Advertentie

In maart zijn René Broekhuijzen en ik begonnen aan ‘het project’ Ulysses. René, gemeenteambtenaar te Pijnacker die gemiddeld zo’n tweehonderd pagina’s per jaar leest, en ik, educatief uitgever in Den Bosch, manisch lezer. Ooit had ik de befaamde roman gekocht in een tweedehands boekenzaakje in een desolaat Frans dorp. Engelstalig, vanzelfsprekend. Zeker tien jaar geleden. Iedere keer stopte ik ’s zomers de roman in de big shopper met vakantieboeken; om de pil vlak voor vertrek eruit te halen en terug in de kast te zetten. Nu René het boek ook had aangeschaft, vanuit zijn interesse in Ierland, en we eenzelfde uitgave bleken te hebben, besloten we de handschoen op te pakken. Dit is geen recensie, al komen er citaten in voor. Het is een beleving. Een beleving van hoe Ulysses te hebben gelezen. Ik raad het u af het boek te lezen, anderzijds raad ik het u aan, ten sterkste. Ik ben 26 keer begonnen, weer de volgende veertig, vijftig pagina’s. Omdat het moest. Omdat ik nu eenmaal met René had afgesproken. Zonder hem was het me nooit gelukt.

René is in van alles en nog wat geïnteresseerd, wil altijd het naadje van de kous weten. ‘Waarom staat er een toren op het omslag? Waarom woont die Buck Mulligan in een toren?’ Het blijkt de toren te zijn waar Joyce heeft gewoond. Ooit huurde hij er een ruimte bij Oliver Saint John Gogarty, tegenwoordig is het een Joyce museum. Gogarty heeft veel weg van (dokter) Buck. Dat weet René dan weer te vertellen. ‘O’Connels time, the famine, gaat over de vrijheidsstrijd. De ‘fenians’ zijn de voorloper van de IRA.’ (blz. 38) Hij vertelde me over the four fields of all Ireland: ‘Ulster, Munster, Leinster en Connach.’ ‘The invincabels, ook voorloper van de IRA en betrokken bij de Phoenix Park Murders.’ (blz. 729). Als tegenprestatie hielp ik hem door de brij van woorden, door de enorme taak die ons te wachten stond. In elf avonden hebben we Ulysses besproken, iedere keer zo’n honderd pagina’s. De laatste afspraak was 16 december 2019. René: ‘Zestig bladzijden slechts, bladzijden zonder interpunctie, één lange zin, in kleine letters.’ Alhoewel: één keer verschijnt er ineens een apostrof. Een foutje van de master himself?

Joyce geeft op pagina 776 een samenvatting van waar het boek over gaat:
“Of what did the duumvirate deliberate their intinerary?
Music, literature, Ireland, Dublin, Paris, friendship, woman, prostitution, diet, the influence of gaslight, or the light of arc and glow-lamps on the growth of adjoining paraheliotropic trees, exposed corporation emergency dustbuckets, the Roman catholic church, ecclesiastical celibacy, the Irish nation, Jesuit education, careers, the study of medicine, the past day, the maleficent influence of the presabbath, Stephan’s (EW: Stephan Dedalus, tweede protagonist) collapse.”
Dus waar gaat het over? Nergens over. Het boek heeft geen plot. Het is de beschrijving van één dag, 16 juni 1904, in het leven van advertentieverkoper Leopold Bloom, jood van origine, kind van Hongaarse ouders die naar Dublin zijn gevlucht. Een man met uitgesproken meningen, maar ook een doetje die toekijkt hoe zijn vrouw Molly vreemd gaat. Letterlijk aan de zijlijn staat. Joyce blijkt goed op de hoogte te zijn van de natuurwetenschappelijke kennis in die tijd (erg knap om dat terloops in dit enorme project te verwerken). Hij beschrijft zelfs de vele functies van water, meer dan ik ooit kan verzinnen… (blz. 784). Anderzijds staan er issues in waarmee wij nu te kampen hebben, zoals de waanzin dat vluchtelingen onze vrouwen en kinderen zullen verkrachten (blz. 589). Idiotie, ook in de tegenwoordige tijd. Anderszins is Joyce een Jules Verne-achtige schrijver: een grote mate van verbeeldingskracht, situaties die heden ten dage gemeengoed zijn in positieve zin. Ulysses zou in deze conservatieve tijden niet meer uitgegeven kunnen worden. Er staan teveel zaken in die nu absoluut uit den boze zijn om in druk te verschijnen. Zo schrijft hij al letterlijk Übermensch.

“I don’t want to see my country fall into the hands of German Jews…” (blz. 25) “Mark my words, Mr Dedalus, he said. England is in the hand of the jews. In all the highest places: her finance, her press. And they are the signs of a nation’s decay.” (blz. 41)

Over voorbehoedsmiddelen: “Copulation without population.” (blz. 555)

“This plebeian Don Juan observed me from behind a hackney car and sent me in double envelopes an obscene photograph, such are sold after dark on Paris boulevards, insulting to any lady. I have it still. It represents a partially nude señorita, frail and lovely (his wife as he solemnly assured me, taken by him from nature), practicing illicit intercourse with a muscular torero, evidently a blackguard.” (blz. 593)

Minder schokkend, maar wel leuk: “Whereas Leopold Bloom of no fixed abode is a wellknown dynamitard, forger, bigamist, bawd and cuckold and a public nuisance to the citizens of Dublin…” (blz. 595)

“Bloom: ‘Shoot him! Dog of a christian!’” (blz. 607)

“Suppose … came too quick with your best girl.” (blz. 619)

“To hell with the pope!” (blz. 635)

De priester die de biecht afneemt: “…I hate that confession when I used to go to Father (EW: let op, hoofdletter) Corrigan he touched me father and what harm if he did where and I said on the canal bank like a fool but whereabouts your person…” (blz. 875)

“…hes heavy too with his hairy chest fort his heat always having to lie down for them better for him put it into me from behind … made her like the dogs do it.” (blz. 887)

“…are they so beautiful of course compared with what a man looks like with his two bags full and his other thing hanging down out of him or sticking up like a hatrack…” (blz. 892)

“yes I think he made them a bit firmer sucking them like that so long he made me thirsty titties he calls them…” “I got to get him to suck them they were so hard he said it was sweeter and thicker than cows than he wanted to milk me into the tea.” (blz. 893)

Regelmatig dacht ik tijdens het lezen waar het nu weer heen ging. Dan lees je op blz. 449 over twee jonge meiden, dat gaat zeventig pagina’s door. En maar terugbladeren, zoeken of die namen – want er komen vele personages in het boek voor – al eerder zijn vermeld. Dan blijkt de terloopse opmerking over een observator/voyeur Leopold Bloom te zijn. Tja…
Op bladzijde 528 heb ik halverwege geschreven: Mijn hemel, wat een ellende is dit weer… En op bladzijde 591 opnieuw: Wat een geleuter.

De schrijver hanteert verschillende stijlen. Vertellend, maar ook honderd pagina’s dialoog. Soms spreekt Joyce de lezer rechtstreeks aan: “Nay, fair reader.” (blz. 541) Die afwisseling is prettig, maar soms ook storend (die laatste zestig bladzijden bijvoorbeeld). En hij droomt, terwijl hij als zoon van tien uit een gezin de enige is die het (financieel) heeft gemaakt: “The independent discovery of a goldseam of inexaustible ore.” (blz. 847) Heb ik genoten van Ulysses? Ik weet het niet. Op zeker moment – ik geef de pagina niet – schreef ik over de honderd pagina’s die ik had gelezen: Wat een geneuzel! Maar toch, ik heb ervan genoten, ik heb het gehaat, ik heb het boek vervloekt! Het was ‘werk’, maar we hebben het gered. We hebben ons doorgevochten door onnoemelijk geneuzel, we hebben genoten van expliciete seks, van expliciete verkettering van alle religies. Van warmte ook, van vriendschap. René, ik dank je!

Reacties op: Waar begin je aan...

7
Ulysses - James Joyce
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners
E-book prijsvergelijker