Advertentie

In het eerste decennium van de negentiende eeuw krijgt de Friese Academie te Franeker het bevrijdende bericht dat de universiteit mag voortbestaan. Direct worden er grootse plannen gesmeed: hoe kan men meer studenten werven? Ook uit Duitsland? Er wordt besloten tot plaatsing van een monument ter ere van de wetenschappen, een replica van Stein des guten Glücks. Die kubus met daarop een bol is ontworpen door auteur en natuurwetenschapper Johan Wolfgang von Goethe. Het monument dient sober te worden uitgevoerd, geen inscripties, geen plaquettes, het is een Ding an sich. Vanzelfsprekend dient dit plan eerst te worden voorgelegd aan de beroemde Duitser. Aangezien klerk Albert van Huszen zich uitstekend weet uit te drukken in de Duitse taal maakt hij deel uit van een groepje dat daartoe per koets naar Weimar afreist, woonplaats van Goethe. Van Huszen woont samen met zijn zus Liene, een bewonderaar van Goethe. De klerk leidt aan een extreme vorm van voortijdige zaadlozing (“ de ziekte”), het is bij wijze van spreken al mis als hij maar oogcontact maakt met een vrouw. Wellicht is Goethe in staat hem van dit ongemak te genezen.

In oktober 1806, een klein jaar voor aanvang van de reis naar Weimar, heeft Napoleon tijdens de slag bij Jena het Pruisische leger verslagen. Het wemelt van verdoolde zielen, Napoleon-aanhangers en –tegenstanders. Het volk is op drift. De reis naar Weimar verloopt dan ook niet zonder problemen. Albert verliest na een asbreuk van zijn koets zijn reisgezellen uit het oog en besluit dan maar zelfstandig door te reizen naar de eindbestemming. Onderweg koopt (…) hij van enkele Franse soldaten een bijzonder kind, een jongen die zelfs zijn naam is vergeten.

“‘Und du, wie heißt du?’
Een verfomfaaid jongetje was het, hij droeg een sansculottebroek, het grijs van zijn jasje was besmeurd met bruine vlekken. Hij had lang, donker haar, bijna zwart, net als Albert. Hij had zijn pruikje afgezet en hield het in zijn hand. Hij had zo te zien een goede opvoeding gehad, hij stond rechtop, was onbevreesd, niet bang voor de onrustig schuifelende paarden.
‘Ich weiß es nicht,’ zei hij.”

Van Huszen noemt hem ten slotte Karl. Het kind blijkt over bijzondere gaven te beschikken. Samen reizen zij verder.

In Weimar probeert Albert een audiëntie bij de grote schrijver te realiseren. Ten slotte dient hij de geloofsbrieven van de academie te overhandigen. Daarin is hij niet de enige. Dagelijks hopen tientallen mensen zich op voor het huis van Goethe aan het Frauenplan. Langzaam maar zeker raken de financiële middelen van de klerk uitgeput en is hij gedwongen middels zijn schaaktalent hun kostje bij elkaar te scharrelen. Als hij er via Karl uiteindelijk in slaagt de beroemde Duitser te ontmoeten, loopt dat uit op een deceptie.

De schrijfstijl van ’t Hart doet denken aan die van Geert Mak. De laatste stelt zich vooral op als vaderlijke geschiedenisleraar en plakt daar anekdotes aan vast. ’ t Hart hanteert een andere insteek: een (heerlijk) verhaal doorspekt van historische feiten. Bijna terloops vermeldt hij bijzonderheden uit die tijd. ‘De ziekte van Weimar’ lees je in één adem uit. Goethe-adepten en beoefenaars van de schaaksport zullen extra smullen van dit verhaal.

Reacties op: De tegenpool van Geert Mak

11
De ziekte van Weimar - Kees 't Hart
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Bestel dit boek bij Libris.nl Bestel het boek vanaf € 21,99 Bestel het e-book € 11,99
E-book prijsvergelijker