Meer dan 7,1 miljoen beoordelingen en recensies Organiseer de boeken die je wilt lezen of gelezen hebt Het laatste boekennieuws Word gratis lid
×
Lezersrecensie

Een volkomen ontregelend delirium

Nico van der Sijde 09 december 2025
De Portugese gigant Antonio Lobo Antunes (1 september 1942) publiceerde onlangs "De omvang van de wereld". Zijn allerlaatste prachtroman, en een waardige afsluiting van een Nobelprijswaardig oeuvre. Die roman, en bijna al zijn andere vertaalde romans, las ik vol bewondering. Met veel dank aan meestervertaler Harrie Lemmens. Maar "Fado Alexandrino" had ik nooit goed gelezen. Terwijl juist dat bekend staat als zijn magnum opus. En dat is volkomen terecht. Het is zijn meest omvangrijke roman: 650 kolkende bladzijden dik. Ook biedt het een uniek perspectief op het Portugal voor, tijdens en na de Anjerrevolutie in 1974. Bovendien is het een ongelofelijk ingenieuze polyfonie, waarin verschillende personages leeglopen in adembenemende monologen vol frustratie en pijn. En de taal is tot mijn verbazing zelfs nóg rijker, barokker, complexer, grotesker en meeslepender dan in de andere romans van de oude meester. Ja, alle in het Nederlands vertaalde romans van Lobo Antunes zijn meesterlijk. Maar "Fado Alexandrino" is nóg meesterlijker dan de rest.

We volgen vier Portugese militairen, die elkaar tien jaar na hun terugkeer uit de koloniale oorlog weer ontmoeten in een van dronkenschap en liederlijkheid doordrenkte nacht. Om beurten vertellen zij hun barokke verhalen over heden en verleden, afwisselend in de ik- vorm en in de hij- vorm. Zij richten die verhalen vaak tot een vijfde militair: de kapitein, die ook de organisator en regisseur lijkt van deze met drank overgoten nacht. En die zich, als een alter ego van schrijver en psychiater Lobo Antunes, soms met veel verbeeldingskracht en empathie lijkt te verdiepen in wat de vier anderen hebben meegemaakt.

En dat is niet weinig. Want de verschrikkingen van de oorlog in Mozambique hebben deze mannen voorgoed ontwricht. In Lissabon schemert voor hen voortdurend het Afrikaanse oerwoud door, en het brute oorlogsgeweld blijft maar spoken in hun geteisterde hoofden. In verbijsterende koortsdromen, waarin elke boomtak een schrikwekkend lijk is en elk boomblad een trillende tong. Mede daardoor hebben zij na hun terugkeer uit Mozambique nooit kunnen aarden in Portugal. Ook zijn hun huwelijken kapotgegaan, zijn de idealen van de Anjerrevolutie versmoord, zijn hun carrières ontspoord, en zijn hun levens getekend door desillusie en wanhoop. Ook worden zij geteisterd door snakkende en schrijnend- vergeefse verlangens naar fysieke liefde. Die verlangens zijn soms te stuitend voor woorden, maar tegelijk wel adembenemend intens en bodemloos ontroerend.

"Fado Alexandrino" heeft twee tijdslijnen, die elkaar voortdurend afwisselen. Ten eerste die ene nacht vol steeds toenemende dronkenschap, die in groteske en gewelddadige tragiek eindigt. En ten tweede de tienjarige periode voor, tijdens en na de revolutie. De periode dus die tijdens die dronkenmansnacht in dronken delirium wordt herbeleefd en naverteld. Het groteske gehalte van het verleden wordt nog aanzienlijk versterkt door de dronkenschap van nu. Want intense dronkenschap kleurt de herbeleving. Maar ook het omgekeerde is waar: de herbeleving voedt ook de dronkenschap. Want alle groteske pijn uit het verleden verhevigt nog de hallucinante en dronken desillusie van nu. En die pijn is precies de reden waarom de personages zich zo mateloos verdoven in drank en liederlijkheid.

Bovendien is "Fado Alexandrino" in beide tijdslijnen een meerstemmig delirium, dat als een kakofonie klinkt. Want de dronken militairen vertellen hun verhalen om beurten, maar worden steeds vaker onderbroken door associatieve tussenwerpsels van anderen. Zodat hun verhalen en de reacties daarop versmelten tot een dissonante en chaotische samenzang. Temeer omdat de verschillende verhalen steeds meer door elkaar heen worden verteld, zodat de samenzang meer en meer klinkt als een vreemd verspringende beurtzang. En dat terwijl die verhalen zelf al heen en weer springen tussen allerlei barokke associaties, tussen heden (tijdslijn 1) en verleden (tijdslijn 2), tussen carnavaleske kluchtigheid en tragische teleurstelling, en tussen surrealistische hallucinatie en ontnuchterende werkelijkheid. Alsof elk personage zelf al meerstemmig is. Alsof hun eigen verhaal steeds al een kakofonische samenzang is van vele stemmen in hun koortsachtige en door drank benevelde hoofd.

Behalve koortsachtig meerstemmig zijn alle zinnen bovendien ook nog eens koortsdroomachtig vreemd. Want ze zijn opgebouwd uit reeksen van indringende, maar ook barokke en ongerijmde beelden. Ook daarin wordt voelbaar hoezeer de personages hun binnenwereld en buitenwereld doorleven als een grotesk en hallucinant delirium. Zo spreekt een van hen over zijn “ogen, die nauwelijks bedekt werden door de oogleden, als zwavelgordijnen die omhoog en omlaag gingen”. Alles doet dus kennelijk pijn aan de ogen. Zelfs een gewoon vliegtuig is voor hen volkomen ongewoon: “Een grote, plompe, stijve duif vol vierkante poriën van ramen”. Hun gevoel van perspectiefloosheid komt terug in sfeerbeelden als: “Volkomen zinloos stak de Don Quichot van klei zijn gebroken lans dreigend op naar de lamp”. Of in beelden als: “Buiten op straat stroomde de druilerige mist van de vorige dag langs de verwaarloosde puien, zoals de make-up van een huilende oude vrouw uitloopt over haar gezicht”.

En zo gaat het maar door. Op elke bladzij en in elke zin. De beschrijving van een oude, zeer boze en volkomen ontgoochelde oom luidt bijvoorbeeld: “Het was een klein astmatisch mannetje […], wiens trekken zich concentreerden in een kosmische wildheid zonder doel, gevoed door de hortende blaasbalg van zijn longen”. In wanhopig- koortsachtige dromen over een vrouw droomt iemand over “De vreselijke, penetrante geur van haar oksels, bezaaid met kleine plukjes algen, alsof er onder haar armen nog twee monden groeien die herleid zijn tot het spons van hun tandvlees”. Bovendien is de wereld vaak surrealistisch, veranderlijk en fragiel: “We stapten op als het donker werd, kapitein, als de gevels door de avond lila geverfd werden, als huizen van kleur veranderden, de gezichten van kleur veranderden, ja, zelfs de geluiden van kleur veranderden, alles werd kwetsbaar, fragiel, van glas, als de stemmen bijvoorbeeld op de stoep zouden vallen, zouden ze in duizenden letterscherven breken”.

Lobo Antunes bedelft ons dus onder vele vreemde beelden. Intrigerend is bovendien hoe die beelden in ketens worden verknoopt. Zoals in de volgende passage, waarin een verveloos flatgebouw van ooit associaties oproept met een scheepswrak in de Taag, dat vervolgens weer associaties oproept met dood en verval: “[D]e meeuwen cirkelden krijsend als snikkend protesterende kinderen boven het schip, en ineens, zomaar vanuit het niets, moest ik denken aan de lang vervlogen jaren dat ik bij je ouders thuis in Seixal met je ging vrijen, in een verveloos flatgebouw aan de rivier dat me, zo scheef, zo oud, zo gescheurd en verrot, altijd deed denken aan een scheepswrak vol door vissen, algen en de tanden van het water aangevreten meubels, waar mensen met gezichten zo ruw en poreus en hard als puimsteen spartelend als drenkelingen door de dichte, stinkende damp dreven die opsteeg van de oever en in troebele golven binnendrong door de scheef in hun sponningen hangende ramen, als etterende kiezen in het magere spons van het tandvlees. De Taag was een walgelijke, door verbrokkelde muren en fabrieksschoorstenen samengeperste smalle strook slijk waarin gesloopte scheepjes en tot houten balken vol rot herleide resten van de gesloten dokken lagen te vergaan, terwijl aan weerskanten grieperige vogels zaten te rillen in holtes in de voorgevels […]”.

Heraclitus zag het bestaan als een rivier, waarin alles voortdurend verandert. Bij Lobo Antunes echter is die rivier zelfs een walgelijke strook slijk, die alles aanvreet. En die dichte en stinkende damp afscheidt waarin drenkelingen spartelen. Niets heeft een vaste en helder omlijnde vorm. Want huizen zijn scheepswrakken, meeuwen zijn snikkend protesterende kinderen, water heeft tanden en ramen zijn etterende kiezen. Alles vervloeit, wordt aangevreten, rilt, en vergaat. En precies dat maakt Lobo Antunes voelbaar met deze barokke beeldenketen.

Lobo Antunes schreef ooit dat elke tekst van hem een avontuur is, een ongewisse reis in het pre- rationele donker van het onbewuste. Dat geldt zeker voor "Fado Alexandrino". Want dat is een koortsachtig en meerstemmig delirium, dat doordrenkt is van koortsdroomachtige en barokke beelden. De lezer moet zich dus onderdompelen in chaos, in onsamenhangendheid, in een stroom waarin alles onbekend en veranderlijk is. Want dàt is hoe de personages zichzelf en de wereld ervaren. In het dagelijks leven gaan we uit van samenhang, en vertellen we verhalen die op logische wijze van A naar B verlopen. Maar Lobo Antunes ontregelt dat alles volkomen, en vraagt dat wij ons overgeven aan die ontregeling. Want alleen dan doorvoelen we de ontregelde blik van de personages, en de ontwrichte wereld zoals zij die zien.

Lobo Antunes offreert ons een polyfonie van grillige en in totale dronkenschap vertelde verhalen, over een ongerijmde wereld die als een delirium wordt beleefd. En hij wil dus dat wij meebewegen met die polyfonie en met dat delirium. Zodat het avontuur van de tekst ook echt gestalte krijgt in onze leeservaring. Dat betekent dat we geduldig moeten luisteren naar verschillende personages die ademloos, door elkaar heen pratend, associatief en vol ongefilterde emoties leeglopen. Ook moeten we die emoties in al hun bizarre schakeringen proberen te volgen, met maximale inzet van onze empathie. En ons aandachtig verdiepen in al die koortsdroomachtige beelden, en in de grillige kracht daarvan. Juist ook als we die beelden nauwelijks begrijpen en vooral hun ongerijmdheid voelen. Dat betekent dat je als lezer elk analytisch oordeel moet opschorten. En dat je jezelf zonder voorbehoud moet onderdompelen in een leesavontuur vol van ongekend heftige en vaak zelfs schokkende emoties, en in een tsunami van ondoorgrondelijk vreemde beelden.

In "Fado Alexandrino" vraagt Lobo Antunes zelfs nog meer dan in zijn andere prachtboeken. Zelf las ik alle passages dan ook meerdere keren. Om de chaos van ongefilterde emoties voluit te doorvoelen, en om optimaal te worden doordrongen van al die ongerijmde beelden. Uiteraard kostte mij dat veel tijd en inspanning. Maar het leverde mij een heel intense leeservaring op. En die gun ik iedereen. Toegegeven: liefhebbers van heldere verhalen kunnen Lobo Antunes beter vermijden. Maar zelf vind ik hem groots. En voor mensen die andere boeken van hem waarderen is "Fado Alexandrino" zonder meer een must.

Reageer op deze recensie

Meer recensies van Nico van der Sijde