Lezersrecensie
Januskoproman
‘Alles voor de reis’ van Adriaan van Dis is een ‘roman’ met twee gezichten: enerzijds een tedere en poëtische terugblik op een grote liefde, anderzijds een wat vileine schoffering van ‘de Ander’ met wie hij die geliefde moet delen.
‘Roman’ staat er op de omslag van Alles voor de reis, en Adriaan van Dis dekt zich in zijn nawoord in tegen exegeten en waarheidsvinders door te stellen dat “alles waar [is] behalve wat ik heb verzonnen”. Maar onmiskenbaar is de (naamloze) ik-verteller uit het boek Van Dis zelf, en in de ongeneeslijke zieke Eefje herkennen we Ellen Jens, de in 2023 overleden tv-producente en regisseuse van onder andere Hier is… Adriaan van Dis en de absurdistische tv-programma’s van Wim T. Schippers, met wie ze was gehuwd. Het was een publiek geheim dat Jens naast haar huwelijk met Schippers ook een relatie had met Van Dis.
In de roman heeft Eefje ervoor gekozen om de tijd die haar nodig gegeven is door te brengen in een hospice, omdat ze daar ook haar minnaar kan ontvangen. Die houdt de wacht aan haar bed, waaraan de verpleging ’s nachts een aanklikbed vastmaakt zodat ze naast elkaar kunnen slapen. Onderwijl drinken ze wijn uit theekopjes (want de verpleging mag niet merken dat ze alcoholica nuttigen) en maken ze virtuele reizen of halen ze herinneringen ophalen aan werkelijke reizen die ze samen maakten – veelal ter voorbereiding op Van Dis’ boekenprogramma – stiekem: de Ander dacht dat ze dan bij vriendinnen verbleef. Op gezette tijden leest de ik aan Eefje gedichten voor, die passen bij wat ze meemaakten of nu voelen.
Tot zover is het een liefdevolle, tedere, poëtische roman, mooi geschreven, zoals we dat van Van Dis gewend zijn. Een eerbetoon aan zijn grote liefde, die hij moest delen in een driehoeksrelatie waarin hij vaak een bijrol vervulde: “minnaar in de schaduw”, “gelukkig met elke kruimel”. Maar het boek heeft ook een andere kant, een minder fraai gezicht. Alsof Van Dis na het genoegen nemen met de kruimels nu het grootste stuk van de koek opeist. Nog tamelijk onschuldig als hij fijntjes opmerkt “ietsje meer dan de helft” van haar as te hebben.
Maar al minder subtiel is de scène waarin de ik kort voor het verscheiden van Eefjes moeder bij haar (zijn schoonmoeder) moest zitten waarop deze hem verklaarde dat hij “met een 9 geslaagd [was] voor het schoonzoon-examen” en Van Dis Eefje op de terugweg in de auto laat zeggen:
“Ik weet ook wel dat jij het beste bij me past… maar dat kan nu niet meer.”
Vanwege de Ander.
En tamelijk vilein is het als de suggestie wordt gewekt dat de ik-persoon dag en nacht bij Eefje is (en ’s nachts in het aanklikbed naast haar slaapt) terwijl de Ander dadelijks slechts een uurtje op bezoek komt, daarbij bovendien “een tas met alternatieve pillen” meetorsend, omdat hij haar ziekte ontkent en in orthomoleculaire wonderen gelooft.
En zo wordt de roman toch een beetje een wedstrijdje ver plassen, waarbij de voormalige tweede man nu wil laten zien dat hij ‘ de grootste’ heeft. Bij leven wilde Eefje niet dat hij in zijn romans over hun relatie schreef; alles wat ernaar verwees schrapte ze uit zijn manuscripten. Nu doet Van Dis het toch, zeer expliciet en inclusief allerlei ook seksuele details, en hij maakt zichzelf wijs dat zij dat wilde, omdat ze hem vlak voor haar dood een koffertje deed toekomen met haar agenda’s en dagboeken.
“Je wilde dat ik over je schreef: een uitnodiging tot de reis.”
Een staaltje cognitieve dissonantie?
Deze kant van de Januskop doet afbreuk aan een verder mooi, teder, ontroerend en – naar Eefje toe – respectvol boek over een grote liefde.
‘Roman’ staat er op de omslag van Alles voor de reis, en Adriaan van Dis dekt zich in zijn nawoord in tegen exegeten en waarheidsvinders door te stellen dat “alles waar [is] behalve wat ik heb verzonnen”. Maar onmiskenbaar is de (naamloze) ik-verteller uit het boek Van Dis zelf, en in de ongeneeslijke zieke Eefje herkennen we Ellen Jens, de in 2023 overleden tv-producente en regisseuse van onder andere Hier is… Adriaan van Dis en de absurdistische tv-programma’s van Wim T. Schippers, met wie ze was gehuwd. Het was een publiek geheim dat Jens naast haar huwelijk met Schippers ook een relatie had met Van Dis.
In de roman heeft Eefje ervoor gekozen om de tijd die haar nodig gegeven is door te brengen in een hospice, omdat ze daar ook haar minnaar kan ontvangen. Die houdt de wacht aan haar bed, waaraan de verpleging ’s nachts een aanklikbed vastmaakt zodat ze naast elkaar kunnen slapen. Onderwijl drinken ze wijn uit theekopjes (want de verpleging mag niet merken dat ze alcoholica nuttigen) en maken ze virtuele reizen of halen ze herinneringen ophalen aan werkelijke reizen die ze samen maakten – veelal ter voorbereiding op Van Dis’ boekenprogramma – stiekem: de Ander dacht dat ze dan bij vriendinnen verbleef. Op gezette tijden leest de ik aan Eefje gedichten voor, die passen bij wat ze meemaakten of nu voelen.
Tot zover is het een liefdevolle, tedere, poëtische roman, mooi geschreven, zoals we dat van Van Dis gewend zijn. Een eerbetoon aan zijn grote liefde, die hij moest delen in een driehoeksrelatie waarin hij vaak een bijrol vervulde: “minnaar in de schaduw”, “gelukkig met elke kruimel”. Maar het boek heeft ook een andere kant, een minder fraai gezicht. Alsof Van Dis na het genoegen nemen met de kruimels nu het grootste stuk van de koek opeist. Nog tamelijk onschuldig als hij fijntjes opmerkt “ietsje meer dan de helft” van haar as te hebben.
Maar al minder subtiel is de scène waarin de ik kort voor het verscheiden van Eefjes moeder bij haar (zijn schoonmoeder) moest zitten waarop deze hem verklaarde dat hij “met een 9 geslaagd [was] voor het schoonzoon-examen” en Van Dis Eefje op de terugweg in de auto laat zeggen:
“Ik weet ook wel dat jij het beste bij me past… maar dat kan nu niet meer.”
Vanwege de Ander.
En tamelijk vilein is het als de suggestie wordt gewekt dat de ik-persoon dag en nacht bij Eefje is (en ’s nachts in het aanklikbed naast haar slaapt) terwijl de Ander dadelijks slechts een uurtje op bezoek komt, daarbij bovendien “een tas met alternatieve pillen” meetorsend, omdat hij haar ziekte ontkent en in orthomoleculaire wonderen gelooft.
En zo wordt de roman toch een beetje een wedstrijdje ver plassen, waarbij de voormalige tweede man nu wil laten zien dat hij ‘ de grootste’ heeft. Bij leven wilde Eefje niet dat hij in zijn romans over hun relatie schreef; alles wat ernaar verwees schrapte ze uit zijn manuscripten. Nu doet Van Dis het toch, zeer expliciet en inclusief allerlei ook seksuele details, en hij maakt zichzelf wijs dat zij dat wilde, omdat ze hem vlak voor haar dood een koffertje deed toekomen met haar agenda’s en dagboeken.
“Je wilde dat ik over je schreef: een uitnodiging tot de reis.”
Een staaltje cognitieve dissonantie?
Deze kant van de Januskop doet afbreuk aan een verder mooi, teder, ontroerend en – naar Eefje toe – respectvol boek over een grote liefde.
1
Reageer op deze recensie
