Advertentie

Naar mijn mening had Antonio Lobo Antunes allang de Nobelprijs moeten krijgen, want zijn romans zijn altijd roeswekkend prachtig en volkomen uniek. Nieuwe vertalingen van hem koop en lees ik dan ook steeds. Toch had ik om de een of andere reden "Paardenschaduw op zee" gemist, dat in 2011 verscheen. Ik kocht het toen wel, maar las het raar genoeg niet. Ook in de Nederlandse pers was er weinig aandacht voor, als mijnheer Google mij tenminste niet bedriegt. Raar toch, want dit boek is weer vintage Lobo Antunes, en de vertaling van Harrie Lemmens is weer net zo bruisend en meeslepend als altijd.

Vier kinderen, Beatriz, Ana, Francisco en Joao, scharen zich op paaszondag rond het sterfbed van hun moeder. En die paaszondag is van elke wederopstanding verstoken, want God en Christelijke verlossing zijn volkomen afwezig in Lobo Antunes' universum. Het boek bestaat dan uit monologen, waarin de kinderen om de beurt hun levensverhaal vertellen, of liever over ons uitstorten in een ellenlange zin die steeds een hoofdstuk lang ademloos voortdendert zonder pauze. Die monologen en levensverhalen zijn zodanig met elkaar verknoopt dat soms ook het perspectief meerdere keren wisselt binnen zo'n zin, of zelfs meerdere keren in een korte bijzin van die zin. Bovendien komen ook anderen aan het woord: de huishoudster of dienstbode Mercilia, de stervende of zelfs al overleden moeder, even ook de al eerder overleden vader, en op enig moment ook de weggestopte en verzwegen bastaardzoon die naamloos is en vol wrok.

Dat laatste geldt trouwens voor iedereen: drugsverslaving, wanhopig verdrongen homoseksualiteit, woede en wanhoop en gefnuikte liefde spatten van de pagina's. En ook onverwoordbaar verdriet: "ik heb nooit iemand zo weinig plaats zien innemen als hij die middag, terwijl onzekere fragmenten zich in mij aaneen begonnen te voegen, doorzichtige vliezen en het soort tranen dat je je hele leven houdt, soms in je ogen maar meestal verborgen in jezelf, in een van die plooien van wanhoop waaruit wij bestaan, kon ik jullie toch maar vertellen, en dat kan ik niet, wat er in ons knaagt zonder dat we het weten". Alsook enorme teleurstelling in het verval van de ooit zo rijke familie, omdat de vader, in zijn zelfdestructieve wanhoop aan het leven en in een soort verslaving aan de onmogelijke vergeefsheid, al het geld heeft vergokt aan de casinotafel. De personages schreeuwen, uit wanhoop vanwege hun zo redeloze lot, het soms uit van onmacht en ongeloof: "wie verzekert mij dat het geen droom is wat ik hier zeg, losse zinnen, emoties waaraan ik niet kan wennen, [...], tranen die geen kans gekregen hebben vergoten te worden en aandachtig wachtend rond het lege bed zweven". En dat gevoel van ongeloof en onmachtige onwerkelijkheid wordt nog onderstreept door uitroepen als: "ik kan het niet goed uitleggen want de woorden volgen elkaar snel op en er is niet genoeg papier, moet je zien hoe Antonio Lobo Antunes zinnen overslaat omdat hij me niet bij kan houden". Zo redeloos en onwerkelijk is hun leven dat ze vaak denken verzinsels te zijn, delirische dromen, groteske nachtmerries, ficties van een koortsige geest. En hun wanhoop daarover kunnen ze alleen uiten in ademloze woordenstromen, die zelfs de schrijver niet kan bijhouden.......

De zo unieke stijl van Lobo Antunes is bovendien hét vehikel bij uitstek voor die wanhoop, en hét uitdrukkingsmiddel par excellence om uiting te geven aan de door de personages zo prangend ervaren redeloosheid van leven en dood. Die stijl sluit met andere woorden naadloos aan op de soms zo groteske en verbazingwekkende merkwaardigheid van de wereld binnen en buiten ons. Want die ellenlang voortdenderende zinnen van Lobo Antunes, waarin het perspectief soms meerdere keren ineens verandert, staan ook nog eens vol van bizar- poëtische en barok- groteske associaties, waarin droom en gehallucineerde werkelijkheid soms ononderscheidbaar worden, en waarin de personages soms pijlsnel heen en weer bewegen tussen het kind van toen, de wanhopige van nu en de eenzaam achterblijvende stakker van de toekomst. Of tussen hun eigen lot en dat van hun familieleden, of van andere mensen die zij zich (soms vaag, soms delirisch) herinneren. Lobo Antunes lezen is een oefening in empathie: je moet aandachtig meebewegen met volkomen ongefilterde emoties in al hun grillige onbegrijpelijkheid, ook al kun je die woordenstroom nauwelijks bijhouden en vaak nauwelijks begrijpen. Tegelijk vragen zijn zinnen om gevoeligheid voor poëtische details, voor bizarre beelden, en voor bizar- poëtische beeldrijmen. Want die zinnen zitten niet alleen vol barokke emotie, maar ook vol poëzie. En tenslotte is Lobo Antunes lezen ook een oefening in associatief denken, in ervaren van complexiteit, in ondergaan van werkelijkheden en gevoelsintensiteiten en meerduidige beelden die juist door hun onophefbare duisterheid blijven fascineren.

Ik citeer nu het begin van hoofdstuk 1, en dus van de eerste ellenlange en meerstemmige zin. Deze zin bevat ook uitroepen van de dan sprekende ik- figuur of (vooral) van anderen: dan springt de tekst even in, wat ik weergeef met /....\. "Haar hele leven lang, voor haar ziekte en tijdens haar ziekte, vertelde mijn moeder ons keer op keer /'Luister'\ dat mijn oma als kind met mijn overgrootmoeder op bezoek ging bij dames die op oude etalages in het oude deel van Lissabon woonden, in eeuwige schemering gehulde kamers en gangen waar het zilverwerk en porselein haar volgden en mijn oma, tien of elf toen, dacht/'Wat moet het hier somber zijn om drie uur 's middags'\ want het was daar, in die kamers, die gangen, en ook in de hokken met pantoffels en bezems, dat het 's winters regende, niet buiten, en eigenlijk was het ook geen regen maar een verbaasdheid in de dingen, die medelijden met ons hebben, mijn overgrootmoeder en de dames bewogen hun mond zonder woorden en toch praatten ze, dat zag je aan de glinstering van speeksel, een tand, een glimlach voor die tand wanneer een tot dan toe onzichtbare foto opdook uit het donker, of wanneer een spiegel vol vlekken van tijdsgeheimen de portretten verdubbelde onder een andere hoek, die beangstigde omdat zij het niet en tegelijk toch weer wel waren, wezens die leken op doden in dromen, die zich tot de levenden richtten vanaf de hoogte van celluloid boordjes en gespikkelde plastrons, je verstond wel/'Ik ben het'\ maar van wie was het ik dat fluisterde /'Ik ben het'\ en wie zijn wij zonder mond en ogen en tastbaar vlees, zoals mijn moeder nu, zonder een huis somber te vinden om drie uur 's middags of de portretten op te merken die /'Ik ben het'\ ervan overtuigd waren dat mijn moeder hen hielp in zichzelf te geloven, door hen sussend toe te fluisteren/'Ja hoor'\ en daardoor versleten parfums en kanten hartslagen te verlevendigen, mijn moeder die geen zin meer kan uitbrengen, alleen maar halve woorden [...]".

Prachtige passage, vind ik, vooral door die regen die geen regen blijkt te zijn maar een barok beeld voor "verbaasdheid in de dingen, die medelijden met ons hebben", en ook dat medelijden dat de dingen met ons hebben is dan weer een barok beeld dat mooi past bij de onwerkelijkheid en het zweven tussen leven en dood dat deze passage doordesemt. En waarin het gefluisterde, anonieme 'Ik ben het' hoort bij doden in dromen, die geen "ik" meer zijn en dus nauwelijks "Ik ben het" kunnen zeggen. Zoals ook Lobo Antunes' personages vaak niet meer weten wie ze zijn, of zelfs betwijfelen DAT ze zijn. Een twijfelende bevreemding die ook terugkomt in zinsflarden als "het is het enige moment waarop je jezelf een hand geeft, alsof je tegelijk jezelf en een ander bent, en je bent ook iemand anders want de vingers waarin je knijpt zijn vreemd en je gluurt er stiekem naar en vraagt je af/'Het lijken mijn vingers maar zijn ze dat ook?'\ ". Of overpeinzingen als "heb medelijden en geef me terug aan mezelf, misschien is dat wel wat de dood betekent, waar ben ik?". Of in gestamel, omdat de personages de greep op de woorden en dingen helemaal verliezen.

En tegelijk schreeuwen zij het vaak helemaal uit van vergeefs verlangen. Zoals de homoseksuele Joao, die als volgt ervan droomt te worden verscheurd door de jongetjes die hij zonder succes najaagt in het park: "speurend naar resten van bedelaars, aardappelzakken, kartonnen dozen, krantenpagina's die me kunnen bedekken, niet boos op de jongens, dankbaar, want toen ze me uitkleedden voelde ik hun vingers die me weliswaar bezeerden maar ook lang aan me bleven zitten, en scheldwoorden die me deden huiveren van liefde, ik een buffel die door een meute wilde honden in de poten wordt gebeten, en als ik door de knieën ga tanden aan mijn keel die mij van genot verscheuren terwijl ze me uitkleden, ze vermoorden me en ik ben dolblij dat ze me vermoorden, drie, vijf, tien knapen die me dooreenschudden /'Doe me pijn'\ voor ik vergeet wie ik was, ik uiteengereten ingewanden, blootliggend kraakbeen [...]". En anderen lopen weer leeg over heel andere verlangens en frustraties, in net zulke barokke en associatieve beeldenstromen. Soms ontstaat er ook beeldrijm: de nakende dood van de moeder wordt vaak geassocieerd met het in door de knieën zakken van gedode stieren tijdens het stierengevecht, en Joao droomt in de boven aangehaalde passage over zichzelf als een door de knieën zakkende buffel. Maar dat beeldrijm vergroot eerder het raadsel dan dat het dit raadsel verklaart, ook als we Joao's verlangen om in liefde uiteengereten te worden als een doodswens interpreteren. Ook de herhaling van diverse beelden (zoals de "paardenschaduw op zee" in de titel, of de uitroep van oma dat het altijd zo somber is om drie uur 's middags) doet naar mijn smaak het mysterie alleen maar toenemen. En dat kan naar mijn gevoel ook niet anders in een boek waarin de personages zulke intense mysteries zijn voor zichzelf en voor de anderen.

Kijkend naar de flaptekst van "Paardenschaduw op zee" zou je denken: aha, vier kinderen komen bijeen bij het sterfbed van hun moeder, vertellen ons om beurt hun levensverhaal, en door die verhalen en de verschillende perspectieven te combineren krijgen we als lezer vast een completer beeld. Echter, zo simpel zit de wereld volgens Lobo Antunes niet in elkaar. Dus offreert hij ons een kluwen die zich steeds meer verknoopt, of een meerstemmige treurzang die door zijn meerstemmigheid steeds complexer wordt. Maar ook steeds mooier. Er zijn maar weinig schrijvers die zulke intens- grillige emoties weten te vatten in zulke associatieve woordenstromen, en er zijn ook weinig schrijvers die zo hartstochtelijk en poëtisch weten te schrijven over de barokke raadsels van leven en dood. Kortom, ik hoop dat er binnenkort weer een nieuwe vertaling komt van Lobo Antunes. Of dat ik nog een ander vroeg boek van hem blijk te hebben gemist. En wie weet moet ik op termijn eens wat van hem gaan herlezen.

Reacties op: Imponerende meerstemmige treurzang, vol van ademloos en wanhopig delirium

1
Paardenschaduw op zee - António Lobo Antunes
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners