Advertentie

"Justitia" is weer zo'n filosofisch detective- verhaal vol dubbele bodems en krankjorume plotwendingen zoals alleen Friedrich Dürrenmatt die schrijven kan. Een bijzonder vermakelijk verhaal bovendien, gevuld met spitsvondigheden, grappen en verrassingen waar ik vaak om moest grinniken. Ook genoot ik grijnzend van de virtuoze dialogen en de al even virtuoze paradoxale denkbeelden: swingend opgeschreven door Dürrenmatt , bruisend vertaald door Ria van Hengel, en daardoor aangenaam prikkelend voor mijn brein. Maar wat ik na het lezen van dit boek vooral voel is een duizeling, omdat ik mijn vertrouwde vaste bodems niet meer voel. Want die bodems slaat Dürrenmatt allemaal onder mijn voeten weg. Of, anders gezegd: door dit boek krijg ik het gevoel dat al mijn vaste bodems en zogenaamde begrensde werkelijkheden pure illusies zijn. En exact dat is volgens mij de voornaamste boodschap van Dürrenmatt.

De grillige plot- of liever: de vertakte wirwar aan verschillende plots- wordt onder meer in beweging gezet door een idiote moord: Kohler, een prominente burger van Zürich, loopt op klaarlichte dag een vol restaurant binnen, schiet een schransende hoogleraar dood, en loopt kalmpjes weer naar buiten. Vervolgens doet hij nauwelijks een poging om te vluchten. Allemaal hoogst ongebruikelijk, en nog ongebruikelijker is dat hij totaal geen motief of reden lijkt te hebben. Politie, rechters, advocaten en andere juristen staan voor een raadsel. Of, zoals een van hen denkt: "Een moord zonder reden was voor hem niet een vergrijp tegen de moraal maar wel tegen de logica. En dat kon niet". Precies dat met de ratio vloekende raadsel wordt nog groter door de vreemde opdracht die Kohler, na zijn veroordeling, geeft aan een intellectueel briljante, maar aan lager wal geraakte advocaat: de opdracht namelijk om uit te zoeken wie de moord zou hebben gepleegd indien Kohler niet de moordenaar zou zijn geweest. De redenering die daaronder ligt is niet minder bizar dan de opdracht: "U moet dan ook niet de werkelijkheid onderzoeken,[;...] maar een van de mogelijkheden die achter de werkelijkheid zitten. Ziet u, beste Spät, de werkelijkheid kennen we al, daarvoor zit ik hier manden te vlechten, maar het mogelijke begrijpen we nauwelijks. Begrijpelijk. Het mogelijke is bijna oneindig, het werkelijke is strak begrensd omdat immers maar één van alle mogelijkheden werkelijkheid kan worden. Het werkelijke is slechts een bijzonder geval van het mogelijke en daarom ook anders denkbaar. Daaruit volgt dat we het werkelijke moeten omdenken om het mogelijke te bereiken".

De ik- figuur van de eerste twee delen van dit verhaal, de aan lager wal geraakte advocaat Spät, accepteert uiteindelijk deze opdracht, eigenlijk zonder duidelijk te weten waarom. En komt dan in een reeks verwikkelingen terecht waarin het mogelijke uiterst veelvormig blijkt, en het werkelijke veel van zijn strakke begrensdheid verliest. Bizar bijvoorbeeld is hoe de "vast begrensde werkelijkheid" dat Kohler de dader is toch op losse schroeven komt te staan: door het ogenschijnlijk ontbreken van elk redelijk motief, door tegenspraken tussen alle getuigenissen waardoor elke getuigenis een onbetrouwbare getuigenis wordt (en dat bij een moord die door tientallen is gezien!), door het ontbreken van een moordwapen, en door allerlei grillen van het toeval. Dit alles volgen wij via het perspectief van Spät, dat echter steeds verwarder en grotesker en dus onbetrouwbaarder wordt: ook zijn getuigenis is dus een onbetrouwbare getuigenis. Een verhaal over zijn eerste ontmoeting met Kohlers beeldschone dochter blijkt bijvoorbeeld ineens het verhaal te zijn over de laatste ontmoeting, en door zijn permanente dronkenschap weet Spät zelfs dat eigenlijk niet zeker. Je weet bovendien vaak niet of hij bepaalde zaken hallucineert of dat hij inderdaad zeer vreemde dingen beleeft. En begrijpen doet hij ze in elk geval niet. Wat nog extra onderstreept wordt door het derde en afsluitende deel van "Justitia", met een andere ik- figuur, die heel andere perspectieven en interpretaties ontvouwt dan die welke Spät ons heeft laten zien. Maar ook die andere ik- figuur heeft bepaald niet de illusie dat hij heel veel begrijpt en verklaart: eerder is hij volkomen vertwijfeld over alle pogingen om via de ratio of via rechtspraak enige greep op de werkelijkheid te krijgen. Want de wereld lijkt ook hem uit niks anders te bestaan dan irrationele en blinde krachten, uit onrechtvaardige en absurde grilligheid, uit totale chaos.

Niet voor niets vraagt juist die laatste ik- figuur zich retorisch af: "Of voelt [ de aarde] de tijd als iets bliksemsnels, voelt ze zichzelf als een ongeduldige, onstuimige kracht, kookt ze, doet ze continenten uiteenspringen, duwt ze gebergten omhoog, schuift ze lagen over elkaar heen, laat ze zeeën het land overspoelen, is ons wandelen over een veilige bodem in werkelijkheid een lopend over een wankele bodem, die elk moment open kan gaan en ons kan verslinden?" Een mijmering die wel heel veel vaste bodems ondergraaft, Eerder in de roman werd bovendien een godsdienstwaanzinnige aan het woord gelaten, die helemaal leegloopt over "het binnenste van de zon, de totale duisternis die daar heerste, die één was met de verborgenheid van God, die je alleen kon zien als je je ogen liet wegbranden door de zon, pas dan kon je zien hoe God zich als een dimensieloos punt van volmaakte zwartheid in het binnenste van de zon bevond [...], alsof hij een gat zonder bodem was, de afgrond van de afgrond [...]". Alsof in elk zogenaamd Goddelijk licht een dimensieloze kern van pure zwartheid is, alsof onder elke zogenaamd vaste bodem alleen een afrond van een afgrond gaapt. Precies die illusieloze duizeling wordt ook in andere passages scherp en eloquent verwoord. Maar hij wordt door Dürrenmatt vooral pregnant voelbaar gemaakt, op elke pagina opnieuw: door de volkomen irrationele grilligheid van de plot, de volslagen onbetrouwbaarheid van elk vertelperspectief, en door de wijze waarop elke idiote plotwending weer uitmondt in een volstrekte breuk met elke notie van rechtspraak, rechtvaardigheid, ordelijkheid en rede.

Net als in b.v. "De verdenking" en "De rechter en zijn beul" schotelt Dürrenmatt ons geen detectiveverhaal voor waarin alles wordt opgelost en afgehecht, maar juist een anti- detectiveverhaal waarin de ongerijmdheid en onoplosbaarheid der dingen ons recht in het gezicht kijkt. Ik hou daar wel van. Zeker als dat zo prikkelend, humoristisch en indringend wordt opgeschreven als hier door Dürrenmatt.

Reacties op: Allemaal dubbele bodems, met daaronder bodemloze gaten

1
Justitia - Friedrich Dürrenmatt
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners