Veel mensen kunnen totaal geen chocola maken van Willem Brakman, maar ik hou erg van zijn zo onnavolgbaar vreemde romans en verhalen. Elk jaar lees ik er dus een paar. Gelukkig heeft hij ruim 50 boeken geschreven, en ik zit nog lang niet op de helft. Dus ik kan nog wel een aantal jaren vooruit. Waar ik blij om ben, want ook "Een vreemde stam heeft mij geroofd" stelde weer niet teleur. Misschien is het van alle Brakmannetjes die ik tot nu toe las zelfs een van de meest aanstekelijke.

Hoofdpersoon en ik- verteller is Jason, overbekend van de mythe van de Argonauten en het Gulden Vlies. Alleen voegt Brakman zo zijn eigen stijlfiguren en motieven aan deze mythe toe, waardoor die mythe behoorlijk wat extra barokke en fantasievolle lagen krijgt. En ook extra dimensies van ongeremd vertelplezier en leesplezier. Om te beginnen heeft de Argos (het mythische schip van de Argonauten) een motor, die overigens wel disfunctioneel is, zodat het schip zich toch van zijn zeilen moet bedienen. Bovendien doen de Argonauten allerlei Nederlandse plaatsen en eilanden aan, zodat het mythisch- exotische van het Argonautenverhaal ineens gecombineerd wordt met de sferen van Stavoren en Moddergat, en is er bijvoorbeeld een lange en bijna stripachtig komische knokpartij tussen Herakles en Lange Pier. Wat mij als lezer een bijna kleuterachtige leespret bezorgt. Net als diverse andere exotische, spectaculaire en soms zelfs ronduit groteske avonturen waar Brakman ons mee vermaakt. Jason zelf is een manifest onbetrouwbare verteller, die ons diverse cruciale gebeurtenissen - zoals zijn van tragiek en moord doordesemde relatie met Medea- presenteert als een droom vol leemten of als vermakelijke vertelling achteraf vol van onzekerheden en onduidelijkheden. En al navertellend lijkt Jason eerder te letten op de schoonheid en spanningsboog van zijn associatieve stijl en compositie dan op het waarschijnlijkheidsgehalte van zijn vertelling. Het zo begeerde Gulden Vlies, dat in de oorspronkelijke mythe met zo veel vuur door de Argonauten wordt nagejaagd, is in Brakmans versie een nauwelijks belang inboezemende vervalsing, en bovendien heeft Jason het de hele tijd al stiekem bij zich in zijn rugzak. Ook is Jason nauwelijks een door actie gekenmerkte held, maar een melancholicus die vol verlangen droomt, en die ons voortdurend deelgenoot maakt van zijn wel heel buitenissige verbeelding. Die verbeelding krijgt van hem zelfs meer aandacht dan de realiteit: zodra er krijgsgewoel losbarst doet hij zijn oordopjes in en houdt hij zich afzijdig, de namen van zijn manschappen haalt hij voortdurend door elkaar, en meer dan eens blijkt hij veel van de Argonauten in het geheel niet te kennen.

Ook eert Jason niet Zeus, de Griekse oppergod, maar de Witte Godin of Drievoudige Godin, "wit als het broze hart van een ijsblok of een camee, en eens hierom geprezen als de dwangloze kracht die de zaden liet kiemen, de vruchten rijp deed worden en gebeeldhouwde sonnetten liet opklinken". Zeus is voor Jason vooral de God van het gezonde verstand en de rationeel in cultuur gebrachte wereld, van de Zon en het klare licht. Maar de Drievoudige Godin is eerder een "Maangodin", gekenmerkt door nacht en grillige droom, en de rituelen waarin zij vereerd wordt zijn steeds een dienst vol "droeve, zachte raadselen". Ook toont Jason zich gefascineerd door "de veelgestaltigheid van de God, waarvan de zin weer was gelegen in het onweerstaanbaar lokken en lonken, rollen en kronkelen". De Drievoudige Godin of Witte Godin duikt dan ook in meerdere ongrijpbare vrouwelijke gedaanten op, onder meer in de gedaante van Jasons onbekende, maar in dromen heel manifest aanwezige moeder. Door die veelgestaltigheid, en de droomachtige ongrijpbaarheid van elk van die gestalten, wordt die Drievoudige Godin wel heel nadrukkelijk neergezet als een niet te vatten fantoom dat mogelijk alleen in Jasons verbeelding en verlangen bestaat. En Jasons wereld lijkt zelfs in zijn geheel opgetrokken uit dat soort ongrijpbare maar voor Jason onontbeerlijke fantomen. "Een vreemde stam heeft mij geroofd" zit dan ook vol onwerkelijke spiegelingen, zodat Brakman achteloos kan strooien met prachtzinnen als: "Bij zeer helder weer zijn de verre eilanden als fijne streepjes te zien maar over zoveel water heen dat het de adem wegslaat van heimwee".

Die combinatie van heimwee, onwerkelijke spiegeling en onstilbaar verlangen komt naar mijn smaak ook fraai naar voren in een dialoog tussen Jason en Orfeus, over een eiland zeer in de verte. "'Ik heb gehoord', zei Orfeus, 'dat het eiland daar verdwijnt naarmate je het dichter nadert tot er niet anders overblijft dan de wolkeloze lazuurblauwe hemel, want alleen bij dat weer is het eiland te zien'. 'En het water natuurlijk', zei ik, 'dat al het blauw weerspiegelt'. 'Nee', zei Orfeus, 'het water heeft een heel eigen kleur. Er zijn zonvergulde pieken waargenomen, koele en schaduwrijke flanken en voorgebergten zo scherp en overdadig te zien als op een vakantieochtend, maar die in al hun blijheid onmiddellijk verdwenen. Veel reizigers die daarvan hebben gehoord naderen het eiland met ingehouden adem en bezwerend geheven handen, maar staren niettemin in een leegte. Door deze berichten, die in de loop der tijden in omloop zijn gekomen, is men ertoe overgegaan het bestaan van het eiland te betwijfelen, het voor een optische illusie te verklaren, een wolkenkoekoeksheem. Inderdaad kunnen sceptici het niet zien, al te hongerigen ook niet, het is slechts een belofte bij vlagen, een zekerheid maar waar men niet op kan bouwen, een steun die echter ontbreekt [...] .Toch bestaat het, voor de bevoorrechten heeft het de sluier gelicht, voeten, gewassen en ongewassen hebben er rondgelopen en onder de ongewassene zeker die van de poëet'".

Mooie passage, vind ik, alleen al door het barokke neologisme "wolkenkoekoeksheem" dat alleen Brakman kan bedenken. Maar vooral door de aanstekelijke rijkdom van de spiegelingen, die optische illusies zijn voor sceptici en mensen met gezond verstand, maar een onontbeerlijke ervaringswerkelijkheid voor de poëet Orfeus en voor de verlangende, verbeeldingsrijke melancholicus Jason. Om precies die ervaringswerkelijkheid gaat het Jason: de ervaringswerkelijkheid van het ongrijpbare, mogelijk alleen in verlangens gedroomde, dat alleen de verlangende en dichterlijke melancholicus kan zien. En ook alleen maar bij benadering, als een fragment van een droom of als een spiegeling van een veraf gelegen wolkenkoekoeksheem. Jason is ook zelf een onwerkelijke spiegeling: onbetrouwbaar als verteller, een melancholische dromer die zijn ouders en zijn herkomst niet kent, een dubbelwezen dat in de verte wellicht afstamt van een kentaur en dus van een gespleten personage dat half mens en half dier is, een anachronistische mythische figuur die droomt van een veelgestaltige en in alle gestalten ongrijpbare Witte Godin. Maar juist door zijn onwerkelijkheid en zijn onwerkelijke verlangen beleeft hij ook ervaringswerkelijkheden die wij, brave en in de werkelijkheid gewortelde burgermannen, nauwelijks kunnen beleven. Al kunnen we er wel vol pret naar kijken, en toch iets proeven van Jasons melancholische passie en plezier, door dit zo aanstekelijke boek van Brakman.

Overigens is Jason niet alleen gefascineerd door spiegelingen, maar ook door andere aspecten van de werkelijkheid die wij gewoonlijk niet zien. Niet voor niets weidt hij lang uit over hoe Herakles de hele wereld anders ervaart, zodra hij ziet hoe een fazantenjong uiteengereten wordt door meeuwen. "Iets in die botte kop op de machtige tors wordt erdoor geschokt en doet hem zien. Hij die nog voor het grootste geen stap opzij doet verstart voor het over't hoofd geziene, dat wat in gewoonte en vertrouwdheid was verdwenen en nu met maar een enkele piep en veel stilte uiteen wordt getrokken en dat is een lelijk ding. Ontzet staart hij naar de repen saffraankleurige huid, waarop in donkerder bruin rozen lijken aangegeven als op een oud en vergaan behang. Een fijn schelpengruis ruist neer van de genadeloze hakker en bespikkelt de afgrijselijke wonden met kalkrozetjes. De blootgelegde spieren doen vers aan, hier besmeurd met veren, daar glimmend en nog vochtig, weer wat verderop bedekt met een broos craquelé van drogend bloed. Daartussen zwarten en roden en een pathetische nagelroze blaas". Dat soort groteske en ongerijmd bonte taferelen ziet Herakles dus, althans volgens Jason, omdat de gewoonte doorbroken wordt en dat wat gewoontes verdringen zichtbaar wordt. Maar we ervaren hier volgens mij vooral Jasons eigen gulzige blik, die zich gretig voorstelt wat de fundamenteel geschokte Herakles ziet en ervaart. En Jasons blik speurt altijd naar dat wat onze door gewoontes gedicteerde blik niet ziet. Zoals een wolkenkoekoeksheem dat misschien niet eens bestaat, of een Witte Godin die alleen een fantoom is. Of de buitenissige kleurschakeringen van een door meeuwen gedood fazantenjong, kleurschakeringen die je volgens Jason alleen ziet als je elke gewoonte en vertrouwdheid loslaat. En dus echt kijkt, met open oog en ongeremde verbeelding.

Ik las dit boek met rode oren. Allereerst omdat het enorm spannend en voortdurend verrassend is, door de zo barokke en onvoorspelbare gedragingen en belevenissen van al die mythologische figuren in Stavoren, Moddergat, Drenthe, Tiengemeten en op de Noordzee. Maar vooral door de voortdurend naar onmogelijke ervaringswerkelijkheden snakkende Jason, en zijn fascinatie voor verlokkende spiegelingen en fantomen. En uiteraard door de onnavolgbare wijze waarop Brakman dit alles opschrijft. Ja, ik weet het: veel mensen vinden hem al te maf en barok. Maar ik kan geen genoeg van hem krijgen, en ik ben blij dat ik nog zoveel niet van hem ken.

Reacties op: Aanstekelijk maf en fantasievol verhaal over de naar spiegelingen en ongewone werkelijkheden verlangende Jason

2
Een vreemde stam heeft mij geroofd - Willem Brakman
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners
Gesponsorde boeken