Advertentie

Augustinus (354-430) groeide op in het Noord-Afrikaanse deel van het Romeinse rijk en zijn moeder was een christen. Zij maakte hem vatbaar voor vragen over zijn zielenheil en hij dacht antwoorden te vinden bij de profeet Mani. Deze prediker kreeg – evenals later Mohammed – een hogere waarheid ingefluisterd en hij zag zichzelf als de reïncarnatie van Jezus. Het Manecheisme groeide in die eerste eeuwen na Christus uit tot een wereldgodsdient van India helemaal tot aan het westelijk deel van Afrika. Uiteindelijk vond Augustinus bij hen echter geen antwoorden op de vragen die hij had over het ontstaan van de wereld, de relatie tussen wiskunde en de sterrenhemel en de reikwijdte van de menselijke kennis.
Hij las daarop een aantal filosofische werken: die van de sceptici en die van de neoplatonisten. Van de eersten leerde hij dat je stellige beweringen moet wantrouwen: de mens heeft een beperkt verstand en moet zich soms tevreden stellen met waarschijnlijkheden. Het neoplatonisme gaf hem het idee dat daar tenminste één uitzondering op gemaakt kan worden: die van de wiskundige bewerkingen. Twee en twee is altijd vier! Zulke eenvoudige inzichten, zag hij nu, zijn echte inzichten. Ze zijn onveranderlijk en het feit dat we dit zo zeker weten, illustreert dat we contact hebben met ‘iets’ dat eeuwig en overgankelijk is.
Augustinus was de eerste die – tegen de wil van de kerk natuurlijk – filosofie en godsdienst samenbracht. Het neoplatonistische beeld van het universum zou Augustinus een leven lang bijblijven: overal waar we ook maar iets van orde, schoonheid en scheppingsdrang vinden, worden we de kracht van het Ene gewaar. En dat Ene dat bleek – althans voor Augustinus – God te zijn.

De uiteindelijke bekering tot het christendom, hetgeen Augustinus in dit boek uitgebreid en bloemrijk omschrijft, is een langdurig proces. Hij had sterk het gevoel dat hij het levenspad van christelijke kloosterlingen moest volgen maar hij worstelt keer op keer met de aardse verleidingen (sex!) en kan de knoop maar niet doorhakken. Dit komt schitterend tot uitdrukking in zijn aanroep tot God:” ‘Geef mij kuisheid en onthouding, maar doe het niet meteen!’ Ik was namelijk bang dat gij mij met spoed zoudt verhoren en met spoed zoudt genezen van de ziekte der begeerlijkheid, die ik liever verzadigd wilde zien dan gedoofd.” Hoe eerlijk! En tegelijk: hoe herkenbaar. Worden we niet allemaal doorlopend blootgesteld aan allerlei verleidingen? En ... geven daar maar wat graag aan toe! Uiteindelijk komt Augustinus in hoofdstuk acht tot inkeer en heeft hij in totaal dertien hoofdstukken nodig om al zijn zielenroerselen aan ons toe te vertrouwen. Er komen vragen voorbij als: Wat deed God eigenlijk voordat hij het Universum schiep? … en: Waarom is er kwaad in de wereld?
Voorwaar lezer, U zijt gewaarschuwd: een flinke kluif en zeker geen makkelijke kost om te lezen. Je moet er de tijd voor nemen, zo nu en dan ook even wat anders tussendoor lezen. En regelmatig naslagwerk (internet) gebruiken om dingen op te zoeken.
Augustinus heeft zijn denkbeelden op prachtige wijze op papier gezet; een kunststukje dat eeuwenlang door grote filosofen als basis is gebruikt.

Reacties op: Een flinke kluif