. Het gezin valt uiteen. Er is de strijd met zijn vader. En altijd is er de druk van het geloof.

Op school leert hij de literatuur kennen en ondertussen doet hij zijn eerste seksuele ervaring op.

Het laatste deel doet je verlangen naar de geneeskunde van nu. Zijn moeder wordt ongeneeslijk ziek. Hij doet de belofte om Jezuïet te worden als ze van haar dodelijke ziekte zal genezen. Wanneer zijn moeder sterft ontstaat een diepe geloofscrisis en zal niets nog hetzelfde zijn. De geloofsrituelen en tradities verliezen hun magie. Literatuur neemt de plaats in van het geloof dat invloedrijk aanwezig was door schuldgevoel aan te praten en zinloos lijden verheerlijkte.

Uiteindelijk groeit hij op tot een unieke volwassene die zijn eigen keuzes zal maken.

'Hij staat op en loopt de kerkbank uit. Een klasgenoot kijkt hem verbaasd aan omdat de mis nog niet afgelopen is. Bij de deur draait hij zich om en kijkt nog even de kapel in. Hij loopt de gang in op weg naar buiten. Op straat aarzelt hij of hij links of rechts zal gaan? Hij kan kiezen wat hij wil. Hij is vrij, niemand wacht op hem.'

Het epigram

'Wij lijken op lammeren die spelen in de wei terwijl de slager er met zijn ogen al een paar uitzoekt: want in onze dagen weten we niet welk onheil het noodlot nu al voor ons in petto heeft - ziekte, vervolging, armoede, verminking, blindheid, waanzin, dood enzovoorts.'

Arthur Schopenhauer



'Red stains on the clean white bib, the butcher's apron hanging like an abstract expressionist painting, on the museum wall of my childhood.'

Diana Wakoski

Zeer de moeite waarde om te lezen. Een schitterend debuut.

Reacties op: Over opgroeien en groot worden

2
Biefstuk en benzine - J. Fontijn
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie E-book prijsvergelijker