Advertentie

In zijn inleiding schrijft Arnon Grunberg: “Je zou moeten zwijgen, je zou moeten verstommen, maar je mag niet zwijgen.” Bondskanselier Helmut Schmidt sprak in 1977 woorden van gelijke strekking bij zijn bezoek aan Auschwitz: “Eigentlich gebietet dieser Ort zu schweigen, aber ich bin sicher dass der deutsche Bundeskanzler hier nicht schweigen darf.”
Auschwitz heeft bestaan, bestaat nog steeds, en er kan over gesproken worden; de vraag is alleen hoe. En door wie, wie mag spreken?, zoals de Hongaarse overlevende en schrijver Imre Kertész het verwoordde. Primo Levi probeert daar een antwoord op te vinden: “De ware getuigen zijn niet wij, de overlevenden. Dit is een moeilijke gedachte waarvan ik me geleidelijk bewust ben geworden, bij het lezen van de memoires van anderen en het herlezen van de mijne, jaren later. Wij overlevenden zijn behalve een heel kleine ook een niet-representatieve minderheid: we zijn degenen die door misbruik of handigheid of geluk het ergste niet hebben gekend. … de ‘muzelmannen’, de overweldigden, zijn de echte getuigen, wier getuigenis alles en allen zou hebben omvat. Zij zijn de regel, wij de uitzondering.”

Met ‘Bij ons in Auschwitz – Getuigenissen’ geeft Grunberg de slachtoffers een stem door middel van deze verzameling overleveringen. Dat doet hij in vier, chronologisch geordende, delen: Aankomst, Bed, straf en selectie, Sonderkommando en Schuld, schaamte, wrok en verlangen. Op 27 januari gaven bekende Nederlanders als Sabri Saad El Hamus, Gijs Scholten van Aschat, Sonja Barend en anderen de slachtoffers letterlijk een stem door hun overleveringen voor te lezen in een uitverkochte Singelkerk in Amsterdam. In de pauze werd ‘Kaddisj’ van Maurice Ravel indrukwekkend ingetogen opgevoerd door Marc Pantus (zang) en Maarten Hillenius (piano).

Vooral het derde deel, Sonderkommando, is erg aangrijpend. Grunberg stelt dat deze Joodse mannen wellicht het ergst van allemaal gestraft zijn, aangezien zij wisten dat zij hun vaders en moeders, hun partners, hun kinderen naar de gaskamers voerden, zij wisten waaruit de rook bestond die uit de schoorstenen kringelde. Ook wisten zij dat hun beurt zou komen: na vier maanden trof hen hetzelfde lot, waarna zij werden vervangen door een nieuwe ploeg.

Vaak is er enigszins denigrerend gesproken over de overweldigden. Waarom kwamen zij niet in opstand? Waarom lieten zij zich als makke schapen wegvoeren en doden? Volstrekte onzin, natuurlijk. Zij die dit beweren zouden verplicht ‘Bij ons in Auschwitz’ moeten lezen.
In het kamp hadden de minder ontwikkelde gevangenen het vaak eenvoudiger dan de intellectuelen. Ten slotte wisten zij van jongs af aan hoe gereedschap te hanteren. Meestal namen ze het leven voor lief zoals het kwam. Zij dachten niet na over de zin van dit alles, zoals de intellectuelen zich het hoofd braken over de werkelijkheid en hoe die toch tot stand was gekomen. Intellectuelen die nog nooit handarbeid hadden verricht. Ook de religieuze of politieke fanaten hadden een voordeel. Bij de eerste groep klonk het als ‘Gods wegen zijn ondoorgrondelijk,’ bij de tweede, die Auschwitz als uitwas van doorgeslagen kapitalisme beschouwde, klonk de boodschap dat de kameraden het gespuis straks zouden overwinnen en wraak zouden nemen, waarna het socialisme de mens eindelijk zou bevrijden.

Een voorbeeld van die eerste groep blijkt als de ‘dajan’ (hulprabijn) een groep Joodse sonderkommando’s toespreekt voordat zij naar het crematorium worden geleid:

“Broeders! Volgens Gods ondoorgrondelijke raadsbesluit moeten we nu onze laatste tocht aanvaarden. Een wreed en gruwelijk lot heeft ons gedwongen mee te werken aan de uitroeiing van ons volk, voordat we nu zelf tot as vergaan. Er is geen wonder gebeurd. … Met Joodse gelatenheid moeten we nu in het onherroepelijke berusten. Het is de laatste beproeving die de hemel ons heeft gezonden.”

In het laatste deel maakt vooral ‘De noodzaak en onmogelijkheid Jood te zijn’, door Jean Améry (pseudoniem van Hans Mayer) indruk. Het kwaad is volgens hem nog alom aanwezig, waarbij hij voorbeelden geeft van landen waar antisemitisme weer schering en inslag is. In deze wereld kan hij zich niet meer thuis voelen en in 1978 pleegt hij op 66-jarige leeftijd zelfmoord.
M.S. Arnoni probeert het kwaad te duiden. “Daar moet ergens anders naar gezocht worden, buiten je eigen kring. Het moet ergens zijn op een plaats waar jij geen deel van uitmaakt. Het kan alleen bestaan bij andere mensen, godsdiensten, rassen, talen, zeden, gewoonten. Zelfs in het gunstigste geval zijn ze overbodig. De wereld zou het best zonder hen kunnen stellen.” Lui die zo denken, daarvoor moet je oppassen.

Arnoni ten spijt is de openlijke uiting van ‘het kwaad schuilt in de ander’ gemeengoed. En evenals toen, bijna een eeuw geleden, sluiten mensen zich maar al te graag aan bij predikanten van dergelijke simpele voorstellingen van zaken. In die zin is er, met de woorden van Hans Mayer, helaas weinig veranderd.

Reacties op: Waarom we niet mogen zwijgen

3
Bij ons in Auschwitz - Arnon Grunberg
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners
E-book prijsvergelijker