Lezersrecensie
Er waren eens drie gratiën in Mechelen
(Liefdes)verhalen – al dan niet waar gebeurd en spelend ten tijde van de Tweede Wereldoorlog – vallen op dit moment bij veel lezers in de smaak. Van dergelijke verhalen waarin ‘gewone’ mensen een hoofdrol spelen, zijn mooie voorbeelden te noemen: Het vergeten verhaal van een onwankelbare liefde in oorlogstijd van Charles den Tex en Anneloes Timmerije; en ’t Hooge Nest van Roxane van Iperen.
Wat mijn moeder mij vertelde berust op historische feiten en het gezin Calluy heeft echt bestaan, maar dat is niet genoeg om van dit boek een lezenswaardige kroniek over een gezin in oorlogstijd te maken. De auteurs Karine Huts en Ivo Pauwels lijken de Tweede Wereldoorlog alleen te gebruiken om een kader te hebben waarbinnen zij de familie Calluy en enkelen van hun vrienden kunnen plaatsen. Een gewichtig aandoend raamwerk om een verder weinig om het lijf hebbend liefdesverhaal te vertellen. Van de Tweede Wereldoorlog komt de lezer niets meer te weten dan ze al weten. Of het moet zo zijn dat ze geïnteresseerd zijn in de wapenfeiten van de stad Mechelen.
Verder gaat dit boek uitsluitend over de wederwaardigheden van enkele personen. Of beter gezegd, niet zozeer hun belevenissen als wel hun gesprekken en gedachten daarover. De personages zijn van een weergaloze voorbeeldigheid: de drie dochters van het gezin Calluy zijn mooi – heel mooi zelfs – en hun lieve karakters maken hen aantrekkelijk bij het mannelijk geslacht. Ma Calluy komt wegens broze ledematen haar huis niet uit en pa Calluy, een altijd keurig gekleed heertje, heeft wel een gewichtige baan als boekhouder, maar de lezer ziet hem zelden werken.
De personages maken behalve veroudering geen enkele karakterontwikkeling van betekenis door. Zij zijn lief en braaf en blijven bordkartonnen figuren. Het boek is een aaneenrijging van gesprekken van de gezinsleden onderling, van het gezin en een paar buitenstaanders, van gesprekken tussen pa Calluy en huisvriend Verbraecken in het biljartcafé of in de winkel van de kruidenier. En dan is er de student rechten, Jef, die meer tijd doorbrengt in huize Calluy dan in zijn eigen huis.
Alle aandacht gaat uit naar het liefdesverhaal van Jef en oudste dochter Vicky. Haar plezier bestaat eruit Jef in onzekerheid te laten over haar gevoelens voor hem. De middelste dochter, de vijftienjarige Désiree, wordt verliefd op bakkerszoon Roland, die weer een oogje heeft op haar oudere zus Vicky. Eenmaal krijgt Désiree deze Roland zover dat hij met haar uitgaat. Hij voelt niets voor haar, maar wil haar niet kwetsen en om die reden verschuilt hij zich achter zijn stage in Zuid-Frankrijk. Vanaf dat moment is het meisje ontroostbaar. Dit liefdesverdriet wordt tot vervelens toe uitgesponnen over twee derde van het boek.
Hoofdstuktitels en subtitels in kapitalen (waardoor een fout als 'zondag 12 mei 1490' extra opvalt) verdelen het chronologisch vertelde verhaal in kleine porties. Sommige hoofdstukken hebben spannende titels zoals ‘Donderslag bij heldere hemel’ maar er gebeurt daarin niets noemenswaardigs. Het lezen wordt verder zeer vergemakkelijkt door de supereenvoudige zinnetjes, een stijl die men ook buiten de gesprekken om vindt.
'Kan het nog kouder, madame Calluy? Wat zal deze winter ons nog brengen? De scholen zijn voor onbepaalde tijd gesloten. Het vriest dat het kraakt. De sneeuw blijft al dagen liggen. Blijft u vooral zitten. Ik hang mijn jas en mijn hoed zelf wel weg. Zo’n vossenpels om mijn hals is geen overbodige luxe in dit weer.'
Het van zoetsappigheid overlopende verhaal krijgt een slot in overeenstemming met de rest:
'Des [Désiree] streelt zijn ziel, waarvan niemand beseft hoe zwart die is, vol slangengebroed. Hij is nu al zeker dat hij fysieke pijn zal voelen als ze overmorgen afscheid neemt. Voorgoed. Hij weet dat ze voor hem een symbool is, een prachtig juweel [...] niet bezoedeld met sulfer en pek.'
De personages zien reikhalzend uit naar het einde van de oorlog, de lezer naar dat van het boek.