Lezersrecensie
Eindelijk thuis
Goudhandelaar Ernesto, een vijfendertigjarige man met geheugenverlies, wordt door een stem gemaand in Delft uit de trein te stappen. Hij volgt de raad van de onzichtbare vrouw en belandt in het voormalige TU-gebouw aan het Oostplantsoen in Delft. Dit gebouw, daterend uit 1923 en oorspronkelijk bestemd voor de studie Weg- en Waterbouw, is meer dan een locatie waar het boek zich afspeelt. Het ademt, het is een van de hoofdpersonen. In 2001 werd het omgebouwd tot appartementencomplex, waar de auteur zich vestigde. In Ze vliegen nog altijd over de Schie speelt Abdolah’s thuis, want dat is het, een hoofdrol.
Aan TU Delta, het journalistiek platform van de TU-Delft, vertelde hij: ‘Ik realiseerde me dat je in dit pand in de geschiedenis woont. In de kunst, in de universiteit. Ik had al zo veel huizen gezien in de stad, maar ik stopte daar. Dat was de plek waar ik moest zijn.’
En zo vergaat het Ernesto. Hij vindt er na vele omzwervingen vanuit het Midden-Oosten een thuis. In een kelderbox vestigt hij zijn nering. Hij maakt van oude sieraden nieuwe, waarbij gedurende het verhaal druppelsgewijs stukjes uit zijn verleden terugkeren.
Op zeker moment dient de Guatemalteekse Alejandra zich bij het complex aan met haar driejarige dochtertje. Zij beweert dat Marko, een van de bewoners van het gebouw, de vader is van het kind. Ernesto biedt hen onderdak in zijn appartement. Als zij haar koffer opent, vliegt er een hop uit, de vogel met die prachtige kuif die in Nederland zelden wordt gezien. Daarbij keert een stukje uit Ernesto’s verleden terug en hij ‘herkent’ de vogel als zijnde Upapu, de raadgever. Vanaf dat moment speelt Upapu een belangrijke rol voor de beslissingen die Ernesto neemt.
Ernesto gaat te rade bij de medebewoners van het complex. Wat moeten zij met het Zuid-Amerikaanse duo? Een aantal van hen licht hij uit, zoals de Limburgse schrijfster Rosalie en de Joodse Rayna. De bewoners staan elkaar bij, vormen een mantelzorggroep indien nodig. Aangezien het gros op leeftijd is, is dat nogal eens het geval. De goudhandelaar ontfermt zich ondertussen meer en meer over het kleine meisje, het kind dat (nieuw) leven in de brouwerij brengt. In overleg besluiten de bewoners Marko te confronteren met het verhaal van Alejandra. Hij ontkent ten stelligste iets met moeder en dochter te maken te hebben. Hij is het beu argwanend door zijn huisgenoten ondervraagd te worden en vlucht naar zijn moeder in haar vervallen boerderij in het nabijgelegen Pijnacker. Maar of hij hen daarmee van zich afschudt, is de vraag. Dit verhaal van de zoektocht naar de vader van het meisje is één verhaallijn.
De tweede verhaallijn vormt de vondst van dozen en achtergelaten kleding in Ernesto’s kelder. Al snel beseft hij dat deze hebben toebehoord aan een Joods gezin dat tijdens WO-II die spullen daar heeft opgeborgen. Hij besluit op zoek te gaan naar eventuele nabestaanden. Zoals een ervaren auteur betaamt, komt uiteindelijk alles samen.
Ook in Ze vliegen nog altijd over de Schie hanteert Abdolah met regelmaat poëtisch taalgebruik en spreidt tegeltjeswijsheden tentoon, zoals:
“En hij wist: als het leven je de weg wijst, dan moet je die volgen.”
Je moet ervan houden, maar zelfs als je nuchterder in het leven staat, is het niet hinderlijk. Ben je Delftenaar of ken je Delft, dan kan het verhaal niet stuk. De auteur verweeft stukjes geschiedenis (van het gebouw) door het verhaal, zoals het eerste officiële protest in Nederland tijdens de Duitse bezetting. Dat werd georganiseerd door Delftse studenten die hun Joodse hoogleraren op last van de bezetter zagen vertrekken. Veel bekende locaties komen langs, waaronder Café De Engel op de Markt, Abdolah’s vaste plek als hij weer eens wordt geïnterviewd bij verschijning van een nieuwe roman. Door het hele boek heen voel je dat Abdolah in Delft werkelijk zijn thuis heeft gevonden. En Alejandra? Lees het zelf maar.
Aan TU Delta, het journalistiek platform van de TU-Delft, vertelde hij: ‘Ik realiseerde me dat je in dit pand in de geschiedenis woont. In de kunst, in de universiteit. Ik had al zo veel huizen gezien in de stad, maar ik stopte daar. Dat was de plek waar ik moest zijn.’
En zo vergaat het Ernesto. Hij vindt er na vele omzwervingen vanuit het Midden-Oosten een thuis. In een kelderbox vestigt hij zijn nering. Hij maakt van oude sieraden nieuwe, waarbij gedurende het verhaal druppelsgewijs stukjes uit zijn verleden terugkeren.
Op zeker moment dient de Guatemalteekse Alejandra zich bij het complex aan met haar driejarige dochtertje. Zij beweert dat Marko, een van de bewoners van het gebouw, de vader is van het kind. Ernesto biedt hen onderdak in zijn appartement. Als zij haar koffer opent, vliegt er een hop uit, de vogel met die prachtige kuif die in Nederland zelden wordt gezien. Daarbij keert een stukje uit Ernesto’s verleden terug en hij ‘herkent’ de vogel als zijnde Upapu, de raadgever. Vanaf dat moment speelt Upapu een belangrijke rol voor de beslissingen die Ernesto neemt.
Ernesto gaat te rade bij de medebewoners van het complex. Wat moeten zij met het Zuid-Amerikaanse duo? Een aantal van hen licht hij uit, zoals de Limburgse schrijfster Rosalie en de Joodse Rayna. De bewoners staan elkaar bij, vormen een mantelzorggroep indien nodig. Aangezien het gros op leeftijd is, is dat nogal eens het geval. De goudhandelaar ontfermt zich ondertussen meer en meer over het kleine meisje, het kind dat (nieuw) leven in de brouwerij brengt. In overleg besluiten de bewoners Marko te confronteren met het verhaal van Alejandra. Hij ontkent ten stelligste iets met moeder en dochter te maken te hebben. Hij is het beu argwanend door zijn huisgenoten ondervraagd te worden en vlucht naar zijn moeder in haar vervallen boerderij in het nabijgelegen Pijnacker. Maar of hij hen daarmee van zich afschudt, is de vraag. Dit verhaal van de zoektocht naar de vader van het meisje is één verhaallijn.
De tweede verhaallijn vormt de vondst van dozen en achtergelaten kleding in Ernesto’s kelder. Al snel beseft hij dat deze hebben toebehoord aan een Joods gezin dat tijdens WO-II die spullen daar heeft opgeborgen. Hij besluit op zoek te gaan naar eventuele nabestaanden. Zoals een ervaren auteur betaamt, komt uiteindelijk alles samen.
Ook in Ze vliegen nog altijd over de Schie hanteert Abdolah met regelmaat poëtisch taalgebruik en spreidt tegeltjeswijsheden tentoon, zoals:
“En hij wist: als het leven je de weg wijst, dan moet je die volgen.”
Je moet ervan houden, maar zelfs als je nuchterder in het leven staat, is het niet hinderlijk. Ben je Delftenaar of ken je Delft, dan kan het verhaal niet stuk. De auteur verweeft stukjes geschiedenis (van het gebouw) door het verhaal, zoals het eerste officiële protest in Nederland tijdens de Duitse bezetting. Dat werd georganiseerd door Delftse studenten die hun Joodse hoogleraren op last van de bezetter zagen vertrekken. Veel bekende locaties komen langs, waaronder Café De Engel op de Markt, Abdolah’s vaste plek als hij weer eens wordt geïnterviewd bij verschijning van een nieuwe roman. Door het hele boek heen voel je dat Abdolah in Delft werkelijk zijn thuis heeft gevonden. En Alejandra? Lees het zelf maar.
1
1
Reageer op deze recensie
