Lezersrecensie
Je hebt goed, je hebt beter, en je hebt Taran Hunt
In een verre toekomst wordt Sean Wren samen met drie anderen in een ruimteschip richting een ster gestuurd die op het punt staat nova te worden. Het is nog een kwestie van weken, dus er is weinig tijd. Rond die ster draait een gigantisch ruimtestation dat al duizend jaar verlaten is en waarvan men nog maar sinds kort weet dat het er is. De vier gaan er niet vrijwillig naartoe. Het is dat of de doodstraf voor begane misdaden. In het geval van Sean blijkt het dan nog eens om een valse beschuldiging te gaan. In het station behoren de vier een zogenaamde Philosopher’s Stone te zoeken, een vermoedelijk recept voor onsterfelijkheid. Het lege station blijkt evenwel niet leeg. Al snel worden ze belaagd door angstaanjagende en dodelijke monsters. Bovendien arriveren ook de Ministers, aartsvijanden van de mens en ook hun onderdrukkers waarmee ze al een millennium in oorlog zijn. Wie het recept vindt, beslecht de oorlog meer dan waarschijnlijk in hun voordeel.
Taran Hunt studeerde fysica aan de Amerikaanse Cornell-universiteit, meer in het bijzonder exoplaneten, wat haar uitermate geschikt maakt om sciencefiction te schrijven. Gelukkig voor de wetenschap wordt niet elke fysicus schrijver, maar Hunt is zo iemand die als kind al graag schreef, en dat blijft ze nu als volwassene doen. Ze houdt er ook van om nieuwe talen te studeren, een eigenschap die ze handig heeft verpakt in Sean Wren, het hoofdpersonage uit haar debuut The Immortality Thief.
De marketing van het boek spreekt over een belachelijk leuk boek, met een hoog tempo vol speurtochten en valkuilen, met dodelijke vijanden en mysterieuze buitenaardse wezens. Dit vat het inderdaad wel een beetje samen. Omdat nagenoeg alles zich afspeelt op een duizend jaar oud en verlaten ruimteschip met gevaar loerend om elke hoek, zou je op bepaalde ogenblikken ook kunnen spreken van een futuristische versie van het klassieke spookhuisverhaal. Het is een keer wat anders in ieder geval.
‘The design of toilets hadn’t changed as much in a thousand years as I would’ve guessed.’
Er zit een bepaalde mate van humor in het boek. Protagonist Sean Wren – een deugniet met een talenknobbel maar verder niet veel kwaliteiten, én een gouden hart – werkt dat door zijn ad remme manier van antwoorden en soms verknipt denken in de hand. Gieren en brullen is er niet bij, maar je kan je wel verwachten aan goed gevonden quotes of oneliners af en toe. Soms zijn het ook gewoon de titels die grappig zijn. Bijvoorbeeld:
‘CHAPTER TWENTY FIVE:
THE TRAP
(Featuring: Sean Wren’s Inability to Use a Grenade)’
The Immortality Thief is met ruim 600 pagina’s geen dunnetje. Daar merk je niets van want de auteur grijpt je meteen bij aanvang bij de lurven en trekt je meedogenloos mee in het verhaal. Ze laat je nooit meer los tot aan – en eigenlijk zelfs voorbij – de laatste pagina. De zoektocht door het ruimtestation is als een bezoek aan een pretpark waar je de ene na de andere spectaculaire attractie ontdekt. Er zit met andere woorden behoorlijk wat actie in het verhaal. Als je aandacht al zou verslappen (maar dat gebeurt dus niet), ligt dat niet aan te weinig verhaal, veeleer aan een overdaad eraan.
Toch is dit boek veel meer dan een opeenvolging van spectaculaire momenten. Het grootste deel van de tijd hebben we met drie personages te maken die heel verschillend zijn van elkaar maar wel onvermijdelijk op elkaar aangewezen voor hun overleven. Hunt is er kundig in geslaagd om ze te laten evolueren. Door wat ze meemaken, groeien ze als persoon, maar ze groeien ook naar elkaar toe, en niets daarvan voelt geforceerd of kunstmatig aan. Het gaat geleidelijk, haast onmerkbaar, en zo hoort het. Sean Wren is naast hoofdpersonage ook de vertelstem in het verhaal. Via flashbacks die zijn pijnlijke verleden blootleggen, leren we hem steeds beter kennen. Het zijn geen afgebakende terugkeermomenten. Zijn avonturen in het ruimtestation brengen bepaalde herinneringen naar boven die dan naadloos in het geheel zijn opgenomen. Voor auteurs die worstelen met hoe je zoiets onopvallend en organisch integreert, is dit boek een heuse leerschool. Hunt debuteert met een schrijfstijl die het laat lijken alsof ze al een halve eeuw schrijven achter de rug heeft, en dat is indrukwekkend. Het boek verschijnt pas in oktober maar dit is er een om naar uit te kijken. Wordt dit het beste scifi-debuut van 2022? Het zou wel eens kunnen. Na de laatste pagina weet je als lezer in ieder geval zeker: Hunt heeft een universum en een trio van personages geboetseerd die veel te boeiend zijn om al na één boek op te doeken. Hier moet een vervolg op komen. Het ziet ernaar uit dat Taran Hunt dat ook vindt, en dat is goed nieuws.