Lezersrecensie
De raadselachtige poëzie van Han Kang
De veelgeprezen Koreaanse schrijfster Han Kang (27 november 1970) kreeg in 2024 de Nobelprijs voor de Literatuur. De commissie roemde “haar intense poëtische proza dat historische trauma’s onderzoekt en de kwetsbaarheid van het menselijk leven blootlegt”. Veel anderen bejubelen eveneens het poëtische gehalte van haar proza. Kangs romans zijn kortom duidelijk geschreven met ongewoon veel dichterlijk talent. Haar eerste publicaties waren bovendien geen verhalen of romans, maar gedichten. Toch is haar poëzie veel minder bekend dan haar zo succesvolle proza.
Maar gelukkig is er nu de dichtbundel "Ik leg de avond in een la", in een fraaie vertaling van Mattho Mandersloot. Een bundel die, volgens Mandersloot, “een essentiële onderdompeling” biedt in Hang Kangs zo unieke, fascinerende en rijke verbeeldingswereld. Mandersloot kan dat weten, want hij is een gereputeerde Han Kang- kenner. En een van de weinige Nederlandstaligen die Han Kang in het Koreaans kan lezen.
Voordat ik op de dichtbundel inga eerst meer over Kangs “intense poëtische proza”. Haar beroemdste roman is "De vegetariër". Een verbijsterend boek, waarin hoofdpersoon Yeong- hye radicaal weigert vlees te eten, zichzelf nagenoeg doodhongert, en het even intense als onbevattelijke verlangen koestert om te transformeren in een boom. Zij schreeuwt in feite voortdurend “neeee!!” tegen de hele wereld en alle wereldse conventies, en snakt ernaar om zich door metamorfose van die wereld te onthechten. En dat laatste wordt in fraaie duistere beelden gevat: “Zwarte regen, zwarte wouden, de lichte kleur van het patiënten-uniform, doorweekt. Nat haar. Zwarte berghelling. Yeong-hye, een beginnende massa gevormd uit donkerte en water, rechtop als een geest”.
Prachtige passage, en heel poëtisch. Door de gefragmenteerde formulering, die de onbevattelijkheid voelbaar maakt van Yeong- hye’s metamorfose. Maar ook door het beeld dat de metamorfoserende Yeong- hye slechts een “beginnende massa” is. Ze heeft dus geen herkenbare vorm. Temeer omdat ze een “geest” is die “uit donkerte en water” bestaat: te duister en vloeibaar dus om fysiek en mentaal beet te pakken. De taal is kortom net zo ongrijpbaar als de metamorfose die geëvoceerd wordt. Dit soort poëtische zinnen verhelderen het raadsel niet, maar tonen het in zijn volle raadselachtigheid. Normale proza- zinnen kun je doorgaans in eigen woorden parafraseren. Maar dat moet je juist niet doen bij de intens- poëtische zinnen van Hang Kang. Want dan gaat het raadsel kapot.
"De vegetariër" heeft vooral impact door alle existentiële raadsels waarvoor het ons stelt. Die worden ook opgeroepen door de merkwaardige plot, de bizarre dialogen en monologen, de radicale en vervreemdende perspectieven, en de al even radicale verschillen tussen die perspectieven. De impact van dit boek bestaat dus niet uit de poëtische beelden alleen. Maar zonder die poëtische beelden zou deze roman nooit zo intens- raadselachtig zijn geweest als nu. En daarom is in Kangs proza juist de poëzie zo essentieel.
In Kangs romans zijn de poëtische zinnen echter wel ingebed in een verhaal. Ook worden ze omgeven met dialogen en monologen, en met meeslepend vertelde grillige emoties van verschillende personages. In Kangs dichtbundel gebeurt dat uiteraard niet. Want daarin vinden we wel dichterlijke prozafragmenten, maar geen verhalend proza dat ons afleidt van de poëzie. En daarom komt de raadselachtigheid van Kangs taal juist in die dichtbundel nog scherper naar voren. Dat maakt de bundel niet per se intenser of beter dan haar romans. Maar naar mijn smaak wel raadselachtiger en ongrijpbaarder. In zijn korte introductie van de bundel kiest Mandersloot er dan ook terecht voor om de raadsels juist intact te laten. Hij schrijft:
“ […] Kang roept de kleur van het einde van de dag op, de kou en de afwezigheid. Ook het lichaam komt aan bod, soms verzwakt, soms waakzaam voor de spiegel. De onverdraaglijke maan verduistert de zon en littekens barsten open, maar op het strand vinden we ook kleurrijke parels van momenten. In haar kenmerkende afgewogen, gelaagde stijl toont Kang dat vergankelijkheid niet één moment is, maar een voortdurend proces”.
Het mooie van deze introductie is de bondigheid. En vooral de keuze om de raadselachtige gedichten juist niet te vangen in prozaïsche parafrases, of om ze te stutten met toelichting van de kernthema’s of grondmotieven. Zodat de raadselachtige motieven in deze bundel adequaat en kort worden aangestipt, maar niet in explicaties worden versmoord. Kang zelf doet bovendien iets vergelijkbaars. Zij schrijft namelijk een ongeëvenaard bondig ‘voorwoord’, dat zelfs geen voorwoord is. Want het is een gedicht, met raadselachtige witregels en beelden, zo ongrijpbaar als een haiku. Een gedicht dat veel open laat. En dat die openheid nog extra voelbaar maakt met zijn witregels, zijn bondigheid, en met het fascinerende beeld van de “ronde verlatenheid”. Ik citeer het in zijn geheel:
“Voorwoord
Sommige avonden waren doorzichtig.
(Zoals de dageraad soms is).
In het midden van de vlam
lag een ronde verlatenheid”.
Maar met dit zo open en ongrijpbare gedicht heeft Kang de lezers wel afgestemd op de openheid en ongrijpbaarheid van de bundel als geheel. Daarom is dit voorwoord, dat eigenlijk geen voorwoord is, toch een treffend voorwoord.
Veel gedichten hebben een ongrijpbare ik- figuur. Die soms raakpunten heeft met Kang zelf. Zoals in het gedicht “Mark Rothko en ik”, waarin zij droevig mijmert over de periode van negen maanden tussen de sterfdatum van Mark Rothko (25 februari 1970) en haar eigen geboortedatum (27 november 1970). Want dat betekent dat de conceptie van de ik- figuur (en van Kang zelf) ongeveer samenvalt met het moment van Rothko’s zelfdoding. “Niets om je over te verwonderen, maar iets om droevig over te zijn”, zegt zij treffend. Daarna zegt ze prachtige dingen over “de kier die dood en leven/ van elkaar scheidde”. Dus over de dunne kier van slechts negen maanden tussen Rothko’s einde en haar eigen begin. Maar minstens zo prachtig is haar mijmering over haar prille, fragiele en ik- loze gedaante in de moederbuik. Nog maanden voordat zij geboren werd. Zie de volgende regels:
“Als niets meer dan een stip zonder hartslag
een stip die geen taal kent
geen licht kent
geen tranen kent
vormde ik me tegen de wand
van een vaalrode baarmoeder”
Een stip zonder hartslag, taal, licht en tranen…. Dat was ooit de prille en ik- loze gedaante van de ik- figuur. En dat geldt ook voor mij. Al kan ik mij geen voorstelling maken van die taal-loze, ik- loze en licht-loze stip die ik ooit was. Die stip is voor mij onbevattelijk. Net als het gegeven dat ik zelf ooit zo minuscuul was, zo nauwelijks levend, zo zonder taal, vorm en licht. En het mooie is, voor mij, dat precies die onbevattelijkheid zo raak wordt verwoord.
In meerdere gedichten kijkt en reist de ik- figuur naar een onbereikbare overkant. Soms denkend aan “de verste stad”, “de achterkant van de avond” of een “winter aan de overkant van de spiegel”. In een raadselachtig proza- fragment staat bovendien: “Hier in mijn stad is het ochtend en lente, maar als je door de kern van de aarde heen boort, als je met vaste hand dwars door het centrum steekt, kom je uit bij die andere stad”. Ook wordt gesproken over het “blauwige oog van de vlam” dat staart naar “de overkant van mijn ogen”. Waarbij ook metamorfose wellicht een rol speelt: het eigen oog dat verandert – of al is veranderd- in het oog van de vlam, en dat vervolgens kijkt zoals geen oog ooit gekeken heeft. En dat daardoor de overkant van de eigen ogen nog beter kan zien.
In die passages lijkt het te gaan om een reis naar zijnstoestanden voorbij het zichtbare, voorbij het kenbare, voorbij de taal. Een reis dus naar het andere, het onbekende, het onbegrijpelijke. Dat gaat soms samen met een verkenning van adembenemend ontembare passies: “Ik word jouw adem, jouw snakken naar adem”. Soms lijkt de reis zelfs te voeren naar werelden aan gene zijde van leven en dood. Of naar surrealistische sferen voorbij de grens tussen droom en realiteit. Een mooi voorbeeld van dat laatste:
“Maar nu ik me bevind
in de middag aan de overkant van de spiegel
herinner ik me die droom
alsof ik me de blauwzwarte nacht buiten de spiegel herinner”
Ook zijn er fraaie regels waarin het exploreren van het onkenbare als een ‘innerlijk moeten’ naar voren komt. Of als een drang die de ik- figuur zelf nauwelijks doorgrondt, maar niettemin moet volgen. Of, wellicht, als de onverbiddelijke kern en de primaire gepassioneerde inzet van haar dichterschap en schrijverschap:
“Ik moet staren naar iets wat je niet recht kunt aankijken
zoals de zon of de dood
angst of verdriet”
Deze bundel bestaat uit vijf delen, en binnen elk deel zijn er samenhangende reeksen. Maar de afzonderlijke gedichten raakten mij nog meer dan die reeksen. En de beelden in elk gedicht raakten mij nog meer dan dat gedicht als geheel. Ik was bovendien niet primair geïnteresseerd in thematische hoofdlijnen en grondmotieven, omdat ik mij wilde onderdompelen in de raadselachtigheid van die geïsoleerde beelden.
Andere lezers zullen juist wel op zoek zijn naar overkoepelende thema’s en hoofdlijnen. En van andere raadsels verrukt raken dan ik. Of naar dezelfde raadsels kijken met heel andere ogen. Mijn ontdekkingsreis door deze bundel is kortom anders dan die van u. Maar hij beviel mij uitstekend. Want ik heb veel ongrijpbaar mooie poëtische beelden gezien, waarvan ik er slechts een paar kort heb aangestipt. En ik heb vol verwondering mogen rondreizen in de unieke en enigmatische verbeeldingswereld van Han Kang. Wat wil een mens nog meer?
Maar gelukkig is er nu de dichtbundel "Ik leg de avond in een la", in een fraaie vertaling van Mattho Mandersloot. Een bundel die, volgens Mandersloot, “een essentiële onderdompeling” biedt in Hang Kangs zo unieke, fascinerende en rijke verbeeldingswereld. Mandersloot kan dat weten, want hij is een gereputeerde Han Kang- kenner. En een van de weinige Nederlandstaligen die Han Kang in het Koreaans kan lezen.
Voordat ik op de dichtbundel inga eerst meer over Kangs “intense poëtische proza”. Haar beroemdste roman is "De vegetariër". Een verbijsterend boek, waarin hoofdpersoon Yeong- hye radicaal weigert vlees te eten, zichzelf nagenoeg doodhongert, en het even intense als onbevattelijke verlangen koestert om te transformeren in een boom. Zij schreeuwt in feite voortdurend “neeee!!” tegen de hele wereld en alle wereldse conventies, en snakt ernaar om zich door metamorfose van die wereld te onthechten. En dat laatste wordt in fraaie duistere beelden gevat: “Zwarte regen, zwarte wouden, de lichte kleur van het patiënten-uniform, doorweekt. Nat haar. Zwarte berghelling. Yeong-hye, een beginnende massa gevormd uit donkerte en water, rechtop als een geest”.
Prachtige passage, en heel poëtisch. Door de gefragmenteerde formulering, die de onbevattelijkheid voelbaar maakt van Yeong- hye’s metamorfose. Maar ook door het beeld dat de metamorfoserende Yeong- hye slechts een “beginnende massa” is. Ze heeft dus geen herkenbare vorm. Temeer omdat ze een “geest” is die “uit donkerte en water” bestaat: te duister en vloeibaar dus om fysiek en mentaal beet te pakken. De taal is kortom net zo ongrijpbaar als de metamorfose die geëvoceerd wordt. Dit soort poëtische zinnen verhelderen het raadsel niet, maar tonen het in zijn volle raadselachtigheid. Normale proza- zinnen kun je doorgaans in eigen woorden parafraseren. Maar dat moet je juist niet doen bij de intens- poëtische zinnen van Hang Kang. Want dan gaat het raadsel kapot.
"De vegetariër" heeft vooral impact door alle existentiële raadsels waarvoor het ons stelt. Die worden ook opgeroepen door de merkwaardige plot, de bizarre dialogen en monologen, de radicale en vervreemdende perspectieven, en de al even radicale verschillen tussen die perspectieven. De impact van dit boek bestaat dus niet uit de poëtische beelden alleen. Maar zonder die poëtische beelden zou deze roman nooit zo intens- raadselachtig zijn geweest als nu. En daarom is in Kangs proza juist de poëzie zo essentieel.
In Kangs romans zijn de poëtische zinnen echter wel ingebed in een verhaal. Ook worden ze omgeven met dialogen en monologen, en met meeslepend vertelde grillige emoties van verschillende personages. In Kangs dichtbundel gebeurt dat uiteraard niet. Want daarin vinden we wel dichterlijke prozafragmenten, maar geen verhalend proza dat ons afleidt van de poëzie. En daarom komt de raadselachtigheid van Kangs taal juist in die dichtbundel nog scherper naar voren. Dat maakt de bundel niet per se intenser of beter dan haar romans. Maar naar mijn smaak wel raadselachtiger en ongrijpbaarder. In zijn korte introductie van de bundel kiest Mandersloot er dan ook terecht voor om de raadsels juist intact te laten. Hij schrijft:
“ […] Kang roept de kleur van het einde van de dag op, de kou en de afwezigheid. Ook het lichaam komt aan bod, soms verzwakt, soms waakzaam voor de spiegel. De onverdraaglijke maan verduistert de zon en littekens barsten open, maar op het strand vinden we ook kleurrijke parels van momenten. In haar kenmerkende afgewogen, gelaagde stijl toont Kang dat vergankelijkheid niet één moment is, maar een voortdurend proces”.
Het mooie van deze introductie is de bondigheid. En vooral de keuze om de raadselachtige gedichten juist niet te vangen in prozaïsche parafrases, of om ze te stutten met toelichting van de kernthema’s of grondmotieven. Zodat de raadselachtige motieven in deze bundel adequaat en kort worden aangestipt, maar niet in explicaties worden versmoord. Kang zelf doet bovendien iets vergelijkbaars. Zij schrijft namelijk een ongeëvenaard bondig ‘voorwoord’, dat zelfs geen voorwoord is. Want het is een gedicht, met raadselachtige witregels en beelden, zo ongrijpbaar als een haiku. Een gedicht dat veel open laat. En dat die openheid nog extra voelbaar maakt met zijn witregels, zijn bondigheid, en met het fascinerende beeld van de “ronde verlatenheid”. Ik citeer het in zijn geheel:
“Voorwoord
Sommige avonden waren doorzichtig.
(Zoals de dageraad soms is).
In het midden van de vlam
lag een ronde verlatenheid”.
Maar met dit zo open en ongrijpbare gedicht heeft Kang de lezers wel afgestemd op de openheid en ongrijpbaarheid van de bundel als geheel. Daarom is dit voorwoord, dat eigenlijk geen voorwoord is, toch een treffend voorwoord.
Veel gedichten hebben een ongrijpbare ik- figuur. Die soms raakpunten heeft met Kang zelf. Zoals in het gedicht “Mark Rothko en ik”, waarin zij droevig mijmert over de periode van negen maanden tussen de sterfdatum van Mark Rothko (25 februari 1970) en haar eigen geboortedatum (27 november 1970). Want dat betekent dat de conceptie van de ik- figuur (en van Kang zelf) ongeveer samenvalt met het moment van Rothko’s zelfdoding. “Niets om je over te verwonderen, maar iets om droevig over te zijn”, zegt zij treffend. Daarna zegt ze prachtige dingen over “de kier die dood en leven/ van elkaar scheidde”. Dus over de dunne kier van slechts negen maanden tussen Rothko’s einde en haar eigen begin. Maar minstens zo prachtig is haar mijmering over haar prille, fragiele en ik- loze gedaante in de moederbuik. Nog maanden voordat zij geboren werd. Zie de volgende regels:
“Als niets meer dan een stip zonder hartslag
een stip die geen taal kent
geen licht kent
geen tranen kent
vormde ik me tegen de wand
van een vaalrode baarmoeder”
Een stip zonder hartslag, taal, licht en tranen…. Dat was ooit de prille en ik- loze gedaante van de ik- figuur. En dat geldt ook voor mij. Al kan ik mij geen voorstelling maken van die taal-loze, ik- loze en licht-loze stip die ik ooit was. Die stip is voor mij onbevattelijk. Net als het gegeven dat ik zelf ooit zo minuscuul was, zo nauwelijks levend, zo zonder taal, vorm en licht. En het mooie is, voor mij, dat precies die onbevattelijkheid zo raak wordt verwoord.
In meerdere gedichten kijkt en reist de ik- figuur naar een onbereikbare overkant. Soms denkend aan “de verste stad”, “de achterkant van de avond” of een “winter aan de overkant van de spiegel”. In een raadselachtig proza- fragment staat bovendien: “Hier in mijn stad is het ochtend en lente, maar als je door de kern van de aarde heen boort, als je met vaste hand dwars door het centrum steekt, kom je uit bij die andere stad”. Ook wordt gesproken over het “blauwige oog van de vlam” dat staart naar “de overkant van mijn ogen”. Waarbij ook metamorfose wellicht een rol speelt: het eigen oog dat verandert – of al is veranderd- in het oog van de vlam, en dat vervolgens kijkt zoals geen oog ooit gekeken heeft. En dat daardoor de overkant van de eigen ogen nog beter kan zien.
In die passages lijkt het te gaan om een reis naar zijnstoestanden voorbij het zichtbare, voorbij het kenbare, voorbij de taal. Een reis dus naar het andere, het onbekende, het onbegrijpelijke. Dat gaat soms samen met een verkenning van adembenemend ontembare passies: “Ik word jouw adem, jouw snakken naar adem”. Soms lijkt de reis zelfs te voeren naar werelden aan gene zijde van leven en dood. Of naar surrealistische sferen voorbij de grens tussen droom en realiteit. Een mooi voorbeeld van dat laatste:
“Maar nu ik me bevind
in de middag aan de overkant van de spiegel
herinner ik me die droom
alsof ik me de blauwzwarte nacht buiten de spiegel herinner”
Ook zijn er fraaie regels waarin het exploreren van het onkenbare als een ‘innerlijk moeten’ naar voren komt. Of als een drang die de ik- figuur zelf nauwelijks doorgrondt, maar niettemin moet volgen. Of, wellicht, als de onverbiddelijke kern en de primaire gepassioneerde inzet van haar dichterschap en schrijverschap:
“Ik moet staren naar iets wat je niet recht kunt aankijken
zoals de zon of de dood
angst of verdriet”
Deze bundel bestaat uit vijf delen, en binnen elk deel zijn er samenhangende reeksen. Maar de afzonderlijke gedichten raakten mij nog meer dan die reeksen. En de beelden in elk gedicht raakten mij nog meer dan dat gedicht als geheel. Ik was bovendien niet primair geïnteresseerd in thematische hoofdlijnen en grondmotieven, omdat ik mij wilde onderdompelen in de raadselachtigheid van die geïsoleerde beelden.
Andere lezers zullen juist wel op zoek zijn naar overkoepelende thema’s en hoofdlijnen. En van andere raadsels verrukt raken dan ik. Of naar dezelfde raadsels kijken met heel andere ogen. Mijn ontdekkingsreis door deze bundel is kortom anders dan die van u. Maar hij beviel mij uitstekend. Want ik heb veel ongrijpbaar mooie poëtische beelden gezien, waarvan ik er slechts een paar kort heb aangestipt. En ik heb vol verwondering mogen rondreizen in de unieke en enigmatische verbeeldingswereld van Han Kang. Wat wil een mens nog meer?
1
Reageer op deze recensie
